id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191007.2 Rolnummer: C.19.0093.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 621 - laatst gezien 2026-06-28 12:26 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191007.2 Fiches 1 - 2 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 5, 2° van de wet van 31 maart 2010 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg blijkt niet dat, anders dan uit de door de wet gebruikte bewoordingen volgt, de tijdelijke arbeidsongeschiktheid waardoor het slachtoffer moet getroffen zijn opdat er sprake zou zijn van een voldoende ernstige schade, een volledige of algehele arbeidsongeschiktheid moet zijn
(1)Zie deels gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALGEMEEN Vrije woorden: Vergoeding van schade als gevolg van de gezondheidszorg - Tijdelijke arbeidsongeschiktheid - Aard - Gevolg Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Vrije woorden: Aansprakelijkheid buiten overeenkomst - Vergoeding van schade als gevolg van de gezondheidszorg - Tijdelijke arbeidsongeschiktheid - Aard - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.19.0093.N RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKE-RING, met zetel te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Tervurenlaan 211, en ingeschre-ven bij de KBO onder het nummer 0206.653.946, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen V.D.M., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Joseph Stevensstraat 7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen van 26 maart
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 10 september 2019 ver-wezen naar de derde kamer. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 9 september 2019 een schrifte-lijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 1, 4°, van de wet van 31 maart 2010 betreffende de ver-goeding van schade als gevolg van gezondheidszorg, hierna Wet Medische On-gevallen, vergoedt de eiser het slachtoffer of zijn rechthebbenden overeenkom-stig het gemeen recht wanneer de schade is veroorzaakt door een medisch onge-val zonder aansprakelijkheid, voor zover de schade voldoet aan een van de in ar-tikel 5 van de wet bepaalde voorwaarden inzake ernst.
- Krachtens artikel 5, 2°, Wet Medische Ongevallen is de schade ernstig ge-noeg indien de patiënt getroffen is door een tijdelijke arbeidsongeschiktheid ge-durende minstens zes opeenvolgende maanden of zes niet opeenvolgende maan-den over een periode van twaalf maanden. Uit de wetsgeschiedenis van die bepaling blijkt niet dat, anders dan uit de door de wet gebruikte bewoordingen volgt, de tijdelijke arbeidsongeschiktheid waar-door het slachtoffer moet getroffen zijn opdat er sprake zou zijn van een vol-doende ernstige schade, een volledige of algehele arbeidsongeschiktheid moet zijn.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de verweerster volledig arbeidsongeschikt was van 1 maart 2011 tot en met 30 juni 2011; - zij tijdelijk zowel persoonlijk als huishoudelijk ongeschikt was voor 50 pct. van 1 tot en met 31 juli 2011 en voor 25 pct. van 1 tot en met 31 augustus 2011; - het tijdstip waarop redelijkerwijze de professionele activiteit kon worden her-nomen op 1 september 2011 dient te worden bepaald; - de verweerster tijdens het optreden van de medische verwikkeling kleuterjuf in de tweede en derde kleuterklas was, zij door de verwikkeling belangrijke klachten en beperkingen ter hoogte van haar linkerschouder had opgelopen en deze klachten en beperkingen die volgens de deskundige in de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 augustus 2011 tot een tijdelijk persoonlijke en huis-houdelijke ongeschiktheid van respectievelijk 50 pct. en 25 pct. leidden, het werk van de verweerster als kleuterjuf eveneens moet hebben bemoeilijkt en moet hebben geleid tot een gedeeltelijke economische ongeschiktheid.
- De appelrechter die op grond van die redenen oordeelt dat de verweerster aan de voorwaarde van artikel 5, 2°, Wet Medische Ongevallen voldoet, met na-me dat zij gedurende zes opeenvolgende maanden economisch arbeidsongeschikt was, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 471,98 euro, op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en op de som van 650 euro ten titel van rolrecht verschuldigd aan de Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Mireille Delange, Antoine Lievens en Eric de Formanoir, en in openbare rechtszitting van 7 oktober 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191007.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191007.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div