id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.3 Rolnummer: P.19.0636.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-10-10 Raadplegingen: 649 - laatst gezien 2026-06-29 02:14 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat de rechter het verzet maar ongedaan kan verklaren als blijkt dat de partij die in haar afwezigheid werd veroordeeld, heeft verzaakt aan het recht te verschijnen en zich te verdedigen of de intentie had zich te onttrekken aan het gerecht; de rechter oordeelt daar onaantastbaar over en die beoordeling vereist niet noodzakelijk dat vaststaat dat de partij kennis had van de datum van de rechtszitting waarop de zaak zou worden behandeld omdat de rechter de verzaking of de intentie zich te onttrekken ook uit andere gegevens kan afleiden
(1).
(1)Zie Cass. 27 februari 2018, AR P.17.1074.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.6, AC 2018, nr. 130, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS. Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Ongedaanverklaring - Verzaking door de versteklatende partij aan het recht te verschijnen en zich te verdedigen of haar intentie om zich te onttrekken aan het gerecht - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter - Voorwaarde Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Verzet - Strafzaken - Ongedaanverklaring - Verzaking door de versteklatende partij aan het recht te verschijnen en zich te verdedigen of haar intentie om zich te onttrekken aan het gerecht - Beoordeling - Voorwaarde Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0636.N N. G., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 6 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart eisers verzet ten onrechte ongedaan; uit het feit dat de vroegere raadsman van de eiser op de hoogte was van de datum van de rechtszitting waarop de zaak zou worden be-handeld, kan niet worden afgeleid dat de eiser hiervan eveneens op de hoogte was; het feit dat de vroegere raadsman van de eiser zich daags vóór de rechtszit-ting zonder instructies verklaarde, volstaat niet om te stellen dat de eiser kennis had van de behandelingsdatum en dat zijn afwezigheid op de rechtszitting was ingegeven door de wens afstand te doen van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen.
- Artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden beslissing, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter.
- Uit artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rech-ten van de Mens, volgt dat de rechter het verzet maar ongedaan kan verklaren als blijkt dat de partij die in haar afwezigheid werd veroordeeld, heeft verzaakt aan het recht te verschijnen en zich te verdedigen of de intentie had zich te onttrek-ken aan het gerecht.
- De rechter oordeelt daar onaantastbaar over. Die beoordeling vereist niet noodzakelijk dat vaststaat dat de partij kennis had van de datum van de rechtszit-ting waarop de zaak zou worden behandeld. De rechter kan de verzaking of de in-tentie zich te onttrekken ook uit andere gegevens afleiden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het Hof kan nagaan of de rechter uit de door hem gedane vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Het arrest oordeelt dat er geen sprake kan zijn van een overmachtssituatie of van een wettige reden ter verschoning van eisers afwezigheid op de rechtszit-ting van 21 februari 2019 op volgende gronden: - eisers stelling dat zijn vroegere raadsman hem ingevolge een gebrek aan communicatie niet op de hoogte zou hebben gebracht van het verder verloop van zijn zaak, is op niets gebaseerd; - uit het schrijven van de toenmalige raadsman van de eiser aan de appelrech-ters van 20 februari 2019 blijkt dat zij niets meer had vernomen van de eiser, zodat ze daags vóór de behandeling van de zaak aan de appelrechters liet we-ten zonder instructie te zijn. Het leidt daaruit af dat de afwezigheid van de eiser op de rechtszitting van 21 fe-bruari 2019 was ingegeven door de wens afstand te doen van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen en dat het feit dat de eiser zonder redelijke verantwoording niet is komen opdagen op de voormelde rechtszitting, waarbij hij voldoende de gevolgen kon inschatten van de beslissing om afwezig te blij-ven, hierover geen twijfel laat bestaan. Op grond van deze vaststellingen kon het arrest wettig tot dit oordeel komen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 8 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200617.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241120.2F.16 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250305.2F.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div