← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.6 Rolnummer: P.19.0776.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 670 - laatst gezien 2026-06-29 08:40 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter die vaststelt dat de vereiste van de redelijke termijn is miskend, oordeelt onaantastbaar op welke wijze die miskenning moet worden geremedieerd; bij die beoordeling kan de rechter onder meer de ernst van de overschrijding van de redelijke termijn-vereiste alsook de noodzaak voor de samenleving om alsnog de bewezen verklaarde feiten te bestraffen, in aanmerking nemen; uit artikel 6.1 EVRM of uit art. 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgt niet de verplichting om bij die beoordeling de oorzaak van de overschrijding van de redelijke termijn in aanmerking te nemen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn - Overschrijding - Gevolg - Beoordeling Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Redelijke termijn - Overschrijding - Gevolg - Criteria van beoordeling Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0776.N I S R Y V, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kan-toor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlaan 122, waar de eiseres woon-plaats kiest, II D C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, III P V D B, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 5, waar de eiser woonplaats kiest, de cassatieberoepen I en III tegen

  1. M M, in eigen naam en als wettelijke vertegenwoordiger van de minderjari-ge B V D B, burgerlijke partij,
  2. E M, burgerlijke partij,
  3. A V W, burgerlijke partij,
  4. J M, in eigen naam en als wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige S M, burgerlijke partij,
  5. K M, in eigen naam en als wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige S M, burgerlijke partij,
  6. K V D S, burgerlijke partij,
  7. L B, burgerlijke partij,
  8. M V D B, burgerlijke partij,
  9. J H, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en III zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 juni 2019 (hierna het arrest II). Het cassatieberoep II is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 12 november 2018 (hierna het arrest I) en 18 juni 2019 (hierna het arrest II). De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  10. De cassatieberoepen I en III tegen de door het arrest II genomen beslissin-gen op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders 4 en 5 zijn ingesteld vóór het verstrijken van de gewone termijn van verzet en bij toepassing van de artikelen 420 en 424 Wetboek van Strafvordering bijgevolg niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie van de eiseres I
  11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de me-morie van de eiseres I per aangetekende post werd overgemaakt aan de verweer-ders. In zoverre de memorie ook grieven aanvoert tegen de beslissingen op de burger-lijke rechtsvorderingen van de verweerders 1, 2, 3, 6, 7, 8 en 9, is ze niet ontvan-kelijk. Middel van de eiseres I
  12. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede misken-ning van het motiveringsbeginsel: het arrest maakt slechts melding van de om-standigheid dat niettegenstaande de redelijke termijn is overschreden, het recht van verdediging van de eiseres I niet is miskend; er is acht jaar verstreken sinds de feiten en de rechtspleging ten gronde heeft drie jaar geduurd; de lange duur van de rechtspleging is niet aan de eiseres I te wijten; het arrest beoordeelt het overschreden zijn van de redelijke termijn verkeerd door er geen noodzakelijk gevolg aan te verbinden, namelijk dat het recht van verdediging van de eiseres I is miskend; haar recht van verdediging is wel degelijk miskend; de appelrechters hebben ten onrechte de redelijke termijn slechts beoordeeld op grond van een goede rechtsbedeling en het strafonderzoek, zonder in te gaan op de psyche van de eiseres I en zonder duidelijk te motiveren waarom het recht van verdediging niet werd miskend.
  13. De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn waarbinnen over een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging moet zijn beslist, is over-schreden. Hij beoordeelt dit in zijn geheel, over de hele duur van de rechtsple-ging en neemt daartoe de concrete omstandigheden van de zaak in aanmerking, zoals en onder meer de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van de gerechtelijke overheid en het belang dat de zaak heeft voor de beklaagde.
  14. Behoudens afwezigheid van daartoe strekkende conclusie is de rechter daarbij niet ertoe gehouden voor elke van de in aanmerking te nemen omstan-digheden te bepalen welke de invloed ervan is geweest op het overschreden zijn van de redelijke termijn.
  15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  16. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, of opkomt tegen de onaantastbare beoordeling door het ar-rest II betreffende de overschrijding van de redelijke termijn, is het niet ontvan-kelijk.
  17. Met de redenen die het arrest II bevat, verantwoordt het naar recht de be-slissing betreffende de overschrijding van de redelijke termijn. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  18. De rechter oordeelt onaantastbaar of een overschrijding van de redelijke termijn het recht van een verdediging van een beklaagde heeft miskend. Bij die beoordeling dient hij niet de impact van een overschrijding op de psyche van een beklaagde te betrekken.
  19. Bij afwezigheid van conclusie dient de rechter zijn oordeel over de impact van de overschrijding van de redelijke termijn op het recht van verdediging van een beklaagde niet nader met redenen te omkleden.
  20. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  21. Het arrest II stelt wel degelijk vast dat door de aangenomen overschrijding van de redelijke termijn het recht van verdediging van de eisers niet onherroepe-lijk is miskend. Het oordeelt dat de bewijsvoering van de beklaagden en dus ook de eiseres I niet is aangetast, het strafonderzoek zeer uitvoerig en grondig werd gevoerd, het alle vaststellingen bevat nodig en nuttig voor de beoordeling van het telastegelegde en de beklaagden waaronder de eiseres over al deze elementen uitgebreid tegenspraak hebben kunnen voeren en het bewijsmateriaal niet is te-loorgegaan of door het tijdsverloop is gewijzigd. Met die redenen omkleedt het arrest II de beslissing dat de overschrijding van de redelijke termijn het recht van verdediging van de eiseres I niet heeft aangetast regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser II
  22. Het middel dat gericht is tegen het arrest I, voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest I oordeelt dat het eerste en het tweede verhoor van de eiser II uit het debat moeten worden geweerd; het oordeelt verder dat de andere verklaringen, die eveneens door de eiser II zonder bijstand van een advocaat werden afgelegd en voortvloeien uit het eerste ver-hoor, dat wel werd geweerd, niet moeten worden geweerd uit het debat; de appel-rechters laten na de causaliteit tussen het eerste en het tweede verhoor enerzijds, en de navolgende verhoren anderzijds te beoordelen; deze verhoren vormen nochtans voor de appelrechters een grond om bepaalde verzachtende omstandig-heden die de eiser II aanvoerde in zijn voordeel niet te aanvaarden.
  23. Het arrest I (p. 22) beslist op grond van de redenen die het bevat (p. 17-18) dat de verklaringen van de eiser II van 29 juli 2011 en 30 juli 2011 uit het debat worden geweerd en er met die verhoren geen rekening zal worden gehouden. Het arrest I (p. 22) beslist tevens op grond van de redenen die het bevat (p. 18) dat de door de eiser II na 30 juli 2011 afgelegde verklaringen niet uit het debat worden geweerd. Uit het geheel van de vermelde redenen volgt dat de appelrechters van oordeel zijn dat de na 30 juli 2011 afgelegde verklaringen niet het gevolg zijn van de geweerde verklaringen. Zij onderzoeken aldus wel degelijk de causali-teitsvraag en geven te kennen dat die causaliteit er niet is. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest I, mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser II
  24. Het middel dat gericht is tegen het arrest II, voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en de motiveringsver-plichting. Eerste onderdeel
  25. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters het tijdsverloop tussen de fei-ten en de behandeling voor de rechter aannemen als oorzaak voor de overschrij-ding van de redelijke termijn en het door het arrest II verleende rechtsherstel re-kening houdt met dit tijdsverloop, maar evenwel nalaten te antwoorden op de aanvoering van de eiser II dat ook de houding van het openbaar ministerie mede-oorzaak is voor het overschreden zijn van de redelijke termijn.
  26. Het arrest II neemt bij de beoordeling van de redelijke termijn-vereiste de buitensporige vertraging (p. 21) en het onverantwoord lang aanslepen van de zaak (p. 22) in aanmerking. Aldus beantwoordt het arrest II het verweer van de eiser II over de verschillende periodes van stilstand tijdens het onderzoek en de houding van het openbaar ministerie, zonder dat het specifiek diende in te gaan op het aspect van de houding van het openbaar ministerie dat slechts werd aan-gevoerd als een argument ter staving van het redelijke termijn-verweer zonder een zelfstandig verweer te vormen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  27. Het onderdeel voert aan dat het arrest II in het algemeen vaststelt dat de re-delijke termijn voor de behandeling van de zaak is overschreden, gelet op het tijdsverloop tussen de feiten en de behandeling van de zaak, maar dat het geen acht slaat op de houding van de vervolgende overheid die door de eiser II werd aangevoerd; het aan de eiser II verleende rechtsherstel is niet gebaseerd op de houding die het openbaar ministerie heeft aangenomen; aldus beperken de appel-rechters de omvang van het rechtsherstel in functie van het overschreden zijn van de redelijke termijn zonder rekening te houden met de houding en het gedrag van het openbaar ministerie.
  28. De rechter die vaststelt dat de redelijke termijn-vereiste is miskend, oord-eelt onaantastbaar op welke wijze die miskenning moet worden geremedieerd. Bij die beoordeling kan de rechter onder meer de ernst van de overschrijding van de redelijke termijn-vereiste alsook de noodzaak voor de samenleving om alsnog de bewezen verklaarde feiten te bestraffen in aanmerking nemen. Uit artikel 6.1 EVRM of uit artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgt niet de verplichting om bij die beoordeling de oorzaak van de overschrijding van de redelijke termijn in aanmerking te nemen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Middel van de eiser III
  29. Het middel voert schending aan van de artikelen 6, 7 en 14 EVRM, de arti-kelen 14, 15 en 25 IVBPR, de artikelen 10, 11, 12, 13, 14, 23 en 150 Grondwet en artikel 216novies Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces, het recht op toegang tot de door de wet aangewezen rechter, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, het wettigheidsbegin-sel in strafzaken, het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Eerste onderdeel
  30. Het onderdeel voert aan dat de schuldigverklaring van de eiser III en zijn bestraffing en veroordeling tot schadevergoeding volgt uit een proces dat wezen-lijk verschilt van het proces dat hij zou hebben gehad voor zijn natuurlijke rech-ter, dat het hof van assisen is en is daarom in strijd met de door het middel aan-gehaalde wetsbepalingen en beginselen.
  31. Het onderdeel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest II de vermelde bepalingen schendt en beginselen miskent. Het onderdeel is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  32. Het onderdeel voert aan dat het getuigenverhoor van dr. Lieve Dams niet werd behandeld met dezelfde rechten en waarborgen die de eiser II zou hebben gehad bij de behandeling door het hof van assisen; deze getuige, die niet is ver-schenen op een rechtszitting, had het voorwerp kunnen uitmaken van dwang-maatregelen en had onder ede kunnen worden gehoord, de raadslieden hadden de getuigen vragen kunnen stellen en een volwaardig mondeling debat had mogelijk geweest; door de eiser II schuldig te verklaren zonder hierbij de betrokken getui-ge te horen, schendt het arrest II de in het middel aangevoerde bepalingen en miskent het de aangevoerde rechtsbeginselen.
  33. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan: - blijkt dat op de openbare rechtszitting van 18 februari 2019, nadat de getuige tevergeefs was opgeroepen of gedagvaard, het openbaar ministerie werd ver-zocht de politie opdracht te geven om enkele vragen te stellen aan prof. dr. Lieve Dams voorgesteld door de verdediging van de eiser III en de zaak voor verdere behandeling werd gesteld op de openbare rechtszitting van 6 mei 2019; - blijkt niet dat de eiser III op de openbare rechtszitting van 6 mei 2019 de ap-pelrechters heeft verzocht om dr. Lieve Dams alsnog op die openbare rechts-zitting te horen als getuige of de appelrechters heeft verzocht die maatregelen te nemen opdat deze getuige desgevallend onder dwang zou kunnen worden ondervraagd onder eed, op een wijze die vergelijkbaar is met de ondervraging van een getuige voor het hof van assisen. Het onderdeel is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  34. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 517,62 euro waarvan de eisers I en III elk 143,94 euro verschuldigd zijn en de eiser II 229,74 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric de Formanoir en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 29 oktober 2019 uitgesproken door waarne-mend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230315.2F.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.