id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.2 Rolnummer: P.19.0357.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2019-10-17 Raadplegingen: 290 - laatst gezien 2026-06-28 06:38 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de enkele omstandigheid dat een advocaat zowel raadsman was van een inverdenkinggestelde als raadsman van een getuige die werd gehoord tijdens het vooronderzoek en die raadsman desgevallend de ter zake geldende deontologische regels betreffende de strijdigheid van belangen zou hebben overtreden, volgt niet dat het recht op een eerlijk proces van de burgerlijke partij onherroepelijk is miskend; het staat aan de rechter om rekening houdend met het verloop van het strafproces in zijn geheel te onderzoeken of er van een daadwerkelijke miskenning van de rechten van die burgerlijke partij sprake is. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Advocaat - Advocaat raadsman van de inverdenkinggestelde en van een getuige - Gevolg Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Rechten van de mens - Verdrag Rechten van de Mens - Artikel 6 - Artikel 6.1 - Recht op een eerlijk proces - Advocaat raadsman van de inverdenkinggestelde en van een getuige - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0357.N R. D., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent, tegen
- P. J. H. C., inverdenkinggestelde,
- S. M. H. P. M., inverdenkinggestelde, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie
- De verweerders voeren aan dat de door de eiser neergelegde memorie niet vermeldt dat de ondertekenaar ervan de hoedanigheid van advocaat heeft en dat zij bijgevolg niet ontvankelijk is.
- De memorie van de eiser vermeldt op pagina 9 "Besluit ondergetekende advocaat dat het U behage (...) het bestreden arrest te vernietigen (...)". Die pa-ragraaf wordt gevolgd door de vermelding "Voor eisers in cassatie. Hun raads-man Louis De Groote, Advocaat te Gent, Houder van het Getuigschrift Bijzonde-re Opleiding Cassatieprocedure in Strafzaken (nr. OVB 15-098)", aangevuld met de handgeschreven woorden "Mathias De Daele (nr. OVB 15-095) loco" en een onleesbare handtekening. Uit het geheel van die vermeldingen volgt dat de on-dertekenaar van de memorie wel degelijk advocaat is en melding maakt van die hoedanigheid. De grond van niet-ontvankelijkheid van de memorie wordt verworpen. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers recht op een eerlijke en objectieve rechtsgang en recht op wapengelijkheid niet zijn miskend niettegenstaande zowel getuigen tij-dens hun verhoor als de inverdenkinggestelden door dezelfde advocaat werden bijgestaan; daardoor werd eisers recht op een eerlijke en objectieve rechtsgang en het recht op wapengelijkheid wel degelijk miskend; een advocaat die reeds optrad voor een verdachte of hem bijstand heeft verleend bij een verhoor vooraf-gaand of tijdens het vooronderzoek, moet bijzondere aandacht besteden aan het verbod op tegenstrijdige belangen en de ter zake geldende deontologische regels, die van openbare orde zijn, respecteren; minstens heeft het optreden van een ad-vocaat als raadsman zowel voor de verweerders als voor de getuigen bij de eiser de schijn gewekt dat hij geen recht had op een onafhankelijke, objectieve en eer-lijke rechtsgang.
- Artikel 6.3 EVRM betreft enkel rechten die worden gewaarborgd voor zij die wegens een strafbaar feit worden vervolgd. In zoverre het middel een schending van deze verdragsbepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- Uit de enkele omstandigheid dat een advocaat zowel raadsman was van een inverdenkinggestelde als raadsman van een getuige die werd gehoord tijdens het vooronderzoek en die raadsman desgevallend de ter zake geldende deontolo-gische regels betreffende de strijdigheid van belangen zou hebben overtreden, volgt niet dat het recht op een eerlijk proces van de burgerlijke partij onherroe-pelijk is miskend. Het staat aan de rechter om rekening houdend met het verloop van het strafproces in zijn geheel te onderzoeken of er van een daadwerkelijke miskenning van de rechten van die burgerlijke partij sprake is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat: - hoewel de eiser in besluiten uitgebreid ingaat op de gevolgen die aan de door hem voorgehouden schending van artikel 6 EVRM moeten worden gekoppeld, hij bijzonder vaag blijft over de daadwerkelijke miskenning van zijn rechten in concreto; - er niet wordt aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de getuigen anderslui-dende verklaringen zouden hebben afgelegd indien zij door een andere advo-caat zouden zijn bijgestaan, bijstand waarop zij met het oog op een eerlijke procesgang recht hebben; - een van de getuigen geruime tijd voorafgaand aan het confrontatieverhoor reeds werd verhoord zonder de aanwezigheid van een advocaat; - er geen wezenlijk verschil lijkt te bestaan tussen die verklaring en zijn stand-punten bij het confrontatieverhoor; - uit niets kan worden afgeleid dat het geheim van het onderzoek zou zijn mis-kend of er collusie werd gepleegd tussen de getuigen en de verweerders door-dat zij door dezelfde advocaat werden bijgestaan. Op grond van die redenen kon het arrest oordelen dat eisers recht op een eerlijk proces niet is miskend en is die beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet eisers conclusie over de aanwezigheid van voldoende bezwaren voor de telastleggingen B en C.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. In zoverre het middel schending van die grondwetsbepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het arrest (p. 12-13) bevat onder de rubriek "4.4 Be-oordeling bezwaren", beantwoorden de appelrechters het door het middel be-doelde verweer over de afwezigheid van het voor de misdrijven B en C vereiste bijzonder opzet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Gelet op die beslissing dienden zij de overige verweermiddelen van de ei-ser betreffende de misdrijven B en C niet te beantwoorden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,21 euro waarvan 62,21 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en François Sté-venart Meeûs, en op de openbare rechtszitting van 15 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div