id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.1 Rolnummer: P.19.0290.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 732 - laatst gezien 2026-06-28 21:44 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit art. 128, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat het onderzoeksgerecht ingeval van een buitenvervolgingstelling in een gerechtelijk onderzoek opgestart op initiatief van meerdere burgerlijke partijen, ambtshalve elk van die in het ongelijk gestelde burgerlijke partijen dient te veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de in het gelijk gestelde inverdenkinggestelden; de omstandigheid dat een in het gelijk gestelde inverdenkinggestelde slechts de solidaire veroordeling vordert van de in het ongelijk gestelde burgerlijke partijen of de veroordeling van de ene bij gebreke aan de andere, doet daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie Cass. 8 mei 2018, AR P.17.1274.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180508.1, AC 2018, nr. 294; Cass. 6 december 2016, AR P.15.0250.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161206.2, AC 2016, nr. 696 (wat betreft de veroordeling in solidum van beklaagden). Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Beoordeling door de rechter - Omvang Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0290.N I-II
- G V D M, burgerlijke partij,
- INTERPAT nv, met zetel te 2050 Antwerpen, Edmond de Coussemaker-straat 35, burgerlijke partij, eisers, met als raadsman mr. Tom Van Achter, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 64 bus 201, waar de eisers woon-plaats kiezen, tegen
- G V F D, inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Brecht Maus, advocaat bij de balie West-Vlaanderen,
- J P A F, inverdenkinggestelde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, kamer van inbeschuldigingstelling van 26 februari
- De eisers doen afstand van hun cassatieberoep I. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van een eerlijk proces: noch uit het arrest noch uit het proces-verbaal van de rechtszitting blijkt dat het voorgeschreven aantal rechters allen aanwezig waren op alle zittingen, waarbij het debat werd aangevat en gevoerd en het blijkt evenmin dat de zaak in haar ge-heel werd hernomen voor een nieuw samengestelde zetel.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de zaak werd opgeroepen op de rechtszittingen van de kamer van inbeschuldigingstelling van 28 mei 2018, 11 juni 2018, 24 september 2018, 12 november 2018 en op 14 januari
- Op de rechtszittingen van 28 mei 2018, 11 juni 2018 en 12 novem-ber 2018 werd de zaak telkens uitgesteld, zonder behandeling. Enkel op de rechtszittingen van 24 september 2018 en 14 januari 2019 werd ze behandeld. Op die rechtszittingen was de zetel samengesteld uit de raadsheren R. Van Laken en D. Thys en plaatsvervangend magistraat M. Jordens. Het arrest werd ook in be-raad genomen en gewezen door die magistraten. Aldus blijkt dat de zaak enkel werd behandeld door die magistraten. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door voor de te-lastlegging A ten aanzien van de verweerder 1 te verwijzen naar de motivering van het beroepen vonnis, dat zich uitdrukkelijk beperkt tot bedrog betreffende de telastlegging B.b, is de motivering van het arrest gebrekkig, minstens onnauw-keurig.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. Hun beslissingen zijn immers geen vonnissen in de zin van dat artikel. In zoverre het de schending van die bepaling aanvoert, faalt het middel naar recht.
- Het arrest oordeelt wat betreft de telastlegging A (valsheid en gebruik van valse stukken) ten aanzien van de verweerder 1, niet enkel zoals in het middel vermeld. Het oordeelt met eigen redenen dat geen ernstige objectiveerbare aan-wijzingen werden gevonden aangaande: - de opname in de dading van 30 juli 2008 door de verweerder 1 van intellec-tueel valse metingen, wetend dat de metingen vals zijn, met als bedrieglijk opzet de feiten onder de telastlegging B (oplichting) te kunnen plegen; - de graad van deskundigheid van de verweerder 1 zodat het niet duidelijk is of hij voorafgaand aan de metingen van 30 juli 2008 had kunnen weten dat deze metingen vals waren; - zekerheid over de werkelijke oorzaak van het niet permanent in staat zijn van het "energietransformatiesysteem" om permanent een rendement hoger dan 100 procent te behalen. Het arrest oordeelt bovendien met overname van de redenen van de beroepen be-schikking: - onmiddellijk kan worden gesteld dat geen valse meetresultaten werden opgenomen in de dading in de zin dat de eiser 1, gedelegeerd bestuurder van de eiseres 2 en diens raadsman actief aanwezig waren bij de demonstratie en bij het noteren van de onderzoeksresultaten; - de valsheid zou er in bestaan dat de correct genoteerde meetresultaten verkre-gen werden door bedrieglijke manipulatie van de kasten van het energietrans-formatiesysteem en dus vals zijn (intellectueel valse metingen opgenomen in de dading); - de listige kunstgreep die aangewend werd zou bestaan in de manipulatie van de kasten; - zoals de eiser 1 ter rechtszitting stelt is hij reeds jaren in de ban van deze ma-terie; - hij is ingenieur; - hij kreeg een demonstratie en zag de testresultaten, op basis waarvan hij de dading sloot; - als de specialist erin gelooft, waarom zou de uitvinder die er in gelooft dan een bedrieger zijn; - de latere negatieve resultaten van expertisebureau Veritas, vormen geen vol-doende bezwaar van bewuste manipulatie, bedrog, in hoofde van de verweer-der 1; - hetzelfde geldt voor de expertise uitgevoerd door deskundige Geysen. Met die redenen geeft het arrest de redenen op waarom geen bedrieglijk inzicht kan worden aangenomen, constitutief bestanddeel van de beide telastleggingen en is bijgevolg de beslissing over de afwezigheid van ernstige bezwaren ten aan-zien van de verweerder 1 wat betreft de telastlegging A regelmatig met redenen omkleed. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 210 Wetboek van Strafvordering: het arrest dat slechts verwijst naar de motivering van het beroepen vonnis beantwoordt niet het voor de telastlegging A ten aanzien van de verweerder 1 nieuw ontwikkeld middel, dat de verweerder 1 zelf heeft er-kend dat het hoger uitgaand resultaat van de energie, het gevolg is van de batte-rijen die aanwezig waren in de kast, erkenning waaruit de eisers het bedrog heb-ben afgeleid; de verwijzing naar de redenen van de beroepen beschikking kan geen antwoord hierop vormen aangezien het middel niet is aangevoerd voor de eerste rechter; voor het overige is de motivering van het arrest niet pertinent.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. Hun beslissingen zijn immers geen vonnissen in de zin van dat artikel. In zoverre het de schending van die bepaling aanvoert, faalt het middel naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eisers voor de appelrechters hebben aangevoerd dat: - de verweerder 1 stelt dat hij de kasten niet heeft gemanipuleerd om tot het hoger uitgaand dan ingaand meetresultaat te komen, maar dat dit het gevolg is van de batterijen die in de kasten aanwezig waren. Door de aanwezigheid van deze batterijen kon hij tijdens de demonstratie van 30 juli 2008 een rende-ment verkrijgen van meer dan 100 procent; - de verweerder 1 bevestigt dus uitdrukkelijk dat de kasten werken als een klas-siek UPS-systeem of noodgenerator, waarbij tijdelijk een rendement van meer dan 100 procent kan worden bereikt door de vrijgave van de energie die in de interne batterijen opgestapeld zit; - dit is uiteraard geen energietransformatiesysteem, waarbij het uitgaand ver-mogen permanent (i.t.t. tijdelijk) en op eigen kracht (i.t.t. op basis van energie van interne batterijen) hoger is dan het ingaand vermogen; - door het gebruik van inwendige batterijen kon de verweerder 1 tijdens de de-monstratie van 30 juli 2008 een hoger uitgaand dan ingaand vermogen berei-ken; - uiteraard wist hij maar al te goed dat dit resultaat met een rendement van 100 procent slechts tijdelijk kon zijn, met name tot de inwendige batterijen leeg waren. Niettemin heeft de verweerder 1 tijdens zijn demonstratie van 30 juli 2008 een hele enscenering opgezet om de eisers te overtuigen van het feit dat de drie kasten energietransformatiesystemen waren die in staat waren om permanent en op eigen kracht een hoger uitgaand vermogen te genereren dan het ingaand vermogen; - het bedrog door de verweerder 1 zonder meer vaststond.
- De rechter die een veroordeling uitspreekt, moet de verweermiddelen be-antwoorden, maar is niet verplicht te antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangevoerd, zonder evenwel een afzonderlijk verweermiddel te vormen.
- Met het voormelde verweer hebben de eisers enkel argumenten aangevoerd tot staving van hun stelling dat de verweerders de feiten van de telastleggingen A en B met bedrieglijk inzicht hebben gepleegd. Met de redenen vermeld in het antwoord op het tweede middel beantwoorden de appelrechters ook het in het middel bedoelde verweer, zonder dat ze specifiek dienden in te gaan op de argu-menten die louter tot staving van dit verweer werden aangevoerd. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het ultra petita beginsel: door elk van de eisers te veroorde-len tot betaling aan de verweerder 2 van een rechtsplegingsvergoeding van 4.500,00 euro zowel in eerste aanleg als in graad van beroep, kent het arrest niet-gevorderde zaken toe; de verweerder 2 heeft immers slechts de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding gevorderd, solidair, minstens de ene bij gebreke van de andere.
- Artikel 128, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien de raadkamer beslist dat er geen reden is tot vervolging en het onderzoek werd in-geleid door de burgerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter, de burgerlijke partij wordt veroordeeld tot het aan de inverdenkinggestelde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek.
- Uit die bepaling volgt dat het onderzoeksgerecht ingeval van een buiten-vervolgingstelling in een gerechtelijk onderzoek opgestart op initiatief van meerdere burgerlijke partijen ambtshalve elk van die in het ongelijk gestelde burgerlijke partijen dient te veroordelen tot de betaling van een rechtsplegings-vergoeding aan de in het gelijk gestelde inverdenkinggestelden. De omstandig-heid dat een in het gelijk gestelde inverdenkinggestelde slechts de solidaire ver-oordeling vordert van de in het ongelijk gestelde burgerlijke partijen of de ver-oordeling van de ene bij gebreke aan de andere, doet daaraan geen afbreuk. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van de cassatieberoepen I. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 180,41 euro waarvan 75,41 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric de Formanoir en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 29 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161206.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180508.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div