id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191007.4 Rolnummer: S.18.0061.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra B. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 402 - laatst gezien 2026-06-29 03:37 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191007.4 Fiche 1 Een door artikel 8bis, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming beoogde uitkering bedoeld in artikel 7, § 2, van de Wet Tegemoetkoming Gehandicapten is een uitkering die haar grond vindt in een beperking van het verdienvermogen of in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid; hieruit volgt dat alleen de schadevergoeding die of het gedeelte van de schadevergoeding dat bestemd is om een beperking van het verdienvermogen of een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid te compenseren, in aanmerking kan worden genomen om het recht op een inkomensvervangende of integratietegemoetkoming vast te stellen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MINDERVALIDEN Vrije woorden: Tegemoetkoming - Bedrag - Vaststelling - Inkomen - Bepaling Fiches 2 - 3 De tegemoetkomingen die overeenkomstig artikel 7, § 4, Wet Tegemoetkoming Gehandicapten als voorschot worden toegekend op schadevergoedingen waarop een gehandicapte aanspraak kan of zou kunnen maken ten aanzien van een derde-aansprakelijke, worden vastgesteld onder dezelfde voorwaarden als de inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming zelf; een voorschot dat als integratietegemoetkoming wordt toegekend moet aldus worden aangezien als een integratietegemoetkoming zoals bedoeld in de artikelen 2 van het ministerieel besluit van 30 maart 2007, houdende vaststelling van sociale maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan de beschermde residentiële klanten met een laag inkomen of in een kwetsbare situatie en het ministerieel besluit van 30 maart 2007 houdende vaststelling van sociale maximumprijzen voor de levering van aardgas aan de beschermde residentiële klanten met een laag inkomen of in een kwetsbare situatie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MINDERVALIDEN Vrije woorden: Tegemoetkoming - Voorschotten - Sociale maximumprijzen - Elektriciteit - Gas - Voorwaarden Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: Elektriciteit - Gas - Sociale maximumprijzen - Voorwaarden - Mindervaliden - Tegemoetkoming - Voorschotten - Gevolg Annotaties Publicaties: Nieuw Juridisch Weekblad [NJW] - 2020, nr. 417, p. 173-
- - TIMBERMONT, Evelien; Noot'Integratiegemoetkoming aan personen met een handicap' Tekst van de beslissing Nr. S.18.0061.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris voor Armoedebestrijding, Gelijke Kansen, Personen met een beperking, Wetenschapsbeleid, belast met Grote Steden, en voor wie optreedt de FOD Sociale Zekerheid, met kantoor te 1000 Brussel, Finance Tower, Kruidtuinlaan 50, bus 150, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen N.B., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Joseph Stevensstraat 7, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Gent, van 1 juni
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 9 september 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 7, § 1, eerste en tweede lid, Wet Tegemoetkoming Gehandicapten kunnen de in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijdt. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder “inkomen” en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald. Krachtens artikel 7, § 2, 1°, Wet Tegemoetkoming Gehandicapten, moeten de persoon met een handicap en de persoon met wie hij een huishouden vormt, hun rechten laten gelden op de uitkeringen en vergoedingen waarop hij aanspraak kan maken krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens de regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling, en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen, in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid of in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid. Krachtens artikel 8bis, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, wordt in afwijking van artikel 8, wanneer een uitkering bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet wordt uitbetaald in de vorm van kapitalen of afkoopwaarden, hun tegenwaarde in periodieke uitkering in aanmerking genomen, ongeacht ze al dan niet belastbaar is, ten belope van het bedrag van de lijfrente dat wordt verkregen uit de omzetting tegen het procent dat in de in dit artikel opgenomen tabel is vermeld tegenover de volle leeftijd van de verkrijger op de datum van het feit dat heeft aanleiding gegeven tot de uitbetaling. De verrekening gebeurt vanaf de ingangsdatum van het recht op de tegemoetkoming en er worden geen vrijstellingen op toegepast. In de gevallen waarin het vonnis of de minnelijke schikking het gedeelte van het kapitaal dat voor de vergoeding van de vermindering van het verdienvermogen en dat voor de vermindering van de zelfredzaamheid is bestemd, niet nader bepaalt, geschiedt de omzetting in lijfrente op 70 pct. van het kapitaal dat als vergoeding aan de aanvrager werd toegekend voor de vermindering van het verdienvermogen en op 30 pct. van het kapitaal dat als vergoeding aan de aanvrager wordt toegekend voor de vermindering van de zelfredzaamheid.
- Een door artikel 8bis, § 1, van het voormelde koninklijk besluit beoogde uitkering bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet is een uitkering die haar grond vindt in een beperking van het verdienvermogen of in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid. Hieruit volgt dat alleen de schadevergoeding die of het gedeelte van de schadevergoeding dat bestemd is om een beperking van het verdienvermogen of een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid te compenseren, in aanmerking kan worden genomen om het recht op een inkomensvervangende of integratietegemoetkoming vast te stellen. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat voor de toepassing van de in artikel 8bis, § 1, van het voormelde koninklijk besluit bepaalde verrekening niet alleen rekening moet worden gehouden met het kapitaal dat betrekking heeft op schadevergoedingen die bestemd zijn om een beperking van het verdienvermogen of een gebrek aan of vermindering van zelfredzaamheid te dekken, maar evenzeer met het kapitaal dat betrekking heeft op schadevergoedingen die bestemd zijn om een geheel andere schade te dekken, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
- In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 1315 Burgerlijk Wetboek en artikel 870 Gerechtelijk Wetboek, is het afgeleid van de vergeefs aangevoerde schending van artikel 7 Wet Tegemoetkoming Gehandicapten en artikel 8bis, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli
- In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
- In zoverre het onderdeel gericht is tegen de reden dat het niet zeker is dat er voldoende verzekeringsdekking is in gemeen recht voor de schade veroorzaakt door derden, dan wel of de aansprakelijke derde de niet-gedekte schade zal of kan vergoeden, komt het op tegen overtollige redenen. In zoverre is het onderdeel evenmin ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 2, A, van het ministerieel besluit van 30 maart 2007, houdende vaststelling van sociale maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan de beschermde residentiële klanten met een laag inkomen of in een kwetsbare situatie dient voor de toepassing van dit besluit te worden verstaan onder “residentieel beschermde klanten met een laag inkomen of die zich in een kwetsbare situatie bevinden”, in de zin van artikel 20, § 2, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, zoals gewijzigd bij wet van 1 juni 2005, “iedere eindafnemer die kan bewijzen dat hijzelf of iedere persoon die onder hetzelfde dak leeft, geniet van een beslissing tot toekenning van (…) een integratietegemoetkoming aan gehandicapten behorende tot de categorieën II, III of IV, overeenkomstig de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten (categorie 5) (…).” Krachtens artikel 4 van hetzelfde ministerieel besluit moeten de elektriciteitsbedrijven die elektriciteit leveren aan elke in artikel 2 vermelde residentiële beschermde klant met een laag inkomen of die zich in een kwetsbare situatie bevindt, dit doen tegen maximumprijzen vastgesteld in overeenstemming met dit besluit. Krachtens artikel 2, A, 5, van het ministerieel besluit van 30 maart 2007 houdende vaststelling van sociale maximumprijzen voor de levering van aardgas aan de beschermde residentiële klanten met een laag inkomen of in een kwetsbare situatie, dient voor de toepassing van dit besluit te worden verstaan onder “residentieel beschermde klanten met een laag inkomen of die zich in een kwetsbare situatie bevinden”, in de zin van artikel 15/10, § 2, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, gewijzigd bij wet van 1 juni 2005, “iedere eindafnemer die kan bewijzen dat hijzelf of iedere persoon die onder hetzelfde dak leeft, geniet van een beslissing tot toekenning van (…) een integratietegemoetkoming aan gehandicapten behorende tot de categorieën II, III of IV, overeenkomstig de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten (…).” Krachtens artikel 4 van hetzelfde ministerieel besluit moeten de aardgasondernemingen die aardgas leveren aan elke in artikel 2 vermelde residentiële beschermde klant met een laag inkomen of die zich in een kwetsbare situatie bevindt, dit doen tegen maximumprijzen vastgesteld in overeenstemming met dit besluit.
- Krachtens artikel 7, § 4, Wet Tegemoetkoming Gehandicapten kunnen de in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen aan de aanvrager worden toegekend als voorschot op de uitkeringen en vergoedingen bedoeld in §
- De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden, op welke wijze en tot welk bedrag deze voorschotten kunnen worden toegekend, alsmede de wijze waarop ze kunnen worden teruggevorderd. De uitbetalingsdienst of -instelling treedt in de rechten van de gerechtigde tot het bedrag van de toegekende voorschotten.
- De tegemoetkomingen die de eiser overeenkomstig artikel 7, § 4, Wet Tegemoetkoming Gehandicapten toekent als voorschot op schadevergoedingen waarop een gehandicapte aanspraak kan of zou kunnen maken ten aanzien van een derde-aansprakelijke, worden vastgesteld onder dezelfde voorwaarden als de inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming zelf. Een voorschot dat als integratietegemoetkoming wordt toegekend moet aldus worden aangezien als een integratietegemoetkoming zoals bedoeld in de artikelen 2 van de voormelde ministeriële besluiten van 30 maart
- Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Kosten
- Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de eiser te worden veroordeeld tot de kosten. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 625,84 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Mireille Delange, Antoine Lievens en Eric de Formanoir, en in openbare rechtszitting van 7 oktober 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191007.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191007.4 zie ook recenter: ECLI:BE:AHGNT:2018:ARR.20180601.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div