id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.9 Rolnummer: P.19.1039.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 575 - laatst gezien 2026-06-29 04:18 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het dossier dat ter gelegenheid van de beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis ter inzage wordt gelegd, moet in beginsel volledig zijn en dient dan ook in de regel die stukken te bevatten waarover de onderzoeksrechter zelf beschikt
(1); daaruit volgt evenwel niet dat de onderzoeksrechter door hem uitgeschreven maar nog niet uitgevoerde kantschriften aan het dossier moet toevoegen, daar die verplichting immers een efficiënte uitvoering ervan in het gedrang zou kunnen brengen.
(1)Zie Cass. 27 november 2013, AR P.13.1841.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131127.4, AC 2013, nr. 638, RW 2014-15, 1376, Cass. 1 oktober 2013, AR P.13.0561.N, AC 2013, nr.
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INZAGE VAN HET DOSSIER Vrije woorden: Volledigheid van het dossier - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 56, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1039.N P C, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Gert Warson, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 56, § 1, Wetboek van Strafvor-dering en artikel 22, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: met het oordeel dat de kantschriften pas aan het dossier werden gevoegd op het moment dat de uitvoeringsstukken van die kantschriften de onderzoeksrechter en de griffie be-reikten en niet vanaf de datum van het uitschrijven van deze kantschriften en het inzagerecht van de eiser daardoor niet werd miskend, verantwoorden de appel-rechters hun beslissing niet naar recht; voor de appelrechters had de eiser aange-voerd dat zijn recht van verdediging was miskend en daarom de voorlopige hech-tenis moest worden opgeheven, aangezien bleek dat het dossier bij de vorige ver-schijningen voor de onderzoeksgerechten niet volledig was; de onderzoeksrech-ter had dertien kantschriften die alle dateren van vier maanden geleden slechts bij de laatste verschijning voor de kamer van inbeschuldigingstelling bij het dos-sier gevoegd; deze kantschriften houden alle verband met de handhaving van de voorlopige hechtenis.
- Het dossier dat ter gelegenheid van de beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis ter inzage wordt gelegd, moet in beginsel volledig zijn. Het dient dan ook in de regel die stukken te bevatten waarover de onderzoeks-rechter zelf beschikt.
- Daaruit volgt evenwel niet dat de onderzoekrechter door hem uitgeschre-ven maar nog niet uitgevoerde kantschriften aan het dossier moet toevoegen. Die verplichting zou immers een efficiënte uitvoering ervan in het gedrang kunnen brengen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest stelt vast dat de door het middel geviseerde kantschriften alle kantschriften betreffen die werden gevoegd aan het strafdossier samen met de uitvoeringsstukken, nadat die uitvoeringsstukken aan de onderzoeksrechter wer-den toegezonden. Het stelt ook vast dat uit niets blijkt dat het openbaar ministe-rie en de onderzoeksgerechten zelf eerder toegang hadden tot deze uitvoerings-stukken met inbegrip van de kantschriften. Aldus verantwoordt het naar recht de beslissing dat een schending van artikel 56, § 1, Wetboek van Strafvordering en een miskenning van het recht van verdediging van de eiser niet voorligt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 94,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric de Formanoir en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 29 oktober 2019 uitgesproken door waarne-mend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131127.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div