← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 05-05-2014 - Artt.

14, § 1, eerste zin, 18 en 82 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Internering - Burgerlijke partij - Devolutieve werking van het hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 05-05-2014 - Artt.

14, § 1, eerste zin, 18 en 82 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Burgerlijke rechtsvordering (bijzondere regels) Vrije woorden: Internering - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 05-05-2014 - Artt.

14, § 1, eerste zin, 18 en 82 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Internering - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 05-05-2014 - Artt.

14, § 1, eerste zin, 18 en 82 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Internering - Hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 05-05-2014 - Artt.

14, § 1, eerste zin, 18 en 82 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Burgerlijke partij - Hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 05-05-2014 - Artt.

14, § 1, eerste zin, 18 en 82 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0325.N I Z A, in eigen naam en in de hoedanigheid van voogd van zijn minderjarige zoon Y A, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Dimitri de Béco, advocaat bij de balie Brussel, II

  1. J V, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Philip Daeninck, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Maastrichterstraat 99, waar de eiser woonplaats kiest,
  2. M L, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Philip Daeninck, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Maastrichterstraat 99, waar de eiser woonplaats kiest,
  3. W G, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Luc Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Maastrichterstraat 99, waar de eiser woonplaats kiest, III
  4. J V P, burgerlijke partij,
  5. M F, burgerlijke partij, eisers, met als raadsman mr. Jo Muylle, advocaat bij de balie Dendermonde, IV T V P, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Jo Muylle, advocaat bij de balie Dendermonde, alle cassatieberoepen tegen S H, inverdenkinggestelde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brus-sel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 maart
  6. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser I doet afstand van zijn cassatieberoep voor het geval zijn cassatieberoep voorbarig zou zijn. De eisers II.1, II.2 en II.3 voeren telkens in een memorie die aan dit arrest is ge-hecht, twee middelen aan. De eisers III voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers III en IV doen afstand van hun cassatieberoep voor het geval dat cassa-tieberoep voorbarig zou zijn. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft op 20 september 2019 ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd. Op de openbare rechtszitting van 29 oktober 2019 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - de procureur des Konings te Leuven vordert op 3 oktober 2018 de raadkamer in het lastens de verweerder gevoerde gerechtelijk onderzoek, waarbij de ei-sers II en III zich reeds burgerlijke partij hebben gesteld, de rechtspleging te regelen en de verweerder te interneren voor feiten van moord, bedreigingen en een inbreuk op de wapenwet; - op de rechtszitting van de raadkamer van 18 december 2018 stellen de eisers I en IV zich eveneens burgerlijke partij; - bij beschikking van 21 december 2018 oordeelt de raadkamer te Leuven dat de zaak in staat van wijzen is en dat er bijgevolg geen redenen zijn om het onderzoek te vervolledigen door de aanstelling van een college van deskundi-gen, een testpsychologisch onderzoek aan de hand van een gevalideerde Pool-se vragenlijst, een reconstructie in aanwezigheid van het college van deskun-digen en de psycholoog en het onderwerpen van de verweerder aan een poly-graaftest, zoals gevraagd door de burgerlijke partijen, waaronder de eisers I tot en met IV; - na te hebben vastgesteld dat de verweerder de feiten omschreven onder de te-lastleggingen A, B en C heeft gepleegd, dit een misdaad en wanbedrijven zijn die de fysieke integriteit van derden aantasten of bedreigen, de verweerder verkeert in de in artikel 9, § 1, Interneringswet bepaalde staat, namelijk dat hij lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast en bij de verweerder het gevaar bestaat dat hij als gevolg van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met ande-re risicofactoren, opnieuw feiten zal plegen die een misdaad of een wanbedrijf uitmaken die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten of be-dreigen, gelast de raadkamer met dezelfde beschikking de internering van de verweerder; - met dezelfde beschikking beslist de raadkamer dat de zaak op burgerlijk ge-bied in voortzetting wordt gesteld naar de rechtszitting van 12 februari 2019; - de eisers I tot en met IV hebben tegen alle beschikkingen van de beslissing van de raadkamer van 21 december 2018 hoger beroep ingesteld en uit de grievenformulieren blijkt dat de interneringsbeslissing zelf tot de grieven be-hoort; - bij arrest van 21 maart 2019 verklaart de kamer van inbeschuldigingstelling te Brussel deze hogere beroepen onontvankelijk; - in zoverre die hogere beroepen zijn gericht tegen de interneringsbeslissing zelf, oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling dat artikel 14 Interne-ringswet een burgerlijke partij weliswaar het recht geeft om hoger beroep in te stellen tegen de bedoelde beslissingen van de raadkamer maar enkel in de mate dat dit haar burgerlijke belangen betreft, dat de interneringsbeslissing een beslissing ten gronde is over de strafvordering, dat zelfs al zou de toere-keningsvatbaarheid van de dader deel uitmaken van het debat over de schuld een burgerlijke partij enkel hoger beroep kan instellen wat betreft haar bur-gerlijke belangen, dat aangezien een interneringsbeslissing veronderstelt dat de als misdrijf omschreven feiten bewezen zijn een burgerlijke partij geen be-lang heeft om tegen die beslissing hoger beroep in te stellen en dat het feit dat de burgerlijke rechtsvorderingen overeenkomstig artikel 1386bis Burgerlijk Wetboek kunnen worden herleid aan een burgerlijke partij weliswaar een be-lang geeft om tegen de beslissing van de raadkamer betreffende de burgerlijke belangen hoger beroep in te stellen, maar niet met betrekking tot de interne-ringsbeslissing zelf die de strafvordering betreft welke uitsluitend door het openbaar ministerie kan worden uitgeoefend; - in zoverre de hogere beroepen betrekking hebben op de beslissing dat de zaak niet in staat van wijzen is en dus geen aanvullend onderzoek noodzakelijk is, de gevraagde onderzoeksdaden betrekking hadden op geestestoestand van de verweerder en zijn toerekeningsvatbaarheid, maar niet de burgerlijke belan-gen van de eisers betreffen, zodat zij daartegen geen hoger beroep kunnen in-stellen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  7. Artikel 416 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat partijen slechts cassa-tieberoep kunnen instellen indien zij daartoe hoedanigheid en belang hebben.
  8. Het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van de ei-sers in zoverre die betrekking hebben op de beslissing op de strafvordering ver-plicht tot een beoordeling van de aangevoerde middelen. Middelen in hun geheel
  9. Het eerste middel voert schending aan van artikel 13 Interneringswet: het arrest verklaart ten onrechte het hoger beroep van de eisers onontvankelijk tegen de weigering bijkomende onderzoeksdaden te bevelen; met het oordeel dat de gevraagde onderzoekshandelingen betrekking hebben op de geestestoestand en de toerekeningsvatbaarheid van de inverdenkinggestelde, voegt het arrest een niet in de wet bepaalde voorwaarde toe; uit de tweede paragraaf van artikel 13 Interneringswet volgt immers dat alle partijen en dus ook de burgerlijke partijen het recht hebben om een verzoekschrift tot bijkomende onderzoekshandelingen neer te leggen, zelfs als de vordering strekt tot internering. Het tweede middel voert schending aan van artikel 14 Interneringswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat een burgerlijke partij geen hoger beroep kan instellen tegen de beslissing van internering; dit artikel bepaalt en dit in tegenstelling met artikel 8 Wet Bescherming Maatschappij dat de partijen of hun advocaat hoger beroep kunnen instellen; een burgerlijke partij heeft wel degelijk belang bij het hoger beroep tegen een interneringsbeslissing; de internering leidt noodzakelijk tot de toepassing van artikel 1386bis Burgerlijk Wetboek, wat tot een beperktere schadeloosstelling kan leiden.
  10. Artikel 14, § 1, eerste zin, Interneringswet bepaalt dat de procureur des Konings en de partijen of hun advocaat voor de kamer van inbeschuldiging-stelling beroep kunnen instellen tegen de beslissingen van de raadkamer. Artikel 18 Interneringswet bepaalt dat de onderzoeks- of vonnisgerechten op grond van de Interneringswet of van artikel 71 Strafwetboek uitspraak doen over de strafvordering en tegelijkertijd uitspraak doen over de bij hen op regelmatige wijze ingestelde burgerlijke rechtsvordering, overeenkomstig artikel 1386bis Burgerlijk Wetboek. Zij kunnen de burgerlijke belangen ook aanhouden over-eenkomstig artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Artikel 82 Interneringswet schrijft voor dat de bepalingen betreffende de vervol-gingen in correctionele zaken en criminele zaken van toepassing zijn op de bij deze wet voorgeschreven procedures, behoudens de afwijkingen die zij bepaalt. Artikel 202, 2°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het recht om hoger be-roep in te stellen toekomt aan de burgerlijke partij, maar alleen wat betreft haar burgerlijke belangen.
  11. Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat een burgerlijke partij weliswaar hoger beroep kan instellen tegen een beslissing van de raadkamer gewezen bij toepassing van de artikelen 9 tot en met 18 Interneringswet, maar enkel wat betreft haar burgerlijke belangen. Noch de tekst van de voormelde bepalingen noch de wetsgeschiedenis ervan noch het feit dat in artikel 8 Wet Bescherming Maatschappij niet werd bepaald dat een burgerlijke partij hoger beroep kon instellen tegen een beslissing van de raadkamer inzake internering, laat toe anders te oordelen.
  12. De beslissing tot internering zelf is een beslissing die valt onder de straf-vordering en een burgerlijke partij beschikt niet over de vereiste hoedanigheid om die beslissing zelf aan te vechten.
  13. De kamer van inbeschuldigingstelling die kennis neemt van het hoger be-roep van een burgerlijke partij tegen een beslissing over de burgerlijke rechts-vordering die is gesteund op feiten waarvoor werd geïnterneerd, is bij de beoor-deling van die burgerlijke rechtsvordering niet gebonden door de interneringsbe-slissing zelf die als beslissing op de strafvordering spijts dit hoger beroep on-aangetast blijft. De kamer van inbeschuldigingstelling zal gelet op dat hoger be-roep en binnen de devolutieve werking ervan de ontvankelijkheid en de gegrond-heid van die burgerlijke rechtsvordering beoordelen. Een interneringsbeslissing heeft dan ook niet noodzakelijk tot gevolg dat de kamer van inbeschuldiging-stelling die gevat is met het hoger beroep van een burgerlijke partij de burgerlij-ke rechtsvordering van die partij dient te beoordelen op grond van artikel 1386bis Burgerlijk Wetboek.
  14. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  15. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de ei-sers bij toepassing van artikel 13, § 2, Interneringswet om bijkomende onder-zoekshandelingen hebben verzocht. In zoverre mist het eerste middel feitelijke grondslag.
  16. Uit de verwerping van de middelen van de eisers I, II, III en IV volgt dat hun cassatieberoepen in zoverre die betrekking hebben op de beslissing op de strafvordering, niet ontvankelijk zijn.
  17. Uit artikel 420, eerste lid en tweede lid, 2°, Wetboek van Strafvordering volgt dat tegen voorbereidende beslissingen of beslissingen van onderzoek slechts cassatieberoep kan worden ingesteld na de eindbeslissing, maar dat on-middellijk cassatieberoep kan worden ingesteld tegen de beslissingen die inzake de burgerlijke rechtsvordering uitspraak doen over het beginsel van aansprake-lijkheid.
  18. Het arrest bevat wat betreft de beslissing over de door de eisers II ingestel-de burgerlijke rechtsvorderingen geen eindbeslissing en het doet evenmin uit-spraak over het beginsel van aansprakelijkheid. In zoverre zijn de cassatieberoepen van de eisers II voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van de cassatieberoepen van de eisers I, III en IV zoals vermeld. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten op 152,71 euro, waarvan eiser I 1,52 euro, de eisers II en III 4,83 euro en eiser IV 1,53 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric de Formanoir en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 29 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191029.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211019.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.