← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191022.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 380

, § 1, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 4 De strafrechter oordeelt onaantastbaar en voor zover hij aan het begrip abnormaal profijt dat in de wet niet nader is omschreven zijn gebruikelijke betekenis toekent, of de verhuring van kamers met het oog op prostitutie geschiedt met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen

(1).
(1)Cass. 13 april 1999, AR P.98.0898.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990413.5, AC 1999, nr. 204. Thesaurus CAS: ONTUCHT EN PROSTITUTIE Vrije woorden: Verhuur van kamers - Abnormaal profijt - Begrip Wettelijke bepalingen:

Art. 380

, § 1, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Ontucht en prostitutie - Verhuur van kamers - Abnormaal profijt Wettelijke bepalingen:

Art. 380

, § 1, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Vrije woorden: Strafzaken - Ontucht en prostitutie - Verhuur van kamers - Abnormaal profijt - Onaantastbare beoordeling door de rechter - Toezicht door het Hof Wettelijke bepalingen:

Art. 380

, § 1, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 5 - 6 Artikel 382ter, eerste lid, Strafwetboek voorziet in de verplichte verbeurdverklaring van de door artikel 380, § 1, 3°, Strafwetboek bedoelde kamers of andere ruimtes als voorwerp van dit misdrijf overeenkomstig artikel 42, 1°, Strafwetboek zodat deze verbeurdverklaring geen, al dan niet, schriftelijke vordering van het openbaar ministerie vereist en de beklaagde bij zijn verdediging steeds rekening dient te houden met die verplichte verbeurdverklaring; de omstandigheid dat het openbaar ministerie de verbeurdverklaring vordert van deze kamers of andere ruimtes op een andere rechtsgrond doet daaraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: ONTUCHT EN PROSTITUTIE Vrije woorden: Verhuur van kamers - Voorwerp van het misdrijf - Verplichte verbeurdverklaring - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Artt. 42, 1°, 380, § 1, 3°, en 382ter, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Ontucht en prostitutie - Verhuur van kamers - Voorwerp van het misdrijf - Verplichte verbeurdverklaring - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Artt. 42, 1°, 380, § 1, 3°, en 382ter, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0487.N I

  1. V T, beklaagde,
  2. Ü T, beklaagde,
  3. N S, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Bart Siffert, advocaat bij de balie Brussel, II E U D, alias E U, geboren op 14 juli 1968, roepnaam ‘M L' en ‘E', eiseres, beklaagde, alle cassatieberoepen tegen FEDERAAL CENTRUM VOOR DE ANALYSE VAN DE MIGRATIE-STROMEN, DE BESCHERMING VAN DE GRONDRECHTEN VAN DE VREEMDELINGEN EN DE STRIJD TEGEN DE MENSENHANDEL, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 138, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brus-sel, correctionele kamer, van 3 april
  4. De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiseres II voert geen middel aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I
  5. Het arrest bevestigt wat betreft de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerster tegen de eisers I het vonnis van de eerste rechter die zich onbevoegd verklaarde voor zover die vorderingen gericht waren tegen de eisers I. In zoverre de cassatieberoepen I zijn gericht tegen die beslissing, zijn zij bij ge-brek aan belang niet ontvankelijk.
  6. Het arrest oordeelt dat de appelrechters geen rechtsmacht hebben om uit-spraak te doen over de aan de eisers I verleende vrijspraak voor respectievelijk de telastleggingen I.1, I.2 en I.
  7. Het arrest oordeelt dat wat betreft de aan de eisers I respectievelijk verwe-ten telastleggingen E.1, E.2 en E.3 de verzwarende omstandigheden van de arti-kelen 380, § 3, 2° en 381 Strafwetboek niet bewezen zijn. In zoverre ook tegen deze beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen I bij ge-brek aan belang niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
  8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cas-satieberoep van de eiseres II overeenkomstig artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, is betekend aan de verweerder. In zoverre het cassatieberoep II is gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder, is het niet ontvankelijk.
  9. Het arrest oordeelt dat de appelrechters geen rechtsmacht hebben om op-nieuw uitspraak te doen over de door de eerste rechter aan de eiseres II verleende vrijspraak voor de telastleggingen A, D2b), D2c), D2d), D2e), D2f), D2o), D2p), D2q) en voor de telastlegging D2r) voor wat betreft andere slachtoffers dan E.I. en I.O. en voor de telastlegging H. In zoverre ook tegen deze beslissing gericht, is het cassatieberoep II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen van de eisers I Eerste middel
  10. Het middel voert een motiveringsgebrek aan: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het spreekt enerzijds de eisers I vrij van de respectieve telastleg-gingen I.1, I.2 en I.3, alsook van de verzwarende omstandigheden betreffende de telastleggingen E.1, E.2 en E.3, maar het verklaart hen anderzijds wel schuldig aan het zich toekennen van een abnormaal profijt door de verhuring van een pand wel wetende dat de huurster dit gebruikt voor de seksuele uitbuiting van ver-schillende slachtoffers; aldus bevat het arrest een tegenstrijdigheid doordat het zowel stelt dat de eisers I schuldig zijn aan het zich toekennen van een abnor-maal profijt via de verhuring van een pand wel wetende dat de huurster dit ge-bruikt voor de seksuele uitbuiting van verschillende slachtoffers, als dat het oor-deelt dat zij niet schuldig zijn aan het behoren tot een criminele organisatie noch aan het rechtstreeks of onrechtstreeks misbruik maken van de kwetsbare toestand waarin een persoon verkeert.
  11. De appelrechters bevestigen niet de door de eerste rechter voor de telast-leggingen I.1, I.2 en I.3 verleende vrijspraak van de eisers I. Ze oordelen wel dat ze over die beslissing geen rechtsmacht hebben. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het fei-telijke grondslag.
  12. De appelrechters oordelen dat wat betreft de telastleggingen E.1, E.2 en E.3 de verzwarende omstandigheid van artikel 380, § 3, 2°, Strafwetboek, namelijk misbruik maken van de kwetsbare toestand waarin een persoon verkeert ten ge-volge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of on-waardigheid, niet is aangetoond. Zij verklaren de eisers I met die telastleggingen schuldig aan het basismisdrijf van artikel 380, § 1, 3°, Strafwetboek, namelijk "kamers of enige andere ruimte te hebben verkocht, verhuurd of ter beschikking gesteld met het oog op prostitu-tie met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren" en meer concreet "een woning (...) verhuurd of ter beschikking te hebben gesteld aan [de eiseres II]. Gelet op het oordeel dat de verzwarende omstandigheid van artikel 380, § 3, 2°, Strafwetboek niet is aangetoond, geven zij te kennen dat de zinssnede in de con-crete omschrijving van de telastleggingen "wetende dat zij deze gebruikte voor de uitbuiting van de verschillende slachtoffers" niet is aangetoond. In zoverre bestaat de aangevoerde tegenstrijdigheid bijgevolg niet en mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek: de veroordelingen van de eisers I gaan in tegen de stukken en akten van het dossier; er waren wel degelijk huurcontracten die in twee op de drie ge-vallen slechts een verdieping van een woning betroffen zoals blijkt uit de akten en processen-verbaal in het dossier; er werden bijgevolg onjuiste feiten weer-houden.
  14. Het middel dat formeel miskenning van bewijskracht van akten aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen de beoordeling van de feiten door de rech-ter. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 380, § 1, 3°, Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eisers abnormaal profijt hebben gehaald door een huurprijs te bedingen die hoger ligt dan wat gebruikelijk is voor een ge-lijkaardig pand; het is niet zo dat een huurprijs die veel hoger ligt dan wat ge-bruikelijk is voor een normaal pand meteen als een abnormaal profijt moet wor-den beschouwd; dat is geenszins bewezen; er wordt impliciet aanvaard dat de hoogte van de betaalde huurprijs niet alarmerend was zodat de eisers I uitbuiting of misbruik konden vermoeden; daarmee is aangetoond dat er geen abnormaal profijt werd gerealiseerd.
  16. Artikel 380, § 1, 3°, Strafwetboek bestraft hij die kamers of enige andere ruimte verkoopt, verhuurt of ter beschikking stelt met het oog op prostitutie met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren. Deze strafbaarstelling vereist niet het bewijs dat de dader kennis heeft van enige uitbuiting. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. De strafrechter oordeelt onaantastbaar en voor zover hij aan het begrip ab-normaal profijt dat in de wet niet nader is omschreven zijn gebruikelijke beteke-nis toekent, of de verhuring van kamers met het oog op prostitutie geschiedt met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  18. Met eigen redenen en met overname van de motieven van het beroepen vonnis, oordelen de appelrechters dat elk van de eisers I op de hoogte was dat de door hen verhuurde panden tot prostitutie waren bestemd en dat de verkregen huurgelden niet in verhouding stonden met de relatief kleine oppervlakte, het gebrek aan comfort en voorzieningen, de slechte staat en de onwaardige omstan-digheden van de ter beschikking gestelde ruimtes. Op grond van die vaststellin-gen kunnen zij oordelen dat ieder van de eisers I door het aanrekenen van de kwestieuze huurprijzen beoogde een abnormaal profijt te realiseren uit de terbe-schikkingstelling van miserabele ruimtes in onwaardige omstandigheden met het oog op prostitutie en is die beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  19. Het onderdeel voert een motiveringsgebrek aan: de appelrechters motive-ren onvoldoende waarom de door de eisers I aangerekende huurprijs abnormaal of buitensporig was; zij hebben zich laten leiden door de persoonlijke kennis van de eerste rechter door aan te nemen dat een normale gemiddelde huurprijs rond 1.000,00 euro lag; dit gegeven heeft nooit het voorwerp uitgemaakt van een te-gensprekelijk debat omdat het geen deel uitmaakte van het strafdossier.
  20. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie dient de rechter die oordeelt dat uit de hoogte van de prijs waartegen een kamer of ruimte wordt ver-huurd met het oog op prostitutie volgt dat de verhuurder de bedoeling had een abnormaal profijt te realiseren die beslissing niet nader met redenen te omkle-den. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  21. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het beroepen vonnis vaststelt dat de door de eisers I ontvangen huurgelden boven het gemid-delde van rond 1.000,00 euro lagen. Dit gegeven behoorde aldus tot het debat voor de appelrechters en de eisers I konden daarover tegenspraak voeren. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  22. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter is het niet ontvankelijk. Vierde middel in zijn geheel
  23. Het eerste onderdeel voert miskenning aan van het recht van verdediging: het beroepen vonnis verklaart gedeelten van de verschillende onroerende goe-deren van de eisers I verbeurd met toepassing van artikel 42, 1°, Strafwetboek, terwijl het openbaar ministerie de verbeurdverklaring vorderde op grond van ar-tikel 43quater, § 4, Strafwetboek; de wijziging van rechtsgrond gebeurde zonder dat daarover enig debat kon worden gevoerd en zonder voorafgaande heropening van het debat. Het tweede onderdeel voert een motiveringsgebrek aan: het arrest is gebrekkig en verkeerd gemotiveerd; het stelt dat de eerste rechter uitspraak heeft gedaan over de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie dat de verbeurdver-klaring op grond van artikel 43quater Strafwetboek vorderde terwijl de ver-beurdverklaring op basis van een andere rechtsgrond werd uitgesproken.
  24. In zoverre het middel in zijn beide onderdelen is gericht tegen het beroepen vonnis en niet het arrest, is het niet ontvankelijk.
  25. Artikel 382ter, eerste lid, Strafwetboek voorziet in de verplichte verbeurd-verklaring van de door artikel 380, § 1, 3°, Strafwetboek bedoelde kamers of an-dere ruimtes als voorwerp van dit misdrijf overeenkomstig artikel 42, 1°, Straf-wetboek. Deze verbeurdverklaring vereist geen, al dan niet, schriftelijke vorde-ring van het openbaar ministerie. De beklaagde dient bij zijn verdediging steeds rekening te houden met die verplichte verbeurdverklaring. De omstandigheid dat het openbaar ministerie de verbeurdverklaring vordert van deze kamers of ande-re ruimtes op een andere rechtsgrond doet daaraan geen afbreuk. In zoverre het middel in zijn beide onderdelen uitgaat van een andere rechtsop-vatting, faalt het naar recht.
  26. Het arrest beveelt lastens de eisers I de door het middel bekritiseerde ver-beurdverklaringen van de gedeelten van de onroerende goederen als voorwerp van de telastleggingen E.1, E.2 en E.3 op grond van artikel 42, 1°, Strafwetboek. Aldus verantwoordt het die beslissing naar recht. In zoverre kan het middel in zijn beide onderdelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten in het geheel op 211,81 euro waarvan de eisers I 105,90 euro verschuldigd zijn en de eiseres II 105,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Frédéric Lugentz en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 22 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191022.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990413.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.