id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.2 Rolnummer: P.19.0611.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-10-10 Raadplegingen: 697 - laatst gezien 2026-06-29 03:03 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 14, § 1, Interneringswet verplicht tot het indienen van een grievenschrift bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering, telkens wanneer een in artikel 14, § 1, bedoelde instantie of persoon hoger beroep instelt tegen een beschikking van de raadkamer die te oordelen had over een vordering of een verzoek tot internering van de inverdenkinggestelde; het speelt daarbij geen rol of de raadkamer die vordering of dat verzoek heeft ingewilligd, dan wel die vordering of dat verzoek heeft verworpen en vervolgens een andere beslissing heeft genomen en evenmin is het van belang of het gemeenrecht in geval van een hoger beroep tegen die laatste beslissing al dan niet verplicht tot de neerlegging van een grievenschrift. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Beschikking van de raadkamer over de internering van een inverdenkinggestelde - Hoger beroep - Wijze Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer over de internering van een inverdenkinggestelde - Wijze Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0611.N A. M. D., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Alain Coulier, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 16 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 13, § 4 en 14, § 1, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering (hierna In-terneringswet) en artikel 204 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het openbaar ministerie, dat hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking die de vordering tot internering van de eiser heeft verworpen en hem buiten vervolging heeft gesteld, geen grievenschrift moest indienen.
- Artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeu-rig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de pro-cedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op de-zelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. (...). Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht. Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt. Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie."
- Krachtens artikel 82 Interneringswet zijn de bepalingen betreffende de ver-volgingen in correctionele en criminele zaken van toepassing op de bij die wet voorgeschreven procedures, behoudens de afwijkingen die zij bepaalt. Artikel 13 van die wet regelt de procedure voor de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling wanneer daar een vordering of een verzoek tot interne-ring aanhangig is gemaakt. Artikel 14, § 1, van die wet bepaalt: "De procureur des Konings en de partijen of hun advocaat kunnen voor de kamer van inbeschuldigingstelling beroep instellen tegen de beslissingen van de raadkamer. Het beroep wordt ingesteld in de vorm en binnen de termijnen die bepaald worden bij de artikelen 203, 203bis, en 204 van het Wetboek van strafvordering. (...)". Uit die bepalingen volgt dat artikel 14, § 1, Interneringswet verplicht tot het in-dienen van een grievenschrift bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvorde-ring, telkens wanneer een in artikel 14, § 1, bedoelde instantie of persoon hoger beroep instelt tegen een beschikking van de raadkamer die te oordelen had over een vordering of een verzoek tot internering van de inverdenkinggestelde. Het speelt daarbij geen rol of de raadkamer die vordering of dat verzoek heeft inge-willigd, dan wel die vordering of dat verzoek heeft verworpen en vervolgens een andere beslissing heeft genomen. Evenmin van belang is of het gemeenrecht in geval van een hoger beroep tegen die laatste beslissing al dan niet verplicht tot de neerlegging van een grievenschrift.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de procureur des Konings voor de raadkamer de internering van de eiser heeft gevorderd; - de raadkamer heeft geoordeeld dat de eiser ontoerekeningsvatbaar was op het ogenblik van de feiten, maar niet meer op het ogenblik van de beschikking, zodat de buitenvervolgingstelling diende te worden uitgesproken; - de procureur des Konings tegen die beschikking hoger beroep heeft ingesteld zonder een grievenschrift neer te leggen.
- Het arrest oordeelt: "Vermits de raadkamer niet is ingegaan op de eind-vordering van de procureur des Konings tot internering van [de eiser] (en dus niet heeft gezeteld als vonnisgerecht) maar integendeel (als onderzoeksgerecht met gesloten deuren zetelend) de buitenvervolgingstelling van [de eiser] heeft bevolen en vermits het rechtsmiddel precies deze buitenvervolgingstelling aan-vecht, is in deze ook niet vereist dat conform artikel 204 van het Wetboek van Strafvordering door het openbaar ministerie een grievenformulier zou worden neergelegd zodat dit hoger beroep evenmin vervallen kan worden verklaard." Die beslissing is niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Tweede middel
- Het middel dat niet kan leiden tot cassatie zonder verwijzing, vereist geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat ze over aan de rechter op verwij-zing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldiging-stelling, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwen-berg, en op de openbare rechtszitting van 8 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.2 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div