← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.8 Rolnummer: P.19.1036.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 758 - laatst gezien 2026-06-28 12:04 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het arrest dat oordeelt dat artikel 26, § 4, Voorlopige Hechteniswet niet voorziet in de mogelijkheid voor het openbaar ministerie om hoger beroep in te stellen tegen het behoud van de voorlopige hechtenis en dit ongeacht de modaliteit van uitvoering en dat de wijze waarop het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld niet bij wet is bepaald zodat dit hoger beroep niet ontvankelijk is, verantwoordt die beslissing naar recht. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - REGELING VAN DE RECHTSPLEGING Vrije woorden: Hoger beroep van het openbaar ministerie - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 26, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Modaliteit van elektronisch toezicht - Hoger beroep van het openbaar ministerie - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 26, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1036.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, eiser, tegen H E, inverdenkinggestelde, aangehouden, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert miskenning aan van het algemeen vorderingsrecht van het openbaar ministerie en de algemene beginselen van het strafprocesrecht: het arrest dat oordeelt dat de leemte die ingevolge het arrest nr. 148/2017 van het Grondwettelijk Hof van 21 december 2017 door de raadkamer wordt ingevuld door bij de regeling van de rechtspleging bij afzonderlijke beschikking de voorlopige hechtenis van de verdachte die tot op dat ogenblik in de gevangenis ver-bleef, te handhaven onder de modaliteit van het elektronisch toezicht, verklaart ten onrechte het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen deze beslissing van de raadkamer onontvankelijk omdat de wet enkel een hoger beroep tegen een invrijheidstelling toelaat; het openbaar ministerie kan immers hoger beroep instellen tegen elke beslissing die de strafvordering schade kan berokkenen of de berechting ervan in het gedrang kan brengen.
  3. In zoverre het middel niet verduidelijkt welke algemene beginselen van het strafprocesrecht het arrest miskent, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  4. Uit de regel dat het openbaar ministerie verantwoordelijk is voor de uitoefening van de strafvordering volgt niet dat het openbaar ministerie rechtsmiddelen kan instellen die niet bij wet zijn bepaald. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Artikel 132, 1°, van de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Pot-pourri II-wet) heeft artikel 26, § 3, Voorlopige Hechteniswet aangevuld met de volgende bepaling: "Indien de verdachte in hechtenis onder elektronisch toezicht staat, kan de raadkamer bij een met redenen omklede beslissing de hechtenis onder elektronisch toezicht handhaven." Aldus heeft de wetgever bepaald dat de raadkamer ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht kon handhaven, maar voorzag hij niet erin dat de raadkamer bij de regeling van de rechtspleging kon beslissen om de voor-lopige hechtenis welke werd uitgevoerd in een gevangenis te handhaven als een voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht.
  6. Bij arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 heeft het Grondwettelijk Hof artikel 132, 1°, Potpourri II-wet vernietigd in zoverre het de raadkamer, uitspraak doende in het stadium van de regeling van de rechtspleging, niet toelaat aan de inverdenkinggestelde die tijdens de voorlopige hechtenis in een strafinrichting verblijft, het voordeel van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht toe te kennen. Volgens het Grondwettelijk Hof: - valt het niet te verantwoorden dat de onderzoeksgerechten in het stadium van de regeling van de rechtspleging niet kunnen beslissen een inverdenkinggestelde die tijdens de voorlopige hechtenis in een strafinrichting verblijft onder elektronisch toezicht te plaatsen, terwijl zij in hetzelfde stadium kunnen beslissen die modaliteit voor de uitvoering van de voorlopige hechtenis te handhaven ten aanzien van een inverdenkinggestelde die reeds onder elektronisch toezicht staat en zij eveneens kunnen beslissen de inverdenkinggestelde die tot dan in voorlopige hechtenis was, in voorkomend geval onder voorwaarden, in vrijheid te stellen; - zijn de onderzoeksgerechten bij de regeling van de rechtspleging immers bevoegd om uitspraak te doen over het al dan niet handhaven van de voor-lopige hechtenis in een strafinrichting of onder elektronisch toezicht en te onderzoeken of het op dat ogenblik verantwoord is de betrokkene in voorlopige hechtenis te houden en onder welke modaliteiten; - is het niet verantwoord dat de onderzoeksgerechten, wanneer zij bij die gelegenheid vaststellen dat de inverdenkinggestelde voldoet aan de voorwaarden om het elektronisch toezicht te genieten, niet kunnen beslissen hem die modaliteit toe te kennen.
  7. Het staat aan de rechter elke leemte in de wet waarvan het Grondwettelijk Hof de ongrondwettigheid heeft vastgesteld in te vullen, alsook elke leemte die hieruit voortvloeit, wanneer de rechter aan die leemten in het kader van de bestaande wetsbepalingen kan verhelpen om de wet in overeenstemming te brengen met de artikelen 10 en 11 Grondwet.
  8. De voorlopige hechtenis uit te voeren in de gevangenis en de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht zijn uitvoeringsmodaliteiten van een daadwerkelijke voorlopige hechtenis. De voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht is te onderscheiden van de invrijheidstelling al dan niet onder voorwaarden.
  9. Artikel 26 Voorlopige Hechteniswet bepaalt de beslissingen die de raadkamer betreffende de voorlopige hechtenis kan nemen bij de regeling van de rechtspleging. Uit artikel 26, § 4, Voorlopige Hechteniswet volgt dat het openbaar ministerie hoger beroep kan instellen indien uit de beschikking van de raadkamer de invrijheidstelling van de inverdenkinggestelde volgt. Het openbaar ministerie kan evenwel geen hoger beroep instellen tegen de be-slissing van de raadkamer tot handhaving van de voorlopige hechtenis uit te voeren in een gevangenis. Uit artikel 26, § 4, Voorlopige Hechteniswet volgt dat ook tegen de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht door het openbaar ministerie geen hoger beroep kan worden ingesteld.
  10. De invulling van de uit het arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 van het Grondwettelijk Hof voortvloeiende leemte, als gevolg van de vernietiging van artikel 132, 1°, Potpourri II-wet, om binnen het bestaande wettelijk kader van artikel 26 Voorlopige Hechteniswet aan de vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen vereist niet dat de rechter aanneemt dat het openbaar ministerie hoger beroep kan instellen tegen de beslissing van de raadkamer om bij de regeling van de rechtspleging bij afzonderlijke beschikking te beslissen dat de voorlopige hechtenis die tot dan in een gevangenis werd uitgevoerd, verder zal worden uitgevoerd onder elektronisch toezicht.
  11. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. Het arrest dat oordeelt dat artikel 26, § 4, Voorlopige Hechteniswet niet voorziet in de mogelijkheid voor het openbaar ministerie om hoger beroep in te stellen tegen het behoud van de voorlopige hechtenis en dit ongeacht de modali-teit van uitvoering en dat de wijze waarop het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld niet bij wet is bepaald zodat dit hoger beroep niet ontvankelijk is, verantwoordt die beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  13. Voor het overige is het middel gericht tegen redenen die de bestreden beslissing niet schragen en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 16,50 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric de Formanoir en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 29 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200108.2F.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.