← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.4 Rolnummer: P.19.0503.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 310 - laatst gezien 2026-06-28 06:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het bestreden vonnis dat een rechtspersoon wegens inbreuk op de artikelen 29 en 41, §1, 4° Wet Goederenvervoer veroordeelt tot een geldboete van 500 euro, waarvan de helft met uitstel voor een duur van één jaar, schendt art. 41bis Strafwetboek door te veroordelen tot een hogere geldboete dan het maximum. Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Vrije woorden: Rechtspersonen - Grenzen Wettelijke bepalingen: Wet - 15-07-2013 - Artt. 29 en 41, § 1, 4° - 22 ELI link Pub nr 2013014763 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 41bis, § 1, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.19.0503.N TRANSPORT LEYSEELE bvba, met zetel te 8730 Beernem, Tinhoutstraat 185, beklaagde en burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Mathias Dendievel, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 8 april

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. De burgerrechtelijk aansprakelijke partij is krachtens artikel 427 Wetboek van Strafvordering verplicht haar cassatieberoep te laten betekenen aan de partijen tegen wie het is gericht.
  3. Het bestreden vonnis verklaart de eiseres burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de kosten van de strafvordering waartoe A.V. werd veroordeeld. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep van de eiseres niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 12 en 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 2 en 29, § 1, van de wet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoeronderneming uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt van het internationaal goederenvervoer over de weg (hierna Wet Goederenvervoer): het bestreden vonnis verklaart de eiseres ten onrechte schuldig aan de enige telastlegging; de Wet Goederenvervoer is niet toepasselijk op het vervoer voor eigen rekening dat wordt uitgevoerd door een voertuig ingeschreven binnen de Europese Unie; het bestreden vonnis stelt vast dat het in deze zaak bezoldigd zakenvervoer betreft voor rekening van de eiseres zoals vastgesteld door de verbalisanten ter plaatse; daaruit volgt dat de eiseres een vervoer voor eigen rekening heeft uitgevoerd, terwijl een dergelijk vervoer buiten het toepassingsgebied van de Wet Goederenvervoer valt; daardoor is het bestreden vonnis ook tegenstrijdig gemotiveerd aangezien artikel 2 Wet Goederenvervoer bepaalt dat goederenvervoer, ofwel tegen vergoeding (artikel 2, 1°), ofwel voor eigen rekening (artikel 2, 3°) wordt verricht.
  5. In zoverre het middel aanvoert dat het vervoer werd uitgevoerd met een voertuig dat is ingeschreven binnen de Europese Unie, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
  6. Met het oordeel dat het bezoldigd zakenvervoer betrof voor rekening van de eiseres geeft het bestreden vonnis enkel te kennen dat het vervoer werd uitgevoerd voor rekening van de eiseres door haar werknemer die hiervoor bezoldigd was en niet dat het vervoer werd uitgevoerd voor eigen rekening. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  7. Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit deze onjuiste lezing. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 8 van de Verordening nr. 11 van 27 juni 1960 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap ter uitvoering van artikel 79, derde lid, van het verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de opheffing van discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoervoorwaarden (hierna Verordening nr. 11) en artikel 29, § 1, Wet Goederenvervoer, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het bestreden vonnis grondt de verwerping van de door de eiseres ingeroepen niet-toepassing overeenkomstig artikel 8 Verordening nr. 11 louter op de afwezigheid van een gekende identiteit van de afzender en de geadresseerde, terwijl die onwetendheid niet aan de eiseres kan worden verweten maar de bewijslast betreffende de feiten op het openbaar ministerie rust; aldus keert het bestreden vonnis de bewijslast om.
  9. Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel keert het bestreden vonnis de bewijslast niet om, maar geeft het enkel te kennen dat de eiseres de door haar ingeroepen grond van niet-toepasselijkheid van de Verordening nr. 11 niet aannemelijk maakt. Het bestreden vonnis miskent dan ook niet het vermoeden van onschuld waarvan de eiseres geniet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis beantwoordt niet het verweer van de eiseres dat het openbaar ministerie niet voldoet aan de op haar rustende bewijslast dat er aan de voorschriften van de Verordening nr. 11 en dus ook die welke zijn bepaald in artikel 8 is voldaan.
  11. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel heeft het bestreden vonnis wel degelijk de aanvoering van de eiseres over de niet-toepasselijkheid van de Verordening nr. 11 beantwoord. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd waar het enerzijds oordeelt dat niet kan worden vastgesteld of de vervoerde goederen aan eenzelfde geadresseerde werden verzonden en anderzijds vaststelt dat het een transport van één container betreft; inherent aan een container is dat die onsplitsbaar is en dus maar aan een geadresseerde kan worden verzonden.
  13. De omstandigheid dat slechts één container wordt vervoerd, sluit niet uit dat de inhoud van die container kan bestemd zijn voor meerdere geadresseerden. De beide door het onderdeel geviseerde oordelen zijn niet tegenstrijdig. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 Verordening nr. 11 en artikel 29, § 1, Wet Goederenvervoer: uit de motivering van het bestreden vonnis volgt dat de afzender en de geadresseerde noodzakelijkerwijze een en dezelfde persoon betreffen: het is immers inherent aan het vervoer van een container dat die slechts één afzender en één enkele geadresseerde kan hebben. Indien het Hof van oordeel is dat de verordeningsbepaling onduidelijk is, wordt gevraagd de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: "Dient de formulering van artikel 8, a), van de verordening n° 11 van 27.06.1960 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap ter uitvoering van artikel 79, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de opheffing van discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoervoorwaarden, waarin wordt gesteld dat het vervoer van goederen dewelke door een afzender aan eenzelfde geadresseerde worden verzonden is vrijgesteld van de verplichting tot het opmaken van een vrachtbrief indien het totaalgewicht van de goederen de vijf ton niet te boven gaat, te worden gelezen in die zin dat alle goederen samen (naar) van één afzender naar één geadresseerde (verschillend van de afzender) dienen te worden verzonden, dan wel dat de goederen van één zelfde afzender naar diezelfde geadresseerde dienen te worden verzonden?".
  15. Het bestreden vonnis oordeelt niet dat voor de toepassing van artikel 8, a), Verordening nr. 11 de afzender en de geadresseerde noodzakelijk dezelfde persoon moeten zijn. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag.
  16. Gelet op die onjuiste lezing van het bestreden vonnis is er geen grond om het Hof van Justitie van de Europese Unie te bevragen zoals voorgesteld. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 41bis Strafwetboek; - de artikelen 29 en 41, § 1, 4°, Wet Goederenvervoer.
  17. Volgens artikel 41bis, § 1, tweede lid, derde gedachtestreepje, Strafwetboek is de minimum en de maximum geldboete voor een rechtspersoon voor een wanbedrijf waarop enkel een geldboete is gesteld, gelijk aan die welke geldt voor een natuurlijke persoon.
  18. Artikel 41, § 1, 4°, Wet Goederenvervoer bestraft de door artikel 29 van deze wet vastgestelde verplichting een vrachtbrief op te maken en de eventueel daarmee gepaard gaande door de Koning vastgestelde bijkomende regels met een geldboete van 50 euro tot 250 euro.
  19. Het bestreden vonnis veroordeelt door bevestiging van het beroepen vonnis de eiseres voor de bewezen verklaarde inbreuk op de artikelen 29 en 41, § 1, 4°, Wet Goederenvervoer tot een geldboete van 500,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemes of 4.000,00 euro, waarvan de helft met uitstel voor een duur van één jaar. Door de eiseres te veroordelen tot een hogere geldboete dan het maximum schendt het bestreden vonnis de vermelde bepalingen. Omvang van de cassatie
  20. De vernietiging van de aan de eiseres opgelegde geldboete leidt tot de vernietiging van het gedeeltelijk verleende uitstel van tenuitvoerlegging van die geldboete en de veroordeling tot de bijdragen, maar laat de schuldigverklaring onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis enkel in zoverre het de eiseres veroordeelt tot straf en de bijdragen. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiseres tot vier vijfden van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 177,60 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric de Formanoir en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 29 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.