← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191001.4 Rolnummer: P.19.0958.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2019-10-03 Raadplegingen: 695 - laatst gezien 2026-06-28 15:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De rechter die een verdachte in vrijheid stelt onder oplegging van één of meer voorwaarden, oordeelt onaantastbaar in feite welke voorwaarden noodzakelijk zijn, gelet op de redenen vermeld in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet, zonder dat hij echter voorwaarden kan opleggen die in beginsel in strijd zijn met supranationale verdragsbepalingen die rechtstreekse werking hebben in de interne rechtsorde of die in beginsel strijdig zijn met de Grondwet, de nationale wetten of de algemene rechtsbeginselen, behoudens wanneer hij de absolute noodzaak daarvan motiveert

(1).
(1)Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0882.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.6, AC 2015, nr. 456. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Beoordeling door de rechter - Aard - Grenzen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 1, vierde lid, en 35, §§ 1 en 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiche 2 Alle met het oog op voorlopige invrijheidstelling krachtens artikel 35 Voorlopige Hechteniswet opgelegde voorwaarden, zijn gelet op de aard en de draagwijdte van die maatregel en de daarvoor wettelijke bepaalde bijzondere motiveringsverplichting, onderling onlosmakelijk verbonden, zodat het niet naar recht verantwoord zijn van één van die voorwaarden de vernietiging van het arrest met zich meebrengt in zoverre het beslist over de na te leven voorwaarden
(1).
(1)Cass. 18 maart 2003, AR P.03.0352.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030318.13, AC 2003, nr.
  1. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Beklaagde en verdachte Vrije woorden: Invrijheidstelling onder voorwaarden - Onderlinge onlosmakelijke verbondenheid van de voorwaarden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16 en 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.19.0958.N D. R., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadslieden mr. Eline Tritsmans en Louis De Groote, advocaten bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. In zoverre het cassatieberoep ook gericht is tegen eisers invrijheidstelling, is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM, artikel 2 Vierde Aanvullend Protocol EVRM en de artikelen 16, § 1 en § 5, 35, § 2 en § 3, Voorlopige Hechteniswet: het arrest stelt de eiser in vrijheid onder voorwaarden waaronder een verbod de woonst te verlaten tussen 19.00 uur ’s avonds en 7.00 uur ’s morgens, tenzij om te gaan werken; elke vrijheidsbeperking moet een basis hebben in de nationale wetgeving, waarin zowel de criteria voor de toepassing van de vrijheidsbeperkende maatregel als de inhoud van deze maatregelen voldoende duidelijk en precies zijn omschreven, zodat ze voorzienbaar zijn; het bestreden arrest oordeelt enkel dat het gevaar voor recidive en collusie kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van een avondklok, terwijl uit geen enkel stuk, waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt waarom een dergelijke voorwaarde het gevaar op recidive of collusie zou kunnen neutraliseren; de opgelegde voorwaarde belemmert het door het EVRM gewaarborgde fundamentele recht op vrije verplaatsing zonder dat de appelrechters de absolute noodzaak daartoe bijzonder motiveren.
  5. Krachtens artikel 35, § 1 en § 5, Voorlopige Hechteniswet kunnen de onderzoeksgerechten ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte, de betrokkene in vrijheid laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die zij bepalen en maximum voor drie maanden. Paragraaf 3 van dat artikel bepaalt dat de voorwaarden betrekking moeten hebben op een van de redenen genoemd in artikel 16, § 1, vierde lid, en daaraan aangepast zijn, in acht genomen de omstandigheden van de zaak.
  6. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite welke voorwaarden noodzakelijk zijn, gelet op de redenen vermeld in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet. Hij kan echter geen voorwaarden opleggen die in beginsel in strijd zijn met supranationale verdragsbepalingen die rechtstreekse werking hebben in de interne rechtsorde of die in beginsel strijdig zijn met de Grondwet, de nationale wetten of de algemene rechtsbeginselen, behoudens wanneer hij de absolute noodzaak daarvan motiveert.
  7. Het arrest oordeelt dat het gevaar voor recidive en collusie kan worden geneutraliseerd door de eiser voorlopig in vrijheid te stellen onder de verplichting onder meer als voorwaarde na te leven: “3°) verbod de woonst te verlaten tussen 19.00 uur ’s avonds en 7.00 uur ’s morgens, tenzij om te gaan werken.”
  8. Dit verbod belemmert het recht op vrijheid van de inverdenkinggestelde zonder dat de appelrechters de absolute noodzaak ervan motiveren. Het middel is gegrond. Overige grieven
  9. De grieven die niet kunnen leiden tot een cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie
  10. Alle met het oog op voorlopige invrijheidstelling krachtens artikel 35 Voorlopige Hechteniswet opgelegde voorwaarden, zijn gelet op de aard en de draagwijdte van die maatregel en de daarvoor wettelijke bepaalde bijzondere motiveringsverplichting, onderling onlosmakelijk verbonden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het beslist over de na te leven voorwaarden. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Geert Jocqué, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 1 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191001.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030318.13 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220413.2N.4 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.