id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.3 Rolnummer: P.19.0514.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-11-07 Raadplegingen: 361 - laatst gezien 2026-06-29 06:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter oordeelt onaantastbaar of een door een sociaal inspecteur betreden ruimte een plaats is in de zin van artikel 23 Sociaal Strafwetboek waartoe hij vrij toegang heeft, dan wel een bewoonde ruimte is in de zin van artikel 24, §1, Sociaal Strafwetboek, waarin hij slechts toegang heeft in de gevallen bedoeld door paragraaf 1 van deze bepaling; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Sociaal inspecteurs - Betreden van arbeidsplaatsen - Beoordeling Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0514.N
- S D, beklaagde,
- G M M G D, beklaagde,
- D S bvba, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eisers, met als raadsman mr. Suzy Cooleman, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen
- C C, burgerlijke partij,
- F W, burgerlijke partij,
- BELGISCHE STAAT, fod WERKGELEGENHEID ARBEID EN SOCI-AAL OVERLEG, met kantoor te 1070 Brussel, Ernest Blerotstraat 1, burgerlijke partij,
- BELGISCHE STAAT, fod SOCIALE ZEKERHEID, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 100, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 24 april
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Krachtens artikel 427 Wetboek van Strafvordering moet de partij die cas-satieberoep instelt, het laten betekenen aan de partij tegen wie het gericht is.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de ei-sers 1 en 2 hun cassatieberoep hebben laten betekenen aan de verweerders en de eiseres 3 evenmin aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht. In zoverre de cassatieberoepen van de eisers 1 en 2 zijn gericht tegen de beslis-sing over de burgerlijke rechtsvorderingen, zijn ze niet ontvankelijk. Het cassatieberoep van de eiseres 3 is niet ontvankelijk.
- De middelen, in zoverre aangevoerd namens de eiseres 3, behoeven dan ook geen antwoord. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat aangezien de ei-sers voor de appelrechters uitvoerig verweer hebben kunnen voeren, hun recht van verdediging niet is miskend; de miskenning van dat recht moet niet over het gehele procesverloop worden beoordeeld; de argumenten van de eisers werden niet gehoord in eerste aanleg; er werd ten onrechte verstek genomen; de eisers hebben een kans verloren door zich in eerste aanleg niet naar behoren te kunnen verdedigen; het recht van verdediging van de eisers werd ook miskend doordat essentiële stukken moedwillig werden achtergehouden en aan de klacht van de eisers wegens huisvredebreuk werd geen gevolg gegeven.
- In zoverre gericht tegen het optreden van de sociaal inspecteurs, het open-baar ministerie en de eerste rechter en tegen het beroepen vonnis, is het middel niet gericht tegen het arrest en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Of er een onherstelbare schending is van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6.1 EVRM of van een miskenning van het algemeen rechtsbe-ginsel houdende uitoefening van het recht van verdediging moet worden beoor-deeld op basis van het strafproces in zijn geheel. Een eventuele schending van die verdragsbepaling of een miskenning van dat recht tijdens het vooronderzoek of tijdens de procedure in eerste aanleg kan worden geremedieerd tijdens de be-handeling in hoger beroep. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 8.1 EVRM en artikel 15 Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de sociaal inspecteurs de woning van de eisers wettig konden betreden omdat er sprake is van een gemengd ge-bruik van het onroerend goed; de uitzonderingen bepaald in artikel 24, § 1, Soci-aal Strafwetboek zijn niet toepasselijk; er werd nooit arbeid verricht in de be-doelde ruimten; geen enkele wettelijke bepaling legt voorwaarden op betreffende de percentages van een gemengd gebruik van een onroerend goed; het zeer be-perkt gemengd gebruik ontneemt de woning niet de bescherming van artikel 8.1 EVRM; de eisers hebben de sociaal inspecteurs duidelijk gemaakt dat het om een privédomein gaat, wat ook werd vermeld op een bordje op de poort dat toegang geeft tot het domein; de sociaal inspecteurs hebben wel degelijk een zoeking ge-daan in de ruimten, waardoor ze een agenda hebben gevonden, die hen aldus niet werd overhandigd door de eisers; de sociaal inspecteurs hebben zich op dispro-portionele wijze toegang verschaft tot de privéwoning van de eisers, proportiona-liteitsbeginsel dat is opgenomen in artikel 19 Sociaal Strafwetboek.
- Artikel 23 Sociaal Strafwetboek bepaalt dat de sociaal inspecteurs bij de uitoefening van hun opdracht op elk ogenblik van de dag of de nacht, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnengaan in alle arbeidsplaatsen of andere plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen of waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat daar personen werken die onderworpen zijn aan de bepa-lingen van de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen. Artikel 24, § 1, Sociaal Strafwetboek bepaalt de gevallen waarin de sociaal in-specteurs toegang hebben tot bewoonde ruimten.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een door een sociaal inspecteur betre-den ruimte een plaats is in de zin van artikel 23 Sociaal Strafwetboek waartoe hij vrij toegang heeft dan wel een bewoonde ruimte in de zin van artikel 24, § 1, So-ciaal Strafwetboek waarin hij slechts toegang heeft in de gevallen bedoeld door paragraaf 1 van deze bepaling. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellin-gen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- Het arrest oordeelt als volgt: - uit het opgestelde proces-verbaal blijkt geenszins dat er zich in de loods za-ken bevonden met een privékarakter. Ook de eisers beweren dit enkel, zonder deze bewering verder objectief aannemelijk te maken; - de sociaal inspecteurs hebben geenszins een zoeking doorgevoerd in de desbe-treffende ruimte (loods): zij hebben enkel het personeel van de firma, die met een vrachtwagen was binnengereden in de loods, gevolgd en aangesproken. Voor het overige hebben zij geen zaken in de loods aangeraakt, noch daarnaar gezocht. Er geschiedde enkel een verhoor waarbij een agenda, die werd over-handigd door één van de werknemers, in beslag werd genomen; - als dusdanig betrof de loods een ruimte waarin de vrachtwagen werd gestald en waar de werknemers zich bevonden om hun werk aan te vatten of te eindi-gen. Aldaar waren blijkbaar ook hun persoonlijke spullen gelegen. De ruimte kan als dusdanig worden opgevat als een ruimte zoals bedoeld in artikel 23 Sociaal Strafwetboek. Dat het ging om een werkplaats waar onder andere ma-teriaal gestockeerd was (pvc buizen, metalen dakgoten, houten platen en an-der groot materiaal) blijkt uit het opgestelde proces-verbaal met vaststelling van de inbreuken. Op grond van deze vaststellingen werd door de sociaal in-specteurs gewag gemaakt van een ‘atelier'. Uit de hiervoor aangegeven rele-vante gegevens blijkt ook dat het bedrijf of de vennootschap een bepaalde ruimte van de privé-woning huurde voor bedrijfsdoeleinden; - de eiseres 3 was gekend als werkgever, zij had volgens Genesis twee werkne-mers in dienst en op de uitbatingszetel reed een vrachtwagen naar een achter-liggende loods waarbij twee personen uitstapten. Op grond van die redenen kunnen de appelrechters wettig oordelen dat de sociaal inspecteurs krachtens artikel 23 Sociaal Strafwetboek gerechtigd waren de loods te betreden en kunnen zij het verweer van de eisers dat die loods enkel kon wor-den betreden in de door artikel 24, § 1, Sociaal Strafwetboek bedoelde gevallen en dat de sociaal inspecteurs zich aan huisvredebreuk hebben schuldig gemaakt, verwerpen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of vereist het een onderzoek van de feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert miskenning aan van de plicht van de rechter om een juis-te toepassing te maken van de geldende rechtsregels: het arrest toetst de wettig-heid van de betreding van de woning van de eisers niet aan de in artikel 24, § 1, Sociaal Strafwetboek bepaalde voorwaarden noch aan het in artikel 19 Sociaal Strafwetboek bepaalde proportionaliteitsbeginsel; er was geen sprake van een betrapping op heterdaad; uit niets blijkt dat de werknemers van de eisers aan het werk waren, noch dat zij op enige wijze in overtreding waren met de sociale re-gelgeving; er was geen toestemming van de eisers tot het betreden van het pand, er was geen noodoproep, noch brand noch overstroming en van een machtiging door de onderzoeksrechter was evenmin sprake; het arrest heeft geen rekening gehouden met de wettelijke bepalingen van het Sociaal Strafwetboek en met de vaststaande rechtspraak van het EHRM.
- Uit het antwoord op het tweede middel volgt dat het arrest heeft onder-zocht dat de sociaal inspecteurs de loods konden betreden op grond van artikel 23 Sociaal Strafwetboek, het verweer van de eisers dat dit betreden strijdig is met artikel 24, § 1, Sociaal Strafwetboek te verwerpen is en die beslissing naar recht verantwoord is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter niet uit-drukkelijk vast te stellen dat het optreden van een sociaal inspecteur in overeen-stemming is met de proportionaliteitsvereiste als omschreven in artikel 19 Soci-aal Strafwetboek. In zoverre faalt het middel naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 120,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 5 november 2019 uitgesproken door waarne-mend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div