id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 128thans art.
127 - 06 ELI link Pub nr 2010009589 Wet - 29-02-2016 - Art. 18 - 09 ELI link Pub nr 2016009139 Wet - 04-08-1996 - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming - 11-02-1946 - Art. 463, tweede lid Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Vrije woorden: ARAB - Werkgever - Omvang Wettelijke bepalingen:
Art. 128thans art.
127 - 06 ELI link Pub nr 2010009589 Wet - 29-02-2016 - Art. 18 - 09 ELI link Pub nr 2016009139 Wet - 04-08-1996 - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming - 11-02-1946 - Art. 463, tweede lid Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Misdrijf Vrije woorden: ARAB - Werkgever - Rechtspersoon Wettelijke bepalingen:
Art. 128thans art.
127 - 06 ELI link Pub nr 2010009589 Wet - 29-02-2016 - Art. 18 - 09 ELI link Pub nr 2016009139 Wet - 04-08-1996 - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming - 11-02-1946 - Art. 463, tweede lid Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0409.N
- J C, beklaagde,
- METAALWERKEN C EN ZOON bvba, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Bob Boogaers, advocaat bij de balie Antwerpen, met kan-toor te 2460 Lichtaart, Olensteenweg 24, waar de eisers woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 28 maart
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1
- Het arrest neemt voor wat betreft de eiser de strafuitsluitende verscho-ningsgrond aan van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep 1 bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 418 en 419, eerste lid, Strafwetboek: het arrest beantwoordt wat betreft de telastlegging C niet het verweer van de ei-sers dat de eigen fout van het slachtoffer de oorzaak van het ongeval was; het kon dan ook niet wettig besluiten tot de schuld van de eisers aan de telastlegging C zonder daarbij na te gaan of de door de eisers aan het slachtoffer toegeschre-ven fout niet de fout uitsluit die zij zelf hebben begaan.
- Het arrest oordeelt met betrekking tot de telastlegging AIII dat vaststaat dat het slachtoffer op eigen houtje en zonder aanwijsbare reden de tijdelijke schoor heeft losgemaakt en dat dit de primaire oorzaak is van het ongeval. Het stelt evenwel ook vast dat er geen procedure was bepaald betreffende de toelating voor het losmaken van de schoren en acht de telastlegging AIII bewezen ten aan-zien van de beide eisers. Het arrest grondt die beslissing op de vaststelling dat de eisers de werken hebben aangevat zonder zich vragen te stellen over de veilig-heidscoördinatie op de werf, zij een ongeschikt arbeidsmiddel hebben laten aan-wenden om een tijdelijke schoor aan te brengen en er geen instructies werden gegeven aan de werknemers inzake het wegnemen van schoren, zodat er sprake is van het nemen van onvoldoende veiligheidsmaatregelen om ongevallen te vermijden. Het arrest oordeelt verder betreffende het feit van de telastlegging C dat de fei-ten van de telastleggingen AIII en AIV een gebrek aan voorzichtigheid of voor-zorg betreffen in de zin van de artikelen 418 en 419 Strafwetboek, die onopzette-lijk de dood hebben veroorzaakt van het slachtoffer. Met die redenen, gelezen in hun onderlinge samenhang, geeft het arrest te ken-nen dat de fout van het slachtoffer de fouten van de eisers niet uitsluit, beant-woordt het het door het onderdeel bedoelde verweer en verantwoordt het de be-slissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd door, enerzijds, vast te stellen dat het slachtoffer op eigen houtje en zonder aanwijsbare reden het tijdelijke schoor heeft losgemaakt, wat de primaire oorzaak is van het ongeval, en, anderzijds, te oordelen dat de fei-ten van de telastleggingen AIII en AIV een gebrek aan voorzichtigheid of voor-zorg vormen in de zin van de artikelen 418 en 419 Strafwetboek die onopzette-lijk de dood hebben veroorzaakt; die beslissing is minstens dubbelzinnig doordat het nalaat aan te geven waarom de onvoorzichtigheid van het slachtoffer dan wel de primaire oorzaak is van het ongeval maar niet de dood zou hebben veroor-zaakt, dan wel de onvoorzichtigheid van de eisers niet de primaire oorzaak van het ongeval is, maar wel de dood heeft veroorzaakt.
- Het is niet tegenstrijdig aan te nemen, eensdeels, dat het losmaken van de tijdelijke schoor de primaire oorzaak is van het ongeval, en, anderdeels, dat de telastleggingen AIII en AIV een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg vormen die onopzettelijk de dood hebben veroorzaakt. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Het onderdeel verduidelijkt niet in welke lezing het arrest wettig is en in welke andere lezing het onwettig is. In zoverre het onderdeel dubbelzinnigheid in de motivering van het arrest aan-voert, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 463, tweede lid, tweede zin, ARAB: het arrest laat na op te geven hoe de inbreuk op artikel 463, tweede lid, tweede zin, ARAB (telastlegging AIII) kan worden toegerekend aan de eisers; het betreft een gebodsbepaling die een bepaalde ge-draging gebiedt.
- Uit de als geschonden opgegeven wetsbepalingen volgt niet dat de appel-rechters, die de eisers wat betreft de telastlegging AIII schuldig verklaren in de bewoordingen van de strafwet, bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie de beslissing over de toerekening van dit feit aan de eisers nader met redenen dienden te omkleden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 14 Grondwet en artikel 463, tweede lid, tweede zin, ARAB, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel: aangezien deze ARAB-bepaling (telastlegging AIII) enkel de persoon viseert die de handeling materialiter stelt en dus nalaat om de gebodsbepaling die het bevat te respecteren, kan dit misdrijf niet aan de eisers worden toegerekend, zoals het arrest ten onrechte doet; die toerekening is een niet-toegelaten uitbreiding van de strafbaarstelling.
- Artikel 463, tweede lid, tweede zin, ARAB bepaalt dat de in de eerste zin van dit lid bepaalde handelingen slechts mogen worden verricht door bevoegde personen op uitdrukkelijk bevel van de werfleider en onder zijn persoonlijke controle.
- Artikel 128, eerste lid, Sociaal Strafwetboek, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, thans artikel 127, eerste lid, 1°, Sociaal Strafwetboek, be-straft de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een inbreuk hebben gepleegd op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werkne-mers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan.
- Uit deze bepalingen volgt niet dat enkel personen die handelingen hebben gesteld zonder het uitdrukkelijk bevel van de werfleider zich aan deze overtre-ding van deze ARAB-bepaling kunnen schuldig maken. Deze feiten kunnen wel degelijk worden toegerekend aan de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber indien blijkt dat die opzettelijk of door onachtzaamheid verantwoordelijk zijn voor het niet respecteren van deze verplichting en dit ongeacht of zij rechtsper-sonen zijn. Dit houdt geen niet-toegelaten uitbreiding in van de strafbaarstelling of een miskenning van het legaliteitsbeginsel. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric de Formanoir en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 29 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240626.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div