← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191022.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191022.1 Rolnummer: P.19.0223.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2019-10-28 Raadplegingen: 568 - laatst gezien 2026-06-28 06:39 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De strafrechter kan enkel herstelmaatregelen opleggen in de gevallen waarvoor artikel 6.2.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat de handelingen en omissies opsomt die stedenbouwkundige misdrijven worden genoemd, in strafsancties heeft voorzien. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Opleggen van herstelmaatregelen - Grondslag Wettelijke bepalingen: Vlaamse codex ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Artt. 6.2.1 en 6.3.1, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Fiche 2 Artikel 3 Hypotheekwet dat bepaalt dat geen eis strekkende tot vernietiging of tot herroeping van rechten voortvloeiende uit akten, aan overschrijving onderworpen, door de rechter wordt ontvangen, dan na te zijn ingeschreven op de kant der overschrijving van de titel van verkrijging, waarvan de vernietiging of de herroeping gevorderd wordt, en, in voorkomend geval, op de kant der overschrijving van de laatste overgeschreven titel, verplicht de rechter om ambtshalve na te gaan of de burgerlijke rechtsvordering aan de hierin opgelegde vereisten voldoet, maar verplicht de rechter niet, behoudens daartoe strekkende conclusie, om ambtshalve in zijn beslissing vast te stellen dat hij tot dit onderzoek is overgegaan

(1).
(1)Cass. 13 november 1981, AC 1981-1982, nr. 175. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Burgerlijke vordering - Vordering tot nietigverklaring van rechten die voortvloeien uit akten die moeten worden overgeschreven - Voorafgaande inschrijving op het hypotheekkantoor - Ambtshalve onderzoek door de rechter - Ambtshalve vaststelling dat werd onderzocht of de inschrijving was verricht - Verplichting Wettelijke bepalingen: Wet - 16-12-1851 - Art. 3 - 01 ELI link Pub nr 1851121650 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0223.N B L O V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 5, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. J L, burgerlijke partij, verweerder, 2. G V, burgerlijke partij, verweerster, 3. GERAMAX INVEST cvoa, burgerlijke partij, verweerster, 4. H P, burgerlijke partij, verweerster, 5. G D, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 25 januari 2019. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Het arrest verklaart de strafvordering ingesteld tegen de eiser vervallen door verjaring. In zoverre ook tegen deze beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 193, 196 en 197 Strafwetboek, alsook miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de beklaagde of zijn raads-man: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastleggingen valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken; in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat er geen sprake was van een vermomming van de waar-heid vermits de vooraf bestaande toestand van de hoogte van de uitbouw, zoals aangeduid op zowel de vergunde bouwplannen van 20 mei 1992 als het door de eiser opgestelde bouwplan van 2007, 4,30 m betrof en foto's, alsook eigen ver-klaringen van de verweerders bevestigen dat ook de reële vooraf bestaande toe-stand wel degelijk 4,30 m betrof; het arrest, dat geen melding maakt van deze conclusies, laat dit verweer onbeantwoord en verantwoordt eisers schuldigver-klaring aan de voormelde telastleggingen aldus niet naar recht. 3. Geen enkele wettelijke bepaling vereist dat de beslissingen van de strafge-rechten melding maken van de neerlegging van conclusies. Uit de omstandigheid alleen dat de rechter ze niet in zijn beslissing heeft vermeld, kan niet worden af-geleid dat hij ze zou hebben genegeerd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 4. Het arrest oordeelt dat: "Uit de objectieve vaststellingen, onder meer de fo-to's en de vergelijking van de vroegere en de huidige toestand, volgt echter dat het de maatvoering van [de op 24 augustus 1992 vergunde plannen] is die werd aangewend in de aanvraag, terwijl in werkelijkheid de hoogte 40 cm lager lag.", zodat "De voorstelling van de hoogte van 4,30 m van de uitbouw, terwijl deze in werkelijkheid slechts 3,90 m bedroeg, aldus een vermomming van de waarheid (
  1. is)die met bedrieglijk opzet werd uitgevoerd". Met deze redenen beantwoorden de appelrechters eisers in het middel vermelde verweer zonder dat zij dienden te antwoorden op elk argument tot staving van dit verweer dat geen afzonderlijk verweermiddel vormt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 5. In zoverre het middel formeel een motiveringsgebrek aanvoert, maar in werkelijkheid opkomt tegen de onaantastbare beoordeling door de rechter van de bewijswaarde van de hem regelmatig voorgelegde feitelijke gegevens, is het niet ontvankelijk. 6. De overige wetschendingen zijn afgeleid uit dit vergeefs aangevoerd moti-veringsgebrek. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Tweede middel 7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 193, 196 en 197 Strafwetboek, alsook miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de beklaagde of zijn raads-man: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastleggingen valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken; in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat er geen sprake was van enig bedrieglijk opzet of oog-merk om te schaden; de eerste rechter heeft hierbij ten onrechte aangenomen dat het bedrieglijk opzet erin zou hebben bestaan om de appartementen op de eerste verdieping te voorzien van een ruim dakterras; de hoogte van de dakopstand is evenwel irrelevant voor de inrichting van een plat dak als dakterras; bovendien was de eiser op het ogenblik van het opstellen van de plannen in 2007 niet op de hoogte van de intentie van de bouwheer om vier jaar later het plat dak in te rich-ten als dakterras; het arrest, dat geen melding maakt van deze conclusies, laat dit verweer onbeantwoord en verantwoordt eisers schuldigverklaring aan de voor-melde telastleggingen aldus niet naar recht. 8. Geen enkele wettelijke bepaling vereist dat de beslissingen van de strafge-rechten melding maken van de neerlegging van conclusies. Uit de omstandigheid alleen dat de rechter ze niet in zijn beslissing heeft vermeld, kan niet worden af-geleid dat hij ze zou hebben genegeerd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 9. Het arrest oordeelt dat: "De voorstelling van de hoogte van 4,30 m van de uitbouw, terwijl deze in werkelijkheid slechts 3,90 m bedroeg, is aldus een ver-momming van de waarheid die met bedrieglijk opzet werd uitgevoerd. Deze vals-heid berokkende [de verweerders] nadeel, onder meer omdat door die valsheid zogezegd mogelijk werd gemaakt dat aan [de verweerders] het zicht op het wes-telijk deel van de dijk werd ontnomen. De zo vervalste plannen werden gebruikt voor het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning en het is duidelijk dat wat betreft de bewuste uitbouw de stedenbouwkundige vergunning nooit verkre-gen zou zijn onder dezelfde voorwaarden als nu bepaald zonder het gebruik van de valse bouwplannen". Met deze redenen, die de door de eiser in zijn appelconclusie bekritiseerde rede-nen van de eerste rechter niet hernemen, motiveren de appelrechters naar recht het voor de telastleggingen A en B vereiste bijzonder opzet. Aldus dienden de appelrechters niet meer te antwoorden op eisers doelloos verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 10. De overige wetschendingen zijn afgeleid uit dit vergeefs aangevoerd moti-veringsgebrek. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel Tweede onderdeel 11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruim-telijke Ordening: het arrest beveelt ten onrechte lastens de eiser een herstelmaat-regel, zoals bedoeld in deze bepaling; aan de eiser worden immers enkel feiten van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken ten laste gelegd, maar geen inbreuken op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. 12. Artikel 6.3.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt: "Naast de straf beveelt de rechtbank, ambtshalve of op vordering van een be-voegde overheid, een meerwaarde te betalen en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken. Dat gebeurt, met inachtneming van de volgende rangorde: 1° als het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goe-de ruimtelijke ordening, het betalen van een meerwaarde; 2° als dit kennelijk volstaat om de plaatselijke ordening te herstellen, de uitvoe-ring van bouw- of aanpassingswerken; 3° in de andere gevallen, de uitvoering van het herstel van de plaats in de oor-spronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik. Voor de diverse onderdelen van eenzelfde misdrijf kunnen verschillende herstel-maatregelen gecombineerd worden, bevolen volgens de rangorde, vermeld in het eerste lid. Het bevolen herstel dekt steeds de volledige illegaliteit ter plaatse, ook al werd die mee veroorzaakt door stedenbouwkundige misdrijven of inbreu-ken die niet bij de rechter aanhangig zijn." Op grond van deze bepaling kan de strafrechter herstelmaatregelen opleggen in de gevallen waarvoor artikel 6.2.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in strafsancties heeft voorzien. Deze laatste bepaling somt de handelingen en omis-sies op die stedenbouwkundige misdrijven worden genoemd. 13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser wordt veroordeeld voor als valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken omschreven feiten. Deze feiten vallen niet onder het toepassingsgebied van arti-kel 6.2.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Aldus is de beslissing om las-tens de eiser een herstelmaatregel in de zin van artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening te bevelen niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is gegrond. Eerste onderdeel 14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de herstelvordering, die het openbaar ministerie voor het eerst voor de appelrechters instelde, tot de sai-sine van het appelgerecht behoort; in zijn grievenformulier heeft het openbaar ministerie enkel aangegeven het hoger beroep van de eiser te volgen; het niet-bevelen van een herstelvordering is door de eiser niet aangevochten; aldus valt deze beslissing buiten de grenzen van het volgappel. 15. Het onderdeel dat niet kan leiden tot een ruimere cassatie, behoeft geen antwoord. Vierde middel 16. Het middel voert schending aan van artikel 3 Hypotheekwet: het arrest veroordeelt de eiser op vordering van de verweerders tot een herstel in natura zonder ambtshalve na te gaan of aan de ontvankelijkheidsvereisten, opgelegd door voormeld artikel 3 aan deze burgerlijke rechtsvordering, was voldaan. 17. Artikel 3 Hypotheekwet bepaalt: "Geen eis strekkende tot vernietiging of tot herroeping van rechten voortvloeiende uit akten, aan overschrijving onder-worpen, wordt door de rechter ontvangen, dan na te zijn ingeschreven op de kant der overschrijving van de titel van verkrijging, waarvan de vernietiging of de herroeping gevorderd wordt, en, in voorkomend geval, op de kant der overschrij-ving van de laatste overgeschreven titel". 18. Deze bepaling verplicht de rechter om ambtshalve na te gaan of de burger-lijke rechtsvordering aan de hierin opgelegde vereisten voldoet, maar verplicht de rechter niet, behoudens daartoe strekkende conclusie, om ambtshalve in zijn beslissing vast te stellen dat hij tot dit onderzoek is overgegaan. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 19. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters een schending van artikel 3 Hypotheekwet heeft aange-voerd. Bij gebrek aan een daartoe strekkende conclusie dienden de appelrechters niet uitdrukkelijk te motiveren dat aan de vereisten van deze bepaling was vol-daan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek voor het overige 20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de herstelvordering van het openbaar ministerie lastens de eiser gegrond verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 736,60 euro waarvan 160,11 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Frédéric Lugentz en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 22 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191022.1 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.