id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191003.1 Rolnummer: C.16.0357.N-C.16.0358.N-C.16.0359.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-11-14 Raadplegingen: 498 - laatst gezien 2026-06-29 06:03 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het cassatieberoep gericht tegen een vonnis in laatste aanleg van de vrederechter waarbij de vordering van de belanghebbende niet ontvankelijk werd verklaard omdat deze niet op de door de wet bepaalde wijze werd ingesteld, is onontvankelijk
(1).
(1)Zie GwH, arrest 8 mei 2019, nr. 62/
- Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: Ruilverkavelingswet - Vordering niet op door de wet bepaalde wijze ingesteld - Vonnis van de vrederechter - Vonnis in laatste aanleg - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 22-07-1970 - Artt. 23, twaalfde lid, en 43 - 30 ELI link Pub nr 1970072202 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest I. Nr. C.16.0357.N
- M.M.,
- M.B., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen RUILVERKAVELINGSCOMITE ZONDEREIGEN, instelling met rechtsper-soonlijkheid, opgericht bij ministerieel besluit van 25 april 2003, met zetel te 2330 Merksplas, Markt 1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, II. Nr. C.16.0358.N
- A.V.,
- M.V., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen RUILVERKAVELINGSCOMITE ZONDEREIGEN, instelling met rechtsper-soonlijkheid, opgericht bij ministerieel besluit van 25 april 2003, met zetel te 2330 Merksplas, Markt 1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie. III. Nr. C.16.0359.N L.J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen RUILVERKAVELINGSCOMITE ZONDEREIGEN, instelling met rechtsper-soonlijkheid, opgericht bij ministerieel besluit van 25 april 2003, met zetel te 2330 Merksplas, Markt 1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn allen gericht tegen een vonnis in laatste aanleg van het vredegerecht van het kanton Turnhout van 31 maart
- Het Hof heeft bij arrest van 22 februari 2018 de zaken gekend onder de rolnum-mers C.16.0357.N, C.16.0358.N en C.16.0359.N gevoegd en heeft een prejudici-ele vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld met betrekking tot de bestaanbaar-heid van de artikelen 23 en 43 Ruilverkavelingswet met de artikelen 10 en 11 Grondwet. Bij arrest nr. 62/2019 van 8 mei 2019 heeft het Grondwettelijk Hof die vraag be-antwoord. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 16 augustus 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Eerste voorzitter Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN In de zaak C.16.0357.N en de zaak C.16.0358.N voeren de eisers in hun verzoek-schrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. In de zaak C.16.0359.N voert de eiser in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- De verweerder werpt drie middelen van niet-ontvankelijkheid van de cas-satieberoepen op.
- Volgens een derde middel van niet-ontvankelijkheid van de cassatieberoe-pen staat tegen beslissingen van de vrederechter gewezen in toepassing van arti-kel 43, § 1, Ruilverkavelingswet geen cassatieberoep open.
- Krachtens artikel 23, twaalfde lid, Ruilverkavelingswet is tegen het vonnis, behalve verzet, geen beroep mogelijk onverminderd de bevoegdheid van de pro-cureur-generaal bij het Hof van Cassatie om zich te voorzien wegens machts-overschrijding of in het belang van de wet, overeenkomstig artikel 1091 Gerech-telijk Wetboek. Krachtens artikel 43, § 1, eerste lid, Ruilverkavelingswet kan iedere belangheb-bende de oppervlakten betwisten van de nieuwe kavels die hem in elke waarde-zone worden toegewezen, de berekening van de globale waarden en van de opleg die er uit voortspruit, het bedrag van de vergoedingen wegens meer- of minder-waarden evenals de vergoeding voor gebruiksverlies. Krachtens artikel 43, § 1, vijfde lid, Ruilverkavelingswet zijn de bepalingen van artikel 23, leden 3, 4 en 6 tot 12 van toepassing op de hiervoren bedoelde rechts-vorderingen.
- Bij arrest van 22 februari 2018 oordeelde het Hof dat uit de samenhang van deze bepalingen moet worden afgeleid dat er geen cassatieberoep openstaat te-gen een beslissing van de vrederechter gewezen in toepassing van artikel 43, § 1, Ruilverkavelingswet.
- Uit de bestreden vonnissen blijkt dat de vrederechter de vorderingen van de respectievelijke eisers op grond van artikel 43, § 1, Ruilverkavelingswet onont-vankelijk verklaarde omdat zij niet op de door de wet bepaalde wijze zijn inge-steld, met name met een dagvaardingsexploot en niet met een verzoekschrift.
- Zoals door de eisers in hun respectievelijke memories van wederantwoord werd opgeworpen, rees de vraag of er in het geval van de uitzonderingsregel van artikel 23, twaalfde lid, Ruilverkavelingswet die de belanghebbende van een cas-satieberoep uitsluit tegen de beslissing van de vrederechter waartegen geen ho-ger beroep openstaat, anders dan het gemeen recht dat in beginsel wel een cassa-tieberoep toelaat tegen beslissingen in eerste en laatste aanleg, een voldoende redelijke verantwoording bestaat voor dit onderscheid en voor de beperking van het recht voor de belanghebbenden om toegang te hebben tot het cassatieberoep en dus tot een buitengewoon rechtsmiddel tegen een beslissing waarin de vrede-rechter hun vorderingen niet ontvankelijk verklaarde omdat deze niet op de door de wet bepaalde wijze waren ingesteld.
- Bij arrest van 22 februari 2018 heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof: "Schenden de artikelen 23 en 43 van de Ruilverkavelingswet van 22 juli 1970 de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet voor zover artikel 23, twaalfde lid zo moet gelezen worden dat het een cassatieberoep door elke be-langhebbende uitsluit tegen een vonnis in laatste aanleg van de vrederechter op grond van voormeld artikel 23 of 43, waardoor een onderscheid wordt gemaakt met de mogelijkheid die elke belanghebbende partij bij een vonnis of arrest vol-gens het gemeen recht heeft om cassatieberoep in te stellen tegen een in laatste aanleg gewezen beslissing?"
- Bij arrest nr. 62/2019 van 8 mei 2019 heeft het Grondwettelijk Hof geoor-deeld dat gelet op de specifieke en complexe aard van de ruilverkaveling en de door de wetgever nagestreefde doelstelling om de geruilkavelden zo snel moge-lijk rechtszekerheid te verschaffen, en rekening houdende met de waarborgen die aan de belanghebbenden worden geboden om hun bezwaren te doen gelden en de beslissingen van het ruilverkavelingscomité te betwisten, de uitsluiting van het cassatieberoep tegen de vonnissen van de vrederechter op grond van de in het geding zijnde bepalingen niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van de betrokkenen. Het Grondwettelijk Hof besluit dat de artikelen 23 en 43 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schenden.
- Hieruit volgt dat het middel van niet-ontvankelijkheid van de cassatiebe-roepen moet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen gekend onder de rolnummers C.16.0357.N, C.16.0358.N en C.16.0359.N. Veroordeelt de eisers elk tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in de zaak C.16.0357.N voor de eisers op 1.591,54 euro en voor de verweerder op 279,46 euro. Bepaalt de kosten in de zaak C.16.0358.N voor de eisers op 1.591,54 euro en voor de verweerder op 279,46 euro. Bepaalt de kosten in de zaak C.16.0359.N voor de eiser op 1.216.54 euro en voor de verweerder op 279,46 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, de sectievoorzit-ters Eric Dirix en Alain Smetryns, en de raadsheren Geert Jocqué en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 3 oktober 2019 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191003.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180222.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div