← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.4 Rolnummer: P.19.0953.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-10-10 Raadplegingen: 317 - laatst gezien 2026-06-28 06:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de omstandigheid dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kritiek heeft geuit op het Belgisch interneringssysteem volgt niet dat de psychiaters, verbonden aan de psychosociale dienst van een Belgische gevangenis, geen objectief medisch verslag zouden kunnen opstellen. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Kritiek van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op het Belgisch interneringssysteem - Objectiviteit medisch verslag - Bestaanbaarheid Fiche 2 Artikel 5.1 EVRM belet niet dat een interneringsmaatregel die is opgelegd bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing, definitief is en vanaf dan aanleiding geeft tot een uitvoeringsfase waarop niet dezelfde regels van toepassing zijn als deze die golden voor het opleggen van die maatregel en die bepaling heeft dan ook niet tot gevolg dat een definitief opgelegde interneringsmaatregel niet meer rechtmatig of wettelijk opgelegd is omdat de wet tijdens de uitvoeringsfase wijzigt, waardoor die maatregel in de toekomst niet meer kan worden opgelegd voor het feit waarvoor de betrokkene reeds geïnterneerd is. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Interneringsmaatregel opgelegd bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing - Wetswijziging tijdens de uitvoeringsfase - Gevolg Fiche 3 Uit artikel 66.b Interneringswet volgt dat de beoordeling van de geestestoestand van de geïnterneerde en zijn daaruit voortvloeiende maatschappelijke gevaarlijkheid niet louter gebeurt aan de hand van het feit waarvoor hij werd geïnterneerd, maar ook aan de hand van een geheel van risicofactoren die aan het oordeel van de kamer voor de bescherming van de maatschappij zijn onderworpen. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - UITVOERINGSMODALITEITEN INTERNERING Vrije woorden: Beoordeling van de geestetoestand van de geïnterneerde en zijn daaruit voortvloeiende maatschappelijke gevaarlijkheid - Wijze Fiche 4 Artikel 82 Interneringswet regelt enkel de bij de toepassing van de Interneringswet te volgen procedure en heeft dan ook niet tot gevolg dat artikel 7.1 EVRM en artikel 2 Strafwetboek van toepassing zijn op beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij over de definitieve invrijheidstelling van een geïnterneerde; artikel 7 EVRM en artikel 2 Strafwetboek hebben als dusdanig betrekking op straffen en niet op beveiligingsmaatregelen zoals de internering. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Artikel 82 Interneringswet - Procedure - Uitwerking Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0953.N R. J. E. J., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 11 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Krachtens artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering (hierna Interneringswet) staat er geen cassatieberoep open tegen beslissingen van de kamer tot bescherming van de maatschappij tot het toekennen van uitgaans-vergunningen en tot behoud van de plaatsing van de geïnterneerde in een bepaal-de inrichting. In zoverre gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM: het vonnis steunt de beslissing tot afwijzing van eisers verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling ten onrechte op het verslag van de psychosociale dienst van de gevangenis; een intern verslag, opgesteld door psychiaters verbonden aan de gevangenis, is geen objectieve medische expertise; de gevangenis wordt immers georganiseerd door de Belgische Staat, die zowel door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als verschillende Belgische rechtscolleges reeds herhaaldelijk is veroordeeld voor de opsluiting van geesteszieken in strijd met de artikelen 3 en 5 EVRM; bovendien bevestigt het vonnis, in navolging van de directeur van de gevangenis, dat er sprake is van een vertrouwensbreuk tussen de eiser en deze psychosociale dienst; in deze omstandigheden vereist de voormelde verdragsbepaling dat de opinie van een extern medisch expert wordt ingewonnen.
  4. Uit de omstandigheid dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kritiek heeft geuit op het Belgisch interneringssysteem volgt niet dat de psychia-ters, verbonden aan de psychosociale dienst van een Belgische gevangenis, geen objectief medisch verslag zouden kunnen opstellen. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de Bel-gische Staat door verschillende Belgische rechtbanken en hoven is veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan geïnterneerden voor een schending van de bepalingen van het EVRM noch dat de directeur van de gevangenis in zijn ad-vies heeft aangegeven dat de samenwerking tussen de eiser en de psychosociale dienst moeizaam verliep. In zoverre vereist het onderdeel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
  6. Het vonnis stelt niet vast dat er op het ogenblik van het opstellen van het verslag door de psychiaters van de psychosociale dienst sprake was van een ver-trouwensbreuk met de eiser. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM: het vonnis oordeelt ten onrechte dat de omstandigheid dat de eiser is geïnterneerd wegens feiten die op grond van de Interneringswet niet meer in aanmerking komen voor internering, niet tot gevolg heeft dat zijn internering onrechtmatig is en weigert eisers definitieve invrijheidstelling toe te staan; een vrijheidsberoving die niet is gebaseerd op het geldend nationaal recht kan immers nooit als rechtmatig wor-den beschouwd.
  8. Artikel 5.1 EVRM bepaalt: "Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in een van de navolgende gevallen en langs wettelijke weg: (...) e) in het geval van recht-matige gevangenhouding (...) van geesteszieken (...)". Die bepaling belet niet dat een interneringsmaatregel die is opgelegd bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing, definitief is en vanaf dan aanleiding geeft tot een uitvoeringsfase waarop niet dezelfde regels van toepassing zijn als deze die golden voor het opleggen van die maatregel. Die bepaling heeft dan ook niet tot gevolg dat een definitief opgelegde interneringsmaatregel niet meer rechtmatig of wettelijk opgelegd is omdat de wet tijdens de uitvoeringsfase wij-zigt, waardoor die maatregel in de toekomst niet meer kan worden opgelegd voor het feit waarvoor de betrokkene reeds geïnterneerd is.
  9. Artikel 66.b Interneringswet bepaalt dat, behoudens uitzondering, de defi-nitieve invrijheidstelling kan worden toegekend aan de geïnterneerde persoon, onder meer op voorwaarde dat de geestesstoornis voldoende gestabiliseerd is, zodat redelijkerwijze niet te vrezen valt dat hij, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven zal plegen zoals bedoeld in artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet, dit zijn misdaden of wanbedrijven die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten of bedreigen. Uit die bepaling volgt dat de beoordeling van de geestestoestand van de geïnter-neerde en zijn daaruit voortvloeiende maatschappelijke gevaarlijkheid niet louter gebeurt aan de hand van het feit waarvoor hij werd geïnterneerd, maar ook aan de hand van een geheel van risicofactoren die aan het oordeel van de kamer voor de bescherming van de maatschappij zijn onderworpen.
  10. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 2 Strafwet-boek en artikel 82 Interneringswet: anders dan het vonnis oordeelt, dient de mil-dere strafwet op de eiser te worden toegepast krachtens artikel 7 EVRM en arti-kel 2 Strafwetboek: die bepalingen zijn eveneens van toepassing op de interne-ring ingevolge artikel 82 Interneringswet.
  12. Krachtens artikel 82 Interneringswet zijn, behoudens andersluidende bepa-lingen, de bepalingen betreffende de vervolgingen in correctionele en criminele zaken toepasselijk op de bij deze wet voorgeschreven procedure. Dat artikel regelt enkel de bij de toepassing van de Interneringswet te volgen procedure. Het heeft dan ook niet tot gevolg dat artikel 7.1 EVRM en artikel 2 Strafwetboek van toepassing zijn op beslissingen van de kamer voor de be-scherming van de maatschappij over de definitieve invrijheidstelling van een ge-interneerde.
  13. Artikel 7 EVRM en artikel 2 Strafwetboek hebben als dusdanig betrekking op straffen en niet op beveiligingsmaatregelen zoals de internering.
  14. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 8 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.