id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.2 Rolnummer: P.19.0426.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Unierecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-07 Raadplegingen: 747 - laatst gezien 2026-06-29 07:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Een informaticasysteem zoals bedoeld in artikel 39bis Wetboek van Strafvordering, zoals in 2012 van toepassing, is een systeem voor de opslag, verwerking of overdracht van gegevens; daartoe kan een gegevensbank behoren met de gebruikshistoriek van een website; zo voor een netwerkdoorzoeking enkel de onderzoeksrechter bevoegd is, gelet op artikel 88ter Wetboek van Strafvordering; vereisen artikel 7 Handvest van de Grondrechten van de EU, artikel 8 EVRM en artikel 22 Grondwet als dusdanig niet dat een informaticadoorzoeking wordt uitgevoerd door een onderzoeksrechter; artikel 39bis Wetboek van Strafvordering vormt een wettelijke uitzondering op de in artikel 28bis, §3 Wetboek van Strafvordering bepaalde regel dat opsporingshandelingen gesteld onder leiding en het gezag van de bevoegde procureur des Konings geen miskenning mogen inhouden van individuele rechten en vrijheden; bijgevolg vereist een informaticadoorzoeking geen rechterlijke tussenkomst en impliceert het ontbreken van een dergelijke tussenkomst geen miskenning van het recht op privacy. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Zoeking in een informaticasysteem - Begrip Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Zoeking in een informaticasysteem - Voorwaarde Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie - Eerbiediging van het privéleven - Informaticadoorzoeking - Voorwaarde Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 Vrije woorden: Recht op eerbiediging van het privéleven - Informaticadoorzoeking - Voorwaarde Fiche 5 Voor een veroordeling wegens heling dient vast te staan dat de geheelde zaak is verkregen door een misdaad of een wanbedrijf; niet vereist is dat de veroordelende beslissing een nadere omschrijving bevat van die misdaad of dat wanbedrijf
(1), dat de dader ervan bekend is of dat de identiteit van de eigenaar van de geheelde zaak vaststaat; de rechter oordeelt op grond van de aan tegenspraak onderworpen feiten onaantastbaar of die zaak met zekerheid, dit wil zeggen zonder redelijke twijfel, afkomstig is van een misdaad of een wanbedrijf.
(1)Cass. 9 juni 1999, AR P.99.0231.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.19, AC 1999, nr.
- Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Materieel bestanddeel - Algemeen Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0426.N F M B G, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Renaud Vercaemst, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 3 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest spreekt de eiser vrij van de telastleggingen A, B, C, behalve C.1, vierde streepje, en D. In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: enerzijds oordeelt het arrest dat het "zeer plausibel is dat een anonieme tipgever die goed vertrouwd was met het reilen en zeilen van de [eiser] [de initiële informatie, voorwerp van het aanvankelijk proces-verbaal van 20 september 2010,] verschafte. Aangezien vrij kort daarop de naam van [H.K.] in het dossier opduikt, met wie de [eiser] - zoals later uit het dossier zou blijken - na een eerdere samenwerking een zwaar getroebleerde verstandhouding had, lijkt het niet onlogisch te veronderstellen dat dit de figuur was die in een eerste fase anoniem bezwarende informatie aan de politiediensten heeft doorge-speeld"; anderzijds onderschrijft het arrest de motivering van de kamer van in-beschuldigingstelling van 3 februari 2015, die eisers verzoek tot het bevelen van bijkomende onderzoekshandelingen verwierp op grond dat "het onderzoek [...] niet uitgaat van een beweerde associatie tussen [H.K.] en [de eiser]" en dat "de herkomst van deze bekomen informatie [...] aan de hand van de gegevens en de chronologie van de bewijsgaring in het strafdossier duidelijk [is] na te gaan"; aldus baseren de appelrechters de beslissing op tegenstrijdige motieven.
- Artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek is van toepassing ingeval van te-genstrijdige beschikkingen in het dictum van een rechterlijke beslissing en niet ingeval van tegenstrijdigheid tussen de redenen van die beslissing onderling. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 3 februari 2015 weigerde in te gaan op eiser verzoek tot het bevelen van bijkomende onder-zoekshandelingen met het oog op het verkrijgen van informatie over het straf-rechtelijk verleden van H.K. en over de verkoop van wagens door Informex nv, in essentie omdat aan H.K. geen strafrechtelijke betrokkenheid bij de feiten wordt verweten en omdat de herkomst van de door de eiser gekochte wagens duidelijk kan worden nagegaan aan de hand van de in het strafdossier aanwezige onderzoeksgegevens.
- Het is niet tegenstrijdig, eensdeels, die redenen te onderschrijven en op grond daarvan te oordelen dat het onderzoek volledig is en, anderdeels, te oorde-len dat H.K. mogelijks de anonieme bron is op wiens informatie het aanvankelijk proces-verbaal steunt. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna Handvest), artikel 8 EVRM, artikel 22 Grondwet en artikel 28bis, § 3, Wetboek van Strafvordering: het arrest ver-werpt eisers verweer dat het doorzoeken van elektronische gegevens, in casu de gegevensbank van Informex nv, een inbreuk vormt op zijn privacy omdat dit en-kel regelmatig kan gebeuren door een rechterlijke tussenkomst, meer bepaald door middel van een bevel tot huiszoeking; het oordeelt dat eisers bedoelde ver-weer zinledig is op grond van de enkele reden dat de doorzoeking kaderde binnen een opsporingsonderzoek; aldus laat het arrest na te onderzoeken of het verzame-len van de bedoelde informatie een bij de wet vastgesteld en in de strafprocedure noodzakelijk onderzoeksmiddel is en of het gebruik van het met dat middel ver-kregen bewijs eveneens bij wet is toegestaan en noodzakelijk is. De eiser vraagt ondergeschikt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: "Volstaat het, in het licht van artikel 7 EU Handvest iuncto artikel 8 EVRM, het beginsel van rechtmatigheid, evenre-digheid en doelbinding (artikel 3.1 Kaderbesluit 2008/977/JBZ, zoals overgeno-men in artikel 4.1 Richtlijn 2016/680) voor het verzamelen door de politie van privégegevens bij derden, zoals bij een private onderneming (in casu IN-FORMEX NV) in het kader van een opsporingsonderzoek dat zich richt op het bestrijden van vermeende misdrijven bij de intracommunautaire verkoop van voertuigen, dat de politie hiervoor wordt geruggesteund door het openbaar mi-nisterie, opdat elke argumentatie omtrent privacy-schendingen zinledig wordt, of dient de nationale rechter - die wordt gevraagd de regelmatigheid van dit onder-zoek te controleren - steeds en uitdrukkelijk te onderzoeken of, ten eerste, de infogaring bij de wet vastgestelde en in de strafprocedure noodzakelijke onder-zoeksmiddelen waren en, ten tweede, of het gebruik van de met deze middelen verkregen bewijzen eveneens bij wet was toegestaan en noodzakelijk was?"
- Krachtens artikel 28bis, § 1, eerste en derde lid, Wetboek van Strafvorde-ring is het opsporingsonderzoek het geheel van de handelingen die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering. Het wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de bevoegde procureur des Ko-nings, die de verantwoordelijkheid hiervoor draagt. De derde paragraaf van dat artikel bepaalt dat, behoudens de wettelijke uitzonde-ringen, de opsporingshandelingen geen enkele dwangmaatregel mogen inhouden noch schending inhouden van individuele rechten en vrijheden.
- Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de zoeking waarvan de eiser de regelmatigheid betwist, werd uitgevoerd in de loop van september tot decem-ber
- Krachtens artikel 39bis Wetboek van Strafvordering, zoals toen van toe-passing, is de procureur des Konings bevoegd voor het in beslag nemen van in een informaticasysteem opgeslagen gegevens. Een informaticasysteem zoals hier bedoeld is een systeem voor de opslag, verwerking of overdracht van gegevens. Daartoe kan een gegevensbank behoren met de gebruikshistoriek van een websi-te. Die bevoegdheid omvat ook de zoeking in een informaticasysteem. Artikel 39bis, § 5, Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing, bepaalt overigens dat de procureur des Konings de verantwoordelijke van het informaticasysteem op de hoogte brengt van de zoeking in het informaticasysteem. Aldus is de pro-cureur des Konings bevoegd voor een hier bedoelde informaticazoeking.
- Artikel 88ter, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering, zoals toen van toe-passing, bepaalt dat de onderzoeksrechter die een zoeking in een informaticasys-teem beveelt, mits voldaan is aan de daar vermelde vereisten van proportionali-teit en subsidiariteit, deze zoeking kan uitbreiden naar een informaticasysteem dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar de zoeking plaatsvindt, met dien verstande dat die uitbreiding zich niet verder mag uitstrekken dan tot de in-formaticasystemen waartoe de personen die gerechtigd zijn het onderzochte in-formaticasysteem te gebruiken, in het bijzonder toegang hebben. Aldus is voor een netwerkzoeking zoals hier bedoeld enkel de onderzoeksrechter bevoegd.
- De eiser heeft voor de appelrechters niet aangevoerd en uit de vaststellin-gen van het arrest blijkt evenmin dat de zoeking in de gegevensbank van In-formex nv, een uitbreiding vereiste naar een ander informaticasysteem.
- Eensdeels vereisen artikel 7 Handvest, artikel 8 EVRM en artikel 22 Grondwet als dusdanig niet dat een informaticazoeking wordt uitgevoerd door een onderzoeksrechter. Anderdeels vormt artikel 39bis Wetboek van Strafvorde-ring, zoals van toepassing, een wettelijke uitzondering op de in artikel 28bis, § 3, van dat wetboek bepaalde regel dat opsporingshandelingen geen miskenning mogen inhouden van individuele rechten en vrijheden. Bijgevolg vereist een in-formaticazoeking, anders dan waarvan het middel uitgaat, geen rechterlijke tus-senkomst en impliceert het ontbreken van een dergelijke tussenkomst geen mis-kenning van het recht op privacy. Het onderdeel, zelfs al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijge-volg niet ontvankelijk.
- Aangezien deze redengeving voor de hand ligt, is er geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers zelfstandig verweer dat de onder-zoekshandelingen met betrekking tot de Informex-gegevens, uitgevoerd tijdens het opsporingsonderzoek, onwettig waren omdat zij een manifeste inbreuk vor-men op de privacy en enkel regelmatig konden worden verkregen door middel van een rechterlijke tussenkomst, namelijk een bevel tot huiszoeking.
- Artikel 6.1 EVRM vereist niet dat de rechter een conclusie beantwoordt, maar enkel dat zijn beslissing op de strafvordering melding maakt van de voor-naamste redenen die hem overtuigen van de schuld of onschuld van de beklaag-de. In zoverre het onderdeel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt: "Aangezien het inwinnen van info bij INFORMEX ka-derde in een opsporingsonderzoek en niet in louter politioneel informatiebeheer is alle verdere argumentatie van [de eiser] aangaande pro-actief, niet-gemachtigd, privacy-schendend, onregelmatig en onwettig onderzoek bij IN-FORMEX volstrekt zinledig". Dat oordeel houdt in dat de bedoelde informatie-winning regelmatig is zonder dat daarvoor een rechterlijke tussenkomst nodig is. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 505, eerste lid, 1°, Strafwetboek, alsmede miskenning van het vermoeden van on-schuld: het arrest veroordeelt de eiser voor de telastlegging C.1, vierde streepje (heling van 40 airbags Peugeot); het oordeelt dat die airbags "vermoedelijk wer-den gestolen bij wijze van loondiefstal", dat de feitelijke gegevens van het straf-dossier "resulteren in een dwingend vermoeden van wederrechtelijke herkomst", "dat de specifieke these van loondiefstal in de Peugeotfabriek slechts berust op een hoge mate van waarschijnlijkheid" en dat er "geen determinerende twijfel mogelijk is omtrent de wederrechtelijke herkomst van de airbags"; aldus stelt het arrest niet met zekerheid de wederrechtelijke herkomst van de airbags vast.
- Voor een veroordeling wegens heling dient vast te staan dat de geheelde zaak is verkregen door een misdaad of een wanbedrijf. Niet vereist is dat de ver-oordelende beslissing een nadere omschrijving bevat van die misdaad of dat wanbedrijf, dat de dader ervan bekend is of dat de identiteit van de eigenaar van de geheelde zaak vaststaat. De rechter oordeelt op grond van de aan tegenspraak onderworpen feiten onaantastbaar of die zaak met zekerheid, dit wil zeggen zon-der redelijke twijfel, afkomstig is van een misdaad of een wanbedrijf.
- Het arrest oordeelt dat de in eisers bezit gevonden airbags niet anders dan door een misdaad of wanbedrijf kunnen zijn verkregen, gelet onder meer op het aantal, de waarde en de eigenschappen van de airbags en de ongeloofwaardigheid van eisers verklaringen over verwerving en de bestemming ervan. Aldus stelt het arrest, ongeacht de erin gebruikte bewoordingen, met zekerheid de wederrechte-lijke herkomst van de airbags vast en is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert miskenning aan van het begrip feitelijk vermoeden: het arrest leidt de wederrechtelijke herkomst van de airbags af uit het feit dat zelfs een professionele merkhouder normaliter geen 40 identieke airbags in stock heeft; tussen dat feit en het eruit afgeleide gevolg bestaat echter geen enkel ver-band.
- Het arrest leidt de wederrechtelijke herkomst van de airbags niet enkel af uit de in het onderdeel vermelde reden, maar ook uit een geheel van redenen zo-als vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel. Het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 163,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 5 november 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div