id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.1 Rolnummer: P.19.0317.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-10-10 Raadplegingen: 639 - laatst gezien 2026-06-28 06:37 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191008.1 Fiches 1 - 2 Het cassatieberoep, ingesteld door de raadsman van eiser die optreedt als dominus litis zonder dat deze laat blijken dat hij houder is van het door artikel 425, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde getuigschrift en dat enkel wordt ondertekend door een raadsman die optreedt in de plaats van (loco) de dominus litis die wel houder is van dit getuigschrift, is ontvankelijk
(1). (Impliciete oplossing).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: Ondertekening uitsluitend door advocaat-houder van getuigschrift loco de dominus litis zonder dat deze laatste laat blijken dat hij houder is van dit getuigschrift - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Cassatieberoep in strafzaken - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen - Ondertekening uitsluitend door advocaat-houder van getuigschrift loco de dominus litis zonder dat deze laatste laat blijken dat hij houder is van dit getuigschrift - Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0317.N F. D. P., beklaagde en burgerlijke partij, eiser, met als raadslieden mr. Kathy Blondeel en mr. Anthony Roegiers, advocaten bij de balie Gent, tegen M. K. E. A., beklaagde en burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 19 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft op 12 september 2019 een conclusie ter griffie neergelegd. Op de zitting van 8 oktober 2019 heeft raadsheer Sidney Berneman verslag uit-gebracht en heeft voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden vonnis beveelt, na uitspraak te hebben gedaan over de straf-vordering, een onderzoeksmaatregel met het oog op de eventuele toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet en het stelt daartoe de zaak in voorzetting. Het be-veelt bovendien de persoonlijke verschijning van de eiser.
- Volgens artikel 185, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan tegen de beslissing de persoonlijke verschijning te bevelen geen rechtsmiddel worden ingesteld. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvanke-lijk.
- De beslissing waarbij een onderzoeksmaatregel wordt bevolen met het oog op de eventuele toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet en de zaak in voort-zetting wordt gesteld, is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en valt evenmin onder een van de uitzonderingsge-vallen bedoeld in het tweede lid van die bepaling. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest is tegenstrijdig gemoti-veerd; de bestuurder van een voertuig kan niet tegelijkertijd in staat van dron-kenschap verkeren en verweten worden dat hij niet dubbel voorzichtig is geweest bij het oprijden van een kruispunt; dronkenschap veronderstelt dat men zijn ei-gen daden niet meer kan controleren, terwijl de ontstentenis van dubbele voor-zichtigheid veronderstelt dat men, hoewel bij volle bewustzijn, onoplettend en onzorgvuldig is geweest; de appelrechters konden de eiser bijgevolg niet schul-dig verklaren aan beide misdrijven.
- Redenen zijn tegenstrijdig als die redenen elkaar teniet doen en bijgevolg opheffen. Dat is niet het geval met de door het middel geviseerde redenen. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 35 Wegverkeerswet en van ar-tikel 12.2 Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte enerzijds dat de eiser in staat van dronkenschap verkeerde en anderzijds dat hij niet dubbel voorzichtig was bij het oprijden van een kruispunt; de staat van dronkenschap sluit uit dat de persoon die in deze toestand verkeert op actieve wijze dubbel voorzichtig kan zijn.
- Het in artikel 35 Wegverkeerswet bedoelde begrip "staat van dronken-schap" moet in de gewone zin van het woord worden verstaan en heeft betrek-king op de toestand van een persoon die zijn daden niet meer blijvend beheerst, zonder noodzakelijkerwijs het besef ervan te hebben verloren. Deze toestand sluit het begaan van een door artikel 12.2 Wegverkeersreglement bedoelde over-treding niet uit. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 169 (lees 161) en 189 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis miskent het beginsel van de eenheid van de uitspraak door de beslissing over het verval van het recht tot stu-ren op grond van artikel 42 Wegverkeerswet, dat een straf uitmaakt, uit te stellen tot een latere rechtszitting; de rechter in politiezaken mag de uitspraak over de schuld en de straf niet scheiden.
- Uit de tekst van artikel 42 Wegverkeerswet en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat het door die bepaling bedoelde verval wegens lichamelijke of geestelij-ke ongeschiktheid dat slechts kan worden uitgesproken naar aanleiding van een veroordeling of opschorting van straf of internering wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het per-soonlijk toedoen van de dader, geen straf is maar een veiligheidsmaatregel. Geen enkele wetsbepaling verzet zich ertegen dat de rechter de beslissing over het op-leggen van deze veiligheidsmaatregel slechts neemt nadat hij heeft beslist over de schuld en de straf. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het voor de eiser reeds op het ogenblik van het ongeval duidelijk moest zijn dat zijn voertuig totaal ver-lies was; de appelrechters miskennen hiermee de bewijskracht van het proces-verbaal waarin werd vastgesteld dat eisers voertuig niet meer rijvaardig was en moest getakeld worden, hetgeen niet zonder meer kan worden gelijkgeschakeld met totaal verlies.
- De appelrechters oordelen niet alleen dat de verbalisanten bij hun vaststel-lingen vermelden dat eisers voertuig "totaal verlies" is, maar ook dat verweer-ders verweer, dat het op basis van de foto's van de strafinformatie van bij het begin duidelijk was dat eisers voertuig een totaal verlies was, terecht is. Zij ge-ven aldus geen uitlegging van het in het middel bedoelde stuk maar beoordelen enkel de bewijswaarde ervan op grond van andere elementen die niet worden be-kritiseerd. Het middel mist feitelijke grondslag. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 12 en 14 Grondwet: het bestreden vonnis doet uitspraak bij wijze van machtsover-schrijding door de oorspronkelijke telastlegging van onaangepaste snelheid te herkwalificeren naar gebrek aan dubbele voorzichtigheid bij het oprijden van een kruispunt; de initiële telastlegging steunt immers op andere feiten dan deze die de appelrechters weerhouden; de eiser moest voor het gebrek aan dubbele voor-zichtigheid opnieuw worden gedagvaard of vrijwillig verschenen zijn.
- Het middel preciseert niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 6 EVRM en artikel 14 Grondwet schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- In correctionele of in politiezaken maakt de dagvaarding om voor het von-nisgerecht te verschijnen niet de daarin vervatte kwalificatie bij dit vonnisge-recht aanhangig, maar wel de feiten zoals ze blijken uit het opsporingsonderzoek en die aan die dagvaarding ten grondslag liggen. Deze kwalificatie is in wezen voorlopig en het vonnisgerecht heeft ook in hoger beroep de plicht om aan de ten laste gelegde feiten hun juiste omschrijving te geven.
- Op grond van de gegevens van dagvaarding en van het onderliggende straf-dossier oordeelt de rechter onaantastbaar of de feiten die hij onder de herom-schreven telastlegging bewezen verklaart, werkelijk deze zijn die het voorwerp uitmaken van de vervolging of daaraan ten grondslag liggen. De omstandigheid dat de heromschreven telastlegging andere constitutieve bestanddelen bevat dan de oorspronkelijke telastlegging sluit niet uit dat de onderliggende feiten dezelf-de zijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel opkomt tegen het onaantastbaar oordeel door de ap-pelrechters dat door de heromschrijving de onderliggende feiten niet zijn gewij-zigd, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 133,51 euro waarvan 98,51 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, voorzitter ridder Jean de Codt, en de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric de Formanoir, Tamara Konsek en Frédéric Lugentz, en in openbare voltallige rechtszitting van 8 oktober 2019 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191008.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230315.2F.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.13 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230314.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div