← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.5 Rolnummer: P.19.0452.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-10-17 Raadplegingen: 355 - laatst gezien 2026-06-28 06:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer de appelrechters een kalender hebben bepaald die conclusietermijnen inhoudt eerst voor alle beklaagden, nadien voor het openbaar ministerie en tenslotte voor eventuele replieken voor alle beklaagden, houdt dit niet in dat deze replieken enkel mochten slaan op de eventuele conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Conclusiekalender - Replieken van de beklaagden - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0452.N I J. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen. II R. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Vangenechten, advocaat bij de balie Antwerpen. III C. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Cato Siereveld, advocaat bij de balie Antwerpen. IV R. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ali Fadili, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Ternickstraat 13 bus C1, waar de eiser woonplaats kiest. V

  1. C. S. G., beklaagde, eiseres,
  2. L. B., beklaagde, eiser, beiden met als raadsman mr. Joke Bleys, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 28 maart
  3. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eisers V voeren geen middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I, IV en V
  4. Het arrest spreekt de eisers I, IV en V.2 vrij van de telastlegging A.II.a. In zoverre gericht tegen die beslissing, zijn de respectieve cassatieberoepen van de vermelde eisers bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eiser I
  5. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en de artikelen 152, 189 en 209bis Wetboek van Strafvordering, alsmede misken-ning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest weert de conclusie die de eiser op 28 december 2018 ter griffie van het hof van beroep heeft neergelegd omdat die conclusie en-kel diende om te repliceren op de conclusie van het openbaar ministerie, dat geen conclusie heeft neergelegd; de conclusiekalender bepaalt echter niet dat de conclusies van de beklaagden tijdens de tweede conclusieronde enkel een repliek mogen inhouden op de conclusie van het openbaar ministerie; die conclusies kunnen ook een repliek inhouden op de eerste conclusies van de andere beklaag-den; bovendien verliest een partij die de eerste conclusieronde laat verstrijken, behoudens procesmisbruik, niet het recht om tijdens een tweede conclusieronde alsnog tijdig een conclusie neer te leggen.
  6. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 21 juni 2018 blijkt dat de appelrechters de volgende conclusietermijnen hebben bepaald: - uiterlijk op 8 oktober 2018 voor alle beklaagden; - uiterlijk op 26 november 2018 voor het openbaar ministerie; - uiterlijk op 31 december 2018 "voor eventuele replieken voor alle beklaag-den". Uit die beslissing blijkt niet dat de conclusies die de beklaagden tot 31 december 2018 konden neerleggen, enkel replieken op de eventuele conclusie van het openbaar ministerie mochten bevatten.
  7. Het arrest (p. 25-26) oordeelt: - het openbaar ministerie heeft geen gebruik gemaakt van zijn enige conclusie-termijn zodat de termijn voor gebeurlijke repliek door de andere partijen zo-als die werd bepaald op de rechtszitting van 21 juni 2018 voor het geval het openbaar ministerie zou concluderen, niet voor een nieuwe conclusieronde door de andere partijen kon worden aangewend, tenzij akkoord daarover; - er ligt geen akkoord van de partijen voor en het door het openbaar ministerie op 22 november 2018 neergelegde stuk kan niet worden beschouwd als een nieuw en ter zake dienend stuk of feit in de zin van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering, dat een nieuwe conclusie kan rechtvaardigen; - geen der partijen heeft gevraagd om die neerlegging te beschouwen als een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat een nieuwe conclusie kan recht-vaardigen. Het hof van beroep ontving dus van geen der partijen een verzoek om een bijkomende conclusietermijn teneinde toch nog over het neergelegde stuk te concluderen. Aldus geeft het arrest aan de beslissing van 21 juni 2018 een draagwijdte die zij niet heeft en verantwoordt het de beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Eerste middel van de eiser II en middel van de eiser IV
  8. De middelen voeren schending aan van artikel 152 Wetboek van Strafvor-dering: het arrest weert ten onrechte de conclusies die de eisers op 31 december 2018 ter griffie van het hof van beroep hebben neergelegd.
  9. De middelen hebben dezelfde strekking als het middel van de eiser I en zijn om dezelfde reden gegrond. Overige middelen van de eiser II
  10. De middelen die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoe-ven geen antwoord. Eerste middel van de eiser III
  11. Het middel voert schending aan van de Drugwet en van het koninklijk be-sluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen, psy-chotrope stoffen, zowel in het algemeen als in het bijzonder artikel 2, 11°, als-mede miskenning van het territorialiteitsbeginsel, de bevoegdheid van de Belgi-sche strafrechter en de motiveringsplicht: de appelrechters veroordelen de eiser wegens de invoer van 120,101 kilogram cocaïne, voorwerp van de telastlegging A.II.a; zij waren echter territoriaal onbevoegd om van die feiten kennis te ne-men; de cocaïne is nooit op het Belgische grondgebied aanwezig geweest en de eiser heeft het Belgische grondgebied niet betreden tijdens de incriminatieperio-de of om voorbereidende handelingen met betrekking tot de betrokken invoer te stellen; aldus is niet voldaan aan de vereisten dat de cocaïne in België is inge-voerd of de eiser in België wist van die invoer.
  12. De straf waartoe de eiser wordt veroordeeld wegens de telastleggingen A.II.a, A.II.b, A.III en I.II.a, is wettig verantwoord door het bewezen verklaren van de telastleggingen A.II.b, A.III en I.II.a.
  13. Het middel dat slechts betrekking heeft op de telastlegging A.II.a, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser III
  14. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM: het arrest weigert zonder enige motivering in te gaan op eisers verzoek tot het horen van V.K. als getuige à décharge met betrekking tot de telastlegging A.II.a.
  15. Het middel dat enkel betrekking heeft op de telastlegging A.II.a, is om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  17. De vernietiging van de beslissing waarbij de eiser IV wordt veroordeeld, heeft de vernietiging tot gevolg van de beslissing waarbij zijn onmiddellijke aanhouding wordt bevolen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eisers I, II en IV schuldig ver-klaart aan de hen ten laste gelegde feiten en hen veroordeelt tot straf, kosten, vergoeding en bijdragen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers I en IV tot een tiende van de kosten van hun cassatiebe-roep. Houdt de beslissing over de kosten van de cassatieberoepen I voor het overige en II en IV voor het overige aan en laat ze over aan de rechter op verwijzing. Veroordeelt de eisers III, V.1 en V.2 tot de kosten van hun cassatieberoep. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten in het geheel op 888,81 euro waarvan op het cassatieberoep I 208,85 euro, op het cassatieberoep II 208,85 euro, op het cassatieberoep III 129,48 euro, op het cassatieberoep IV 208,85 euro, en op de cassatieberoepen V 132,78 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en François Sté-venart Meeûs, en op de openbare rechtszitting van 15 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.