← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.1 Rolnummer: P.19.0329.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2019-10-17 Raadplegingen: 761 - laatst gezien 2026-06-28 23:09 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De herstelmaatregel is een maatregel van burgerlijke aard, die niettemin onder de strafvordering valt zodat het openbaar ministerie dan ook bevoegd is om inzake de beslissing over de herstelvordering rechtsmiddelen aan te wenden en dit ongeacht of de herstelvorderende overheid zich als procespartij heeft gemanifesteerd

(1).
(1)Zie Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0321.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.2, AC 2015, nr. 452. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelmaatregel - Aard van de maatregel - Openbaar ministerie - Gevolg Fiches 2 - 3 Indien het openbaar ministerie hoger beroep instelt tegen een vrijsprekende beslissing op strafgebied dan houdt dat in beginsel ook in dat de afwijzende beslissing over herstelvordering welke is gesteund op de telastleggingen waarvoor vrijspraak is verleend, behoort tot de saisine van de appelrechter
(1).
(1)Zie Cass. 5 mei 2009, AR P.08.1853.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090505.14, AC 2008, nr.
  1. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelmaatregel - Hoger beroep van het openbaar ministerie - Omvang Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Stedenbouw - Herstelvordering - Hoger beroep van het openbaar ministerie tegen vrijspraak - Omvang Fiche 4 De rechter kan uit het gegeven dat een rechtspersoon geen aandacht heeft voor de naleving van de regelgeving bij de bedrijfsuitbating, wel degelijk afleiden dat hij wetens en willens en dus opzettelijk heeft gehandeld; bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter die beslissing niet nader met redenen te omkleden. Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Vrije woorden: Rechtspersonen - Opzet - Geen aandacht voor de naleving van de regelgeving bij de bedrijfsuitbating - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0329.N I-III W. M. G. D., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, en mr. Luc Deceunink, advocaat bij de balie Dendermonde, II-IV DELVOYE ART nv, met zetel te 9050 Gent (Ledeberg), Verbroederingstraat 16, vertegenwoordigd door de lasthebber ad hoc Robin Slabbinck, met kantoor te 9000 Gent, Kasteellaan 141, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Robin Slabbinck, advocaat bij de balie Gent, de cassatieberoepen tegen
  2. GEMACHTIGDE AMBTENAAR BIJ ANB VLAAMS GEWEST, met kantoor te 1000 Brussel, Havenlaan 88/0075, eiser tot herstel,
  3. AFDELING NATUUR EN BOS NAMENS HET VLAAMS GEWEST, met kantoor te 1000 Brussel, Havenlaan 88/0075, eiser tot herstel,
  4. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II laan 20 bus 8, eiser tot herstel,
  5. INSPECTEUR ONROEREND ERFGOED, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II laan 20 bus 8, eiser tot herstel, verweerders, met als raadsman mr. Veerle Tollenaere, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Koning Albertlaan 128, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het tussenarrest en het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van respectievelijk 25 mei 2018 (hierna arrest I) en 1 maart 2019 (hierna arrest II). De eiser I-III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiseres II-IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eisers doen afstand van hun cassatieberoepen in zoverre het arrest I het hoger beroep van de verweerders 1 en 2 ontvankelijk verklaart en in zoverre het arrest II de behandeling van de herstelvordering van de verweerder 2 uitstelt, dit tel-kens in de mate dat dit geen eindbeslissingen zijn in de zin van artikel 420 Wet-boek van Strafvordering. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. De eisers I-III en II-IV hebben op 10 oktober 2019 elk ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de op 2 en 3 oktober 2019 door de eiser I-III neergelegde stukken
  6. Volgens artikel 427, tweede lid, Wetboek van Strafvordering mag de eiser in cassatie na verloop van twee maanden die volgen op zijn verklaring van cassa-tieberoep geen memories of stukken meer indienen met uitzondering van akten van afstand of hervatting van het geding, akten waaruit blijkt dat het cassatiebe-roep doelloos is geworden en de noten bedoeld in artikel 1107 Gerechtelijk Wet-boek. De door de eiser I-III op 2 en 3 oktober 2019 ter griffie neergelegde stukken, dit is meer dan twee maanden na het instellen van zijn cassatieberoepen op 14 en op 18 maart 2019, zijn niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  7. Het arrest II ontslaat de eisers van rechtsvervolging voor de telastleggingen A1a2, A1b2, A2a2, A2b1b, E en F. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artike-len 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet het door de eisers in de appelconclusie geformuleerde en met redenen omklede verzoek om bijkomend onderzoek betreffende de telefonische meldingen en de rol van Dirk Gistelinck, de voeging van het dossier over het dispuut tussen de vorige ei-genaars van het kasteel en Dirk Gistelinck en de voeging van het dossier over de homejacking waarvan de vorige eigenaars het slachtoffer waren.
  9. Het arrest (p. 32-36, nr. 6) vermeldt een geheel van redenen waarom er volgens de appelrechters, anders dan de eerste rechter, geen enkel gegeven is om te twijfelen aan de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de bevoegde op-sporingsambtenaren en de vaststellingen die zij hebben gedaan. Het arrest (p. 37, tweede alinea) oordeelt ook dat het dossier alle elementen bevat die in het kader van een eerlijke procesvoering nodig zijn om tot de waarheidsvinding te komen. Aldus geeft het arrest te kennen dat het door het onderdeel bedoelde bijkomend onderzoek niet nodig is voor de waarheidsvinding en beantwoordt het dit ver-zoek. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM: door ongemotiveerd het in eerste aanleg aangenomen verweer van de eisers te ver-werpen dat de optredende inspectiediensten onvoldoende objectief zijn geweest terwijl de gevraagde onderzoekshandelingen en de te voegen stukken de uit-komst van de beoordeling van dit verweer zouden kunnen hebben beïnvloed, schendt het arrest deze verdragsbepalingen; het arrest laat immers na te onder-zoeken of het verzoek tot bijkomend onderzoek voldoende werd gemotiveerd en of de gevraagde stukken relevant zouden zijn geweest voor de beoordeling van de zaak, of er gegronde redenen zijn om het onderzoek niet te doen uitvoeren, of de gevraagde stukken niet te doen voegen en of een weigering het recht op een eerlijk proces niet aantast.
  11. De aangevoerde verdragsrechtelijke schendingen zijn afgeleid uit het ver-geefs aangevoerde motiveringsgebrek. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede middel van de eisers
  12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest, dat weliswaar het verweer beantwoordt over de rechtsgeldigheid van de machtiging tot visitatie van 21 juni 2018, laat het verweer onbeantwoord dat de op 28 juni 2018 uitgevoerde visitatie zelf niet rechtsgeldig is en dat de aldus gedane vaststellingen bij toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering nietig moeten worden verklaard; bijgevolg is de beslissing dat het bewijs van het herstel niet voorligt en het de eisers veroordeelt tot nakoming van de herstelvordering niet naar recht verantwoord.
  13. In zoverre het middel betrekking heeft op een beslissing, waarvoor de ei-sers afstand doen van hun cassatieberoepen, behoeft het geen antwoord.
  14. Voor het overige stelt het arrest vast, zonder op dat punt door het middel te worden bekritiseerd, dat het naar aanleiding van de machtiging tot visitatie op-gestelde proces-verbaal geen relevante gegevens bevat over het herstel met be-trekking tot de met het arrest bewezen bevonden misdrijven en dat ook door de eisers een uitgevoerd herstel niet wordt aangetoond. In zoverre kan het middel, al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel van de eisers
  15. Het middel voert schending aan van de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: het arrest doet ten onrechte uitspraak over de herstelvordering van de verweerders 3 en 4; de vroegere rechtspraak dat het hoger beroep van het openbaar ministerie met zich meebrengt dat de door de bevoegde overheden ge-formuleerde herstelvorderingen samen met de strafvordering voor de appelrech-ter aanhangig zijn, is ingevolge de invoering van het grievenstelsel niet langer geldig; de rechtsmacht van de appelrechters is beperkt tot de door het openbaar ministerie geformuleerde grieven; de beslissing op de herstelvordering is een maatregel van burgerlijke aard die niettemin onder de strafvordering valt; indien het openbaar ministerie, zoals in deze zaak, als grief de schuld vermeldt, dan heeft dit niet tot gevolg dat de beslissing op de herstelvordering behoort tot de rechtsmacht van de appelrechter en dat is zeker zo indien het openbaar ministe-rie in eerste aanleg geen herstelvordering heeft benaarstigd; de appelrechters kunnen geen rechtsmacht putten uit de tussenkomst van de verweerders 3 en 4 die geen grieven hebben geformuleerd binnen de wettelijk bepaalde beroepster-mijn.
  16. De herstelmaatregel is een maatregel van burgerlijke aard, die niettemin onder de strafvordering valt.
  17. Het openbaar ministerie is dan ook bevoegd om inzake de beslissing over de herstelvordering rechtsmiddelen aan te wenden en dit ongeacht of de herstel-vorderende overheid zich als procespartij heeft gemanifesteerd.
  18. Indien het openbaar ministerie hoger beroep instelt tegen een vrijsprekende beslissing op strafgebied dan houdt dat in beginsel ook in dat de afwijzende be-slissing over herstelvordering welke is gesteund op de telastleggingen waarvoor vrijspraak is verleend, behoort tot de saisine van de appelrechter.
  19. Uit de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering volgt dat de appel-rechter, binnen de grenzen van de verklaring van het hoger beroep van het open-baar ministerie, op basis van de door het openbaar ministerie nauwkeurig be-paalde grieven en desgevallend de door appelrechter ambtshalve aan te voeren middelen, verder zijn saisine moet bepalen.
  20. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het openbaar ministerie in het grievenformulier de beslissing op strafgebied met betrekking tot de procedure en de schuld voor alle telastleggingen heeft aangeduid. De ap-pelrechters oordelen dat daaruit volgt dat ook de herstelvordering tot hun saisine behoort (arrest II, p. 18). Die beslissing is naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiser I-III
  21. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grond-wet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 21ter Voor-afgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest kent aan de eiser geen re-ele strafvermindering toe wegens de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, minstens is die vermindering niet gemotiveerd naar recht; de rechter die vaststelt dat de redelijke termijn voor twee beklaagden op een identieke wijze is overschreden en zonder dat hun houding daartoe in een andere mate heeft bijdra-gen, kan niet zonder zijn keuze daartoe nader te motiveren, beslissen dat zonder overschrijding van de redelijke termijn voor de beide beklaagden een identieke bestraffing passend en noodzakelijk zou zijn om vervolgens na het in rekening brengen van de vastgestelde redelijke termijn-overschrijding aan elke beklaagde een andere bestraffing op te leggen; de appelrechters laten na de redenen te ver-melden waarom zij aan de eiser I-III uiteindelijk een hogere geldboete opleggen dan aan de eiseres II-IV, niettegenstaande zij zonder overschrijding van de rede-lijke termijn dezelfde geldboete van 15.000 euro passend en noodzakelijk zouden hebben geacht voor elk van de eisers en niettegenstaande de vaststelling dat de redelijke termijn voor de beide eisers op hetzelfde ogenblik is aangevangen en dat deze te wijten is aan dezelfde periodes van stilstand tijdens hetzelfde onder-zoek, waarbij zij ook niet vaststellen dat de overschrijding van de redelijke ter-mijn mede werd beïnvloed door de houding van de eiser I-III; het voorgaande klemt des te meer daar aan de eiser I-III een hogere geldboete werd opgelegd dan aan de eiseres II-IV als rechtspersoon, daar waar uit het conversiemechanisme van artikel 41bis Strafwetboek net blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is dat de geldboete aan natuurlijke personen lager is dan deze opgelegd aan rechts-personen.
  22. Het arrest II (p. 36) oordeelt onder meer dat het opsporingsonderzoek een ononderbroken verloop heeft gekend, ook al heeft de eiser I-III de uitoefening van het toezicht en de opsporing door de inspectiediensten wel bemoeilijkt door zijn handelswijze. Aldus hebben de appelrechters, anders dan het middel aan-voert, wel degelijk de houding van de eiser I-III betrokken bij de beoordeling van de redelijke termijn-vereiste. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest II, mist feitelijke grondslag. Vierde middel van de eiseres II-IV
  23. Het middel voert schending aan van artikel 5 Strafwetboek: de schuldig-verklaring van de eiseres II-IV is niet naar recht verantwoord; de enkele vaststel-ling dat er binnen een rechtspersoon geen aandacht was voor de naleving van be-paalde regels, brengt immers niet met zich mee dat de rechtspersoon ook wetens en willens die regels heeft overtreden.
  24. De rechter kan uit het gegeven dat een rechtspersoon geen aandacht heeft voor de naleving van de regelgeving bij de bedrijfsuitbating, wel degelijk aflei-den dat hij wetens en willens en dus opzettelijk heeft gehandeld. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter die beslissing niet nader met redenen te omkleden. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de voormelde afstanden. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten in het geheel op 417,51 euro, waarvan op de cassatieberoepen I-III 208,75 euro verschuldigd is en op de cassatieberoepen II-IV 208,76 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 15 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230905.2N.16 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090505.14 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.