id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Artikel 7
, § 2bis, 1° en 2° - Verbod op reclame voor tabaksproducten - Uitzondering - Aanbrengen van het merk van een tabaksproduct op affiches - Begrip affiche - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 24-01-1977 - Art. 7, § 2bis, 1° en 2° - 31 ELI link Pub nr 1977012405 Fiche 3 Door de vermelding van het merk van een tabaksproduct laat een affiche aan de consument weten dat er in de winkel die ze toont tabaksproducten van dat merk te koop zijn en het betreft zodoende, mits aangebracht aan of in die winkel, een wettelijk toegelaten productpresentatie met reclame voor dat merk; het merk van een product kan worden uitgedrukt als een benaming, tekening, afdruk, stempel, letter, cijfer of vorm van dat product of van de verpakking ervan of elk ander teken dat dient om dat product te onderscheiden, met dien verstande evenwel dat artikel 7, § 2bis, 1° en 2°, derde streepje, Wet Gezondheid Gebruikers, slechts deze uitdrukkingsvormen toestaat die kunnen voorkomen op een affiche en daaronder vallen niet de bijzondere productpresentaties die door hun vorm, aanzicht of opstelling vreemd zijn aan het begrip affiche en die derhalve geen toegelaten reclame voor tabaksproducten uitmaken
(1).
(1)Zie over het begrip affiche ook R.v.St. 17 mei 2001, arrest 95.575; E. SYX, " Reclamebeperkingen als instrument ter bestrijding van tabaksgebruik", in I. SAMOY en E. COUTTEEL (eds.), Het rookverbod uitbreiden?, Leuven, Acco, 2016, 582-583. Thesaurus CAS: GEZONDHEIDSPOLITIE - OVER DE MENS Vrije woorden: Wet Gezondheid
Artikel 7
, § 2bis, 1° en 2° - Verbod op reclame voor tabaksproducten - Uitzondering - Aanbrengen van het merk van een tabaksproduct op affiches - Begrip merk - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 24-01-1977 - Art. 7, § 2bis, 1° en 2° - 31 ELI link Pub nr 1977012405 Fiche 4 Met tabakswinkels als bedoeld in artikel 7, § 2bis, 2°, derde streepje, Wet Gezondheid Gebruikers zijn, behoudens krantenwinkels omdat die traditioneel tabaksproducten verkopen, geen winkels bedoeld die niet uitsluitend tabaksproducten verkopen, ongeacht hun omzetverdeling en noch de wetsgeschiedenis van artikel 7, § 2bis Wet Gezondheid Gebruikers noch enige andere verdrags- of wetsbepaling verplicht om aan het begrip tabakswinkel een meer omstandige uitlegging te geven
(1).
(1)GwH 30 september 1999, nr. 102/99. Thesaurus CAS: GEZONDHEIDSPOLITIE - OVER DE MENS Vrije woorden: Wet Gezondheid
Artikel 7
, § 2bis, 1° en 2° - Verbod op reclame voor tabaksproducten - Uitzondering - Aanbrengen van het merk van een tabaksproduct op affiches in een tabakswinkel - Begrip tabakswinkel - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 24-01-1977 - Art. 7, § 2bis, 2°, derde streepje - 31 ELI link Pub nr 1977012405 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0374.N I J.T. INTERNATIONAL COMPANY NETHERLANDS bv (Belgium Branch), met zetel te 1853 Strombeek-Bever, Boechoutlaan 55, beklaagde, eiseres, met als raadslieden mr. Hans Van Bavel en mr. Elisabeth Baeyens, advocaten bij de balie Brussel. II TABAKSHOEVE nv, thans VDC-RETAIL nv, met zetel te 8980 Zonnebeke, Oude Zonnebekestraat 11, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brus-sel, correctionele kamer, van 25 maart
- De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiseressen
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grond-wet, artikel 190ter Wetboek van Strafvordering en artikel 10 van de wet van 1 mei 1849 op de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het proces-verbaal van de rechtszitting van 8 januari 2018, waarop de zaak volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 20 november 2017 voor uitspraak was vastgesteld, is niet bij het dossier van de rechtspleging gevoegd; evenmin blijkt uit het bestreden arrest of uit enig ander stuk wat op die rechtszitting is gebeurd; enkel blijkt uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 15 januari 2018 dat de uitspraak op die datum werd verdaagd naar de rechtszitting van 19 februari 2018, waarna de uitspraak nog verschillende malen werd verdaagd en er vervolgens op 25 maart 2019 effectief uitspraak werd gedaan; aldus is het onmo-gelijk na te gaan wat er precies is gebeurd tussen 20 november 2017 en 15 janua-ri 2018, zodat het Hof in de onmogelijkheid is de regelmatigheid van de rechts-pleging na te gaan.
- Krachtens artikel 10 van de wet van 1 mei 1849 betreffende de politie-rechtbanken en correctionele rechtbanken moeten de aantekeningen voorge-schreven bij de artikelen 155 en 189 Wetboek van Strafvordering worden bijge-houden in de vorm van een proces-verbaal en worden ondertekend door zowel de voorzitter als de griffier. In geval van hoger beroep moet het origineel ervan bij de stukken van de rechtspleging worden gevoegd. Artikel 190ter Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de processen-verbaal van de rechtszitting bij het dossier van het geding worden gevoegd. Die artikelen zijn in politiezaken en in correctionele zaken niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het ontbreken van het proces-verbaal van een rechts-zitting leidt in die zaken slechts tot de nietigheid van de beslissing indien de re-gelmatigheid van de gevoerde procedure niet kan worden afgeleid uit de vermel-dingen van deze beslissing of uit andere procedurestukken.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 20 november 2017 is de zaak op die rechtszitting behandeld en in beraad genomen voor uitspraak op de rechtszitting van 8 januari 2018; - er bevindt zich in het dossier van de rechtspleging geen proces-verbaal van een rechtszitting van 8 januari 2018; - volgens de processen-verbaal van de rechtszittingen van 15 januari 2018, 19 februari 2018, 26 maart 2018, 6 juni 2018 en 12 september 2018 is de zaak uitgesteld voor uitspraak op de respectieve rechtszittingen van 19 februari 2018, 26 maart 2018, 6 juni 2018, 12 september 2018 en 25 september 2018; - op de rechtszitting van 25 september 2018 is een tussenarrest uitgesproken waarbij het debat is heropend en de zaak is vastgesteld op de rechtszitting van 29 oktober 2018 om een nieuwe rechtsdag te bepalen teneinde de zaak van in het begin te hernemen wegens de gewijzigde samenstelling van de zetel.
- Hieruit volgt dat de afwezigheid in het dossier van het proces-verbaal van de rechtszitting van 8 januari 2018 na het in beraad nemen van de zaak op 20 no-vember 2017 en vóór het uitspreken van het arrest van 25 september 2018, niet belet dat op basis van de zich in het dossier bevindende processen-verbaal de re-gelmatigheid van de rechtspleging kan worden nagegaan. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres I
- Het middel voert schending aan van artikel 7, § 2bis, 1° en 2°, van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de ge-bruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten (hierna Wet Gezondheid Gebruikers): het arrest veroordeelt de eiseressen voor de feiten 2.1 en 2.2 van de telastlegging; het beperkt eensdeels het begrip "merk", vermeld in de uitzonderingsbepaling van artikel 7, § 2bis, 2°, derde streepje, Wet Gezond-heid Gebruikers, ten onrechte tot de merknaam van het aangeboden tabakspro-duct, terwijl een dergelijk merk zowel de benamingen, tekeningen, afdrukken, stempels, letters, cijfers en vormen van waren of van verpakking als alle andere tekens die dienen om de waren van een onderneming te onderscheiden omvat; het miskent anderdeels het begrip "affiche" als bedoeld in die bepaling; dat be-grip omvat immers elke hedendaagse vorm van bekendmaking met de in de hui-dige tijd meest effectieve technieken, zodat het niet beperkt is tot gedrukte aan-plakbiljetten maar zich ook kan uitstrekken tot reclameboodschappen op lichtre-clames of elektronische borden; bovendien moet de strafwet limitatief worden geïnterpreteerd, zodat de uitzonderingen op de strafbaarheid niet beperkend mo-gen worden uitgelegd; de bijzondere presentatiemiddelen vermeld in de feiten 2.1 en 2.2 behoren dan ook tot het begrip affiches; aldus oordeelt het arrest ten onrechte dat die presentatiemiddelen "geen in krantenwinkels toegelaten affiches met louter het merk" zijn, maar een "manier om de sigaretten op een originele en in het oog springende manier te presenteren aan de consument" waardoor zij "onmiddellijk bij de consument in het oog springen en er aantrekkelijker uit-zien".
- Artikel 7, § 2bis, 1° en 2°, derde streepje, Wet Gezondheid Gebruikers be-paalt: "Het is verboden reclame te voeren voor en te sponsoren door tabak, producten op basis van tabak en soortgelijke producten, hierna tabaksproducten genoemd. Als reclame en sponsoring worden beschouwd elke mededeling of handeling die rechtstreeks of onrechtstreeks tot doel heeft de verkoop te bevorderen, ongeacht de plaats, de aangewende communicatiemiddelen of de gebruikte technieken. 2° Het in het 1° bedoelde verbod is niet van toepassing op: - het aanbrengen van het merk van een tabaksproduct op affiches in en aan de voorgevel van tabakswinkels en van krantenwinkels die tabaksproducten verko-pen".
- Een affiche in zijn oorspronkelijke spraakgebruikelijke betekenis is een aanplakbiljet, dit wil zeggen de aanplakking van een boodschap op een papieren drager aan een daarvan onderscheiden wandoppervlak. Ook een boodschap die rechtstreeks is aangebracht op een dergelijk wandoppervlak kan doorgaan voor een affiche. In een meer moderne verschijningswijze kan onder een affiche even-eens een lichtreclame vallen die aan zulk wandoppervlak is gehecht. Een affiche wordt verder gekenmerkt door een vlak aanzicht met hoogstens beperkte reliëf-schakeringen. Dit is het begrip affiche dat wordt bedoeld in artikel 7, § 2bis, 1° en 2°, derde streepje, voormeld. Door de vermelding van het merk van een tabaksproduct laat die affiche aan de consument weten dat er in een winkel die ze toont, tabaksproducten van dat merk te koop zijn. Het betreft zodoende, mits aangebracht aan of in een hier bedoelde winkel, een wettelijk toegelaten productpresentatie met reclame voor dat merk. Het merk van een product kan worden uitgedrukt als een benaming, tekening, af-druk, stempel, letter, cijfer of vorm van dat product of van de verpakking ervan of elk ander teken dat dient om dat product te onderscheiden, met dien verstande evenwel dat artikel 7, § 2bis, 1° en 2°, derde streepje, voormeld slechts deze uit-drukkingsvormen toestaat die kunnen voorkomen op een affiche zoals hier be-paald. Daaronder vallen dus niet de bijzondere productpresentaties die door hun vorm, aanzicht of opstelling vreemd zijn aan het begrip affiche. Dergelijke pro-ductpresentaties maken niet toegelaten reclame voor tabaksproducten uit. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de door hem beschreven productpre-sentaties van tabaksproducten vallen onder de voormelde begrippen reclame en affiche. Het Hof gaat wel na of de rechter zodoende die begrippen niet miskent.
- De feiten 2.1 en 2.2 van de telastlegging, waaraan het arrest de eiseres I schuldig verklaart, luiden als volgt: "Tussen (...) in (...),
- sigarettenpakjes van Camel Black & White, Winston en Sint Michel in specia-le presentaties te hebben laten aanbrengen om de zichtbaarheid ten opzichte van de andere tabaksproducten die zich in de kast voor tabaksproducten bevinden, te verhogen, onder andere door middel van driedimensionale presentaties,
- bijzondere presentatiemiddelen voor de verkoop van tabak gebruikt te hebben waaronder plexiglas, verlichting, een toonbank met geïntegreerde verlichte nis-sen en een tabakskast met uitsparingen waar enkel producten van [de eiseres] in aanwezig zijn en die extra verlicht worden."
- Het arrest oordeelt: - onder het begrip reclame zoals hier bedoeld vallen ook de rechtopstaande borden ("displays") die op de toog worden geplaatst, waarmee de pakjes siga-retten in een doorzichtige plastic houder letterlijk onder de ogen worden ge-bracht van de consument die voor de toonbank staat; - de eiseres I beoogde met de rechtopstaande "displays" op de toonbank onmis-kenbaar de aandacht van de consument te vestigen op de tabakswaren van haar merken en zo de verkoop ervan te bevorderen; - in krantenwinkels geldt als enige toegelaten vorm van reclame het aanbrengen van het merk van een tabaksproduct op affiches. De displays zijn geen affiche met louter het merk, maar zijn een manier om de sigaretten op een originele en in het oog springende manier te presenteren aan de consument; - ook de andere in de telastlegging vermelde wijzen van presenteren zijn een vorm van reclame, erop gericht de verkoop van de rookwaren te bevorderen; dit geldt voor de sigarettenpakjes die uit het rek naar voor springen, vergrote neppakjes en pakjes met een lichtgevend logo; - het presenteren van de rookwaren in de geïntegreerde verlichte nissen van toonbanken of in verlichte vitrines achter de toonbanken zijn eveneens hande-lingen die er specifiek op gericht zijn de verkoop te bevorderen. De gebruikte witte kunststof, de verlichting en het plexiglas geven aan het geheel een mo-derne en zeer nette aanblik, bijna zoals in een apotheek, waardoor de merken van de eiseres I die er in uitgestald zijn, onmiddellijk bij de consument in het oog springen en er aantrekkelijker uitzien; - het gaat hier geenszins om in krantenwinkels toegelaten "affiches" met de naam van het tabaksproduct. Weliswaar zegt de Raad van State in het door de eiseres I aangehaalde arrest nr. 95.575 van 17 mei 2001 dat de vermelding van het merk door lichtreclame als een hedendaagse vorm van bekendmaking door "aanplakking" kan worden beschouwd, maar dit arrest heeft betrekking op een lichtbak met de naam van het merk en heeft niets te maken met de wij-ze waarop de tabaksproducten zelf van de eiseres I in verlichte nissen in de toonbank en in verlichte vitrines werden gepresenteerd.
- Met de vermelde redenen oordeelt het arrest niet dat het merk van een ta-baksproduct beperkt is tot de merknaam, met uitsluiting van de andere uitdruk-kingsvormen die het middel vermeldt, maar wel dat reclame voor zulk merk slechts is toegelaten voor zover het voorkomt op een affiche zoals hier bepaald. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig en zonder extensieve inter-pretatie van de strafwet oordelen dat de bijzondere presentatiemiddelen die het beschrijft, reclame voor tabaksproducten uitmaken die niet zijn aangebracht op affiches. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel van de eiseres I Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 7, § 2bis, 2°, derde streepje, Wet Gezondheid Gebruikers: het arrest veroordeelt de eiseres I voor het feit 3 van de telastlegging; het oordeelt dat de winkel Tabac Plus geen tabakswinkel is in de zin van de voormelde bepaling omdat in die winkel naast tabaksproducten die 75 procent van de omzet uitmaken, ook een uitgebreid assortiment schoon-heidsmiddelen en andere producten verkrijgbaar is dat 25 procent van de omzet uitmaakt; het volstaat echter, opdat een winkel kwalificeert als een tabakswinkel zoals hier bedoeld, dat de verkoop van tabaksproducten van niet-ondergeschikt belang is, dit wil zeggen minstens 50 procent van de jaarlijkse omzet vertegen-woordigt.
- Met tabakswinkels als bedoeld in artikel 7, § 2bis, 2°, derde streepje, Wet Gezondheid Gebruikers zijn, behoudens krantenwinkels omdat die traditioneel tabaksproducten verkopen, geen winkels bedoeld die niet uitsluitend tabakspro-ducten verkopen, ongeacht hun omzetverdeling. Anders dan waarvan het onder-deel uitgaat, verplicht noch de wetsgeschiedenis van artikel 7, § 2bis Wet Ge-zondheid Gebruikers noch enige andere verdrags- of wetsbepaling om aan het begrip tabakswinkel een meer omstandige uitlegging te geven. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 7, § 2bis, 2°, derde streepje, Wet Gezondheid Gebruikers: het arrest oordeelt ten onrechte dat de onder feit 3 van de telastlegging vermelde rookwarenpresentatie in de winkel Tabac Plus niet valt onder de uitzondering van het voormelde artikel, terwijl deze presentatie door middel van verlichting niets anders is dan een hedendaagse vorm van be-kendmaking van het merk van de eiseres I; aldus miskent het arrest het begrip af-fiche.
- Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aange-voerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eiseres I schuldig aan feit 3 van de telastlegging zonder te antwoor-den op haar verweer dat de plaatsing van de affiche met haar merk op de zijgevel van de winkel Tabac Plus niet aan haar is toe te rekenen.
- Het arrest oordeelt eensdeels dat de door de eiseressen gevraagde opschor-ting van de uitspraak van de veroordeling niet wordt toegestaan omdat dit niet in verhouding staat met de zwaarwichtigheid van de door elk van hen gepleegde feiten, onvoldoende ontradend zou werken en de doelstelling van de strafvervol-ging niet passend zou verwezenlijken. Bij de beoordeling van de strafmaat ver-wijst het anderdeels naar het grote aantal vastgestelde inbreuken op het reclame-verbod dat de eiseres I heeft begaan en de vele verschillende manieren om te trachten dat verbod te omzeilen. Uit die redenen kan niet worden afgeleid dat de strafmaat ten aanzien van de eiseres I is beïnvloed door feit 3, beperkt tot de plaatsing van een reclameaffiche op de zijgevel van de winkel.
- De aan de eiseres I opgelegde straf is naar recht verantwoord door haar schuldigverklaring aan de feiten 1, 2.1, 2.2, 2.3 en 2.4 en 3, beperkt tot het voe-ren van reclame in de winkel. Het onderdeel dat enkel betrekking heeft op feit 3, beperkt tot de plaatsing van een reclameaffiche op de zijgevel van de winkel, is niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiseres II Eerste onderdeel
- Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het derde middel, eerste onder-deel, van de eiseres I en faalt om dezelfde reden naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het derde middel, tweede onder-deel, van de eiseres I en is om dezelfde reden niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eiseres II schuldig aan feit 3 van de telastlegging zonder haar ver-weer te beantwoorden dat er geen moreel element aanwezig is voor wat betreft de plaatsing van de affiche met het merk van de eiseres I op de zijgevel van haar winkel Tabac Plus.
- Het arrest oordeelt eensdeels dat de door de eiseressen gevraagde opschor-ting van de uitspraak van de veroordeling niet wordt toegestaan omdat dit niet in verhouding staat met de zwaarwichtigheid van de door elk van hen gepleegde feiten, onvoldoende ontradend zou werken en de doelstelling van de strafvervol-ging niet passend zou verwezenlijken. Het oordeelt anderdeels dat de aan de ei-seres II met gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging opgelegde geldboete nood-zakelijk is om haar te doen inzien dat zij het verbod op tabaksreclame stipt moet naleven opdat mensen niet ertoe worden aangezet tabak of meer tabak te gaan verbruiken. Uit die redenen kan niet worden afgeleid dat de strafmaat ten aan-zien van de eiseres II is beïnvloed door feit 3, beperkt tot de plaatsing van een reclameaffiche op de zijgevel van de winkel.
- De aan de eiseres II opgelegde straf is naar recht verantwoord door haar schuldigverklaring aan feit 3, beperkt tot het voeren van reclame in de winkel. Het onderdeel dat enkel betrekking heeft op feit 3, beperkt tot de plaatsing van een reclameaffiche op de zijgevel van de winkel, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseressen tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 139,21 euro, waarvan de eiseres I 69,61 euro verschuldigd is en de eiseres II 69,60 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en François Stévenart Meeûs, en op de openbare rechtszitting van 15 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220921.2F.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011204.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div