← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.4 Rolnummer: P.19.0530.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2019-11-07 Raadplegingen: 790 - laatst gezien 2026-06-29 07:21 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over de regeling van de rechtspleging is ertoe gehouden de conclusie van een burgerlijke partij te beantwoorden waarin wordt gevraagd bijkomend onderzoek te bevelen

(1).
(1)Zie: Cass. 21 mei 2002, AR P.01.0353.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020521.9, AC 2002, nr. 309 met concl. van de H. procureur-generaal du Jardin. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Regeling van de rechtspleging - Kamer van inbeschuldigingstelling - Verzoek om bijkomend onderzoek door de burgerlijke partij - Afwijzing - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 127, 135 en 223 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Regeling van de rechtspleging - Kamer van inbeschuldigingstelling - Verzoek om bijkomend onderzoek door de burgerlijke partij - Afwijzing - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 127, 135 en 223 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 5 Uit artikel 6 EVRM volgt niet dat het onderzoeksgerecht dat zich heeft uit te spreken over de regeling van de rechtspleging verplicht is om te antwoorden op elk detail in de conclusie van een burgerlijke partij die strekt tot het bevelen van bijkomend onderzoek; het volstaat dat het onderzoeksgerecht de partijen de voornaamste redenen laat kennen die hebben geleid tot de beslissing de vraag tot bijkomend onderzoek af te wijzen. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Regeling van de rechtspleging - Kamer van inbeschuldigingstelling - Verzoek om bijkomend onderzoek door de burgerlijke partij - Afwijzing - Motiveringsplicht - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 127, 135 en 223 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Regeling van de rechtspleging - Kamer van inbeschuldigingstelling - Verzoek om bijkomend onderzoek door de burgerlijke partij - Afwijzing - Motiveringsplicht - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 127, 135 en 223 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Regeling van de rechtspleging - Kamer van inbeschuldigingstelling - Verzoek om bijkomend onderzoek door de burgerlijke partij - Afwijzing - Motiveringsplicht - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 127, 135 en 223 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0530.N
  1. INVEST LENAVEL nv, met zetel te 2960 Brecht, Kleine Kasteeltjesweg 1, burgerlijke partij,
  2. DE KLEINE KASTEELTJES nv, met zetel te 2960 Brecht, Kleine Kasteel-tjesweg 1, burgerlijke partij,
  3. DE KLEINE KASTEELTJES BRECHT vzw, met zetel te 2960 Brecht, Kleine Kasteeltjesweg 1, burgerlijke partij,
  4. MERLIJNTJE vzw, met zetel te 2960 Brecht, de Lalainglaan 11, burgerlijke partij,
  5. DE KLEINE KASTEELTJES TONGEREN vzw, met zetel te 2960 Brecht, Kleine Kasteeltjesweg 1, burgerlijke partij, eiseressen, met als raadsman mr. Frederiek Baudoncq, advocaat bij de balie Leuven, tegen
  6. P M K L J V H, inverdenkinggestelde,
  7. C A J K, inverdenkinggestelde, verweerders, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 april
  8. De eiseressen voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artike-len 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering: het arrest is niet regelmatig met redenen omkleed; het beslist dat het onderzoek volledig is en er bijgevolg geen noodzaak is voor bijkomende onderzoekshandelingen, maar het motiveert die beslissing uitsluitend wat betreft het gevraagde onderzoek naar de boekhou-ding en de bankrekeningen en het verzuimt de redenen op te geven waarom de overige door de eiseressen in de appelconclusie gevraagde onderzoekshandelin-gen niet dienstig zijn voor de waarheidsvinding; de weigering om nader onder-zoek te bevelen is slechts regelmatig met redenen omkleed als het onderzoeksge-recht op grond van de gegevens die het preciseert, oordeelt dat de gevraagde on-derzoeksverrichtingen niet dienstig zijn om de waarheid aan het licht te brengen.
  10. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die zich uitspreken over de regeling van de rechtspleging. In zoverre het onderdeel schending van die grondwetsbepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  11. De kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over de regeling van de rechtspleging is op grond van de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering ertoe gehouden de conclusie van een burgerlijke partij te beant-woorden waarin wordt gevraagd bijkomend onderzoek te bevelen.
  12. Het arrest oordeelt dat er geen noodzaak is voor bijkomend onderzoek. Het oordeelt dat er op basis van de thans voorliggende elementen in het strafdossier en de ter rechtszitting voorgebrachte argumenten en stukken een oordeel kan worden geveld over het al dan niet bestaan van voldoende ernstige bezwaren om een doorverwijzing naar de grondrechter te verantwoorden (arrest, p. 15, nr. 3.4, eerste alinea). Het oordeelt bovendien dat er tussen de eiseressen en de verweer-ders reeds jarenlang een ware procedureslag wordt gevoerd waarbij elk middel wordt aangegrepen om elkaar een hak te zetten en dat de huidige strafklacht in die strategie lijkt te kaderen om middels een strafrechtelijk onderzoek bewijsma-teriaal te verkrijgen voor andere gerechtelijke procedures. Met die redenen oordeelt het arrest op grond van gegevens die het preciseert dat de gevraagde onderzoekshandelingen niet dienstig zijn om de waarheid aan het licht te brengen en omkleedt het de beslissing tot afwijzing van de vraag om aanvullend onderzoek regelmatig met redenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest verwerpt het door de eiseressen gevraagde deskundigen-onderzoek naar de boekhouding en de bankrekeningen van de partijen in de zaak op grond van feitelijke en procedurele gegevens die vreemd zijn aan deze zaak en het leidt daaruit bovendien gevolgen af die niet dienend zijn in het licht van de waarheidsvinding betreffende de feiten waarvoor de eiseressen zich burgerlij-ke partij hebben gesteld; aldus wordt de bewijslevering voor de eiseressen en bijgevolg ook hun recht op een eerlijk proces en hun recht van verdediging op onredelijke wijze beperkt; de redenen die het arrest aanneemt om de vraag naar dit aanvullend onderzoek te verwerpen zijn dermate vaag en algemeen dat de ei-seressen daardoor niet in staat worden gesteld deze afwijzende beslissing te be-grijpen en in het duister tasten over de concrete redenen die de appelrechters hebben overtuigd van de niet-noodzakelijkheid van dit aanvullend onderzoek.
  14. Uit artikel 6 EVRM volgt niet dat het onderzoeksgerecht dat zich heeft uit te spreken over de regeling van de rechtspleging verplicht is om te antwoorden op elk detail in de conclusie van een burgerlijke partij die strekt tot het bevelen van bijkomend onderzoek. Het volstaat dat het onderzoeksgerecht de partijen de voornaamste redenen laat kennen die hebben geleid tot de beslissing de vraag tot bijkomend onderzoek af te wijzen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. Bij de beoordeling of een bijkomend deskundigenonderzoek dienstig is om de waarheid aan het licht te brengen, kan het onderzoeksgerecht wel degelijk in aanmerking nemen dat de burgerlijke partijen in het verleden in een vergelijkba-re zaak de voor een deskundigenonderzoek vereiste consignatie niet hebben vol-daan waardoor het onderzoek meerdere maanden stillag, er geen redenen zijn om aan te nemen dat dit met het nieuwe verzoek anders zou zijn, het gevraagde des-kundigenonderzoek bijzonder tijdrovend is en het weinig waarschijnlijk is dat dit onderzoek een meerwaarde zal bieden voor de waarheidsvinding. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  16. Met een geheel van redenen die het bevat, vermeldt het arrest (p. 15, nr. 3.4 en p. 16, nr. 3.5) zonder enige vaagheid en zonder gegevens bij zijn beoordeling te betrekken die vreemd zijn aan de te beoordelen zaak, de voornaamste redenen op grond waarvan het beslist tot de afwijzing van het gevraagde bijkomend des-kundigenonderzoek. Aldus belemmert het niet op onredelijke wijze de bewijsle-vering door de eiseressen en miskent het niet hun recht op een eerlijk proces en hun recht van verdediging, maar stelt het hen integendeel in staat de beslissing tot afwijzing van het gevraagde bijkomend deskundigenonderzoek te begrijpen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 128 en 229 Wetboek van Strafvordering: de beslissing tot buitenvervolgingstelling is niet naar recht verantwoord; met het oordeel dat wat betreft de telastleggingen A, B.I. en B.II niet afdoende is aangetoond dat er bij de verweerders een bedrieglijk opzet be-stond en dat het niet aannemelijk is dat de grondrechter op basis van de door de eiseressen bijgebrachte elementen zal beslissen tot de schuldigverklaring van de eiseressen, nemen de appelrechters de rol van grondrechter over en appreciëren zij op basis van hun innerlijke overtuiging de bewijswaarde en de geloofwaar-digheid van de door de partijen voorgebrachte stukken en de gegevens van het gerechtelijk onderzoek, terwijl het hen enkel toekomt af te wegen of het zinvol is de volgende fase van het strafproces aan te vatten.
  18. Artikel 229 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien de kamer van inbeschuldigingstelling van oordeel is dat er tegen de inverdenkinggestelde geen voldoende bezwaren bestaan, zij verklaart dat er geen reden is tot vervolging.
  19. Onder bezwaren die de verwijzing van een inverdenkinggestelde naar het vonnisgerecht verantwoorden, worden de gegevens verstaan die, nadat ze op het einde van het gerechtelijk onderzoek zijn verzameld en getoetst, voldoende ern-stig blijken dat een veroordeling door het vonnisgerecht waarschijnlijk lijkt. Het bestaan van bezwaren die een dergelijke verwijzing verantwoorden, wordt door het onderzoeksgerecht onaantastbaar in feite beoordeeld. De door het onder-zoeksgerecht gedane vaststelling dat één van de bestanddelen van de aan een in-verdenkinggestelde verweten misdrijf ontbreekt, houdt de vaststelling in dat er onvoldoende bezwaren zijn om hem op grond daarvan naar het vonnisgerecht te verwijzen.
  20. Het arrest oordeelt betreffende de feiten omschreven onder de telastleggin-gen A.I, B.I en B.II als volgt: - uit de door de partijen voorgebrachte stukken en de gegevens van het onder-zoek blijkt dat er onvoldoende bezwaren zijn om de verweerders naar de grondrechter door te verwijzen; - het is niet afdoende aangetoond dat bij de verweerders een bedrieglijk opzet bestond om de eiseressen te schaden bij het opmaken van de arbeidsovereen-komsten vermeld onder de telastleggingen a).I.a en b, het opmaken van de dienstenovereenkomsten tussen de vennootschappen van de Groep De Kleine Kasteeltjes en hun eigen managementvennootschappen Geras bvba en 2Care-4Care bvba, het indienen van kostenstaten waarmee onkosten worden gerecu-pereerd en het ondertekenen van een offerte in de hoedanigheid van bestuur-der terwijl hun bestuursmandaten waren neergelegd; - de eiseressen verwijzen ter ondersteuning van hun stelling dat het om fictieve arbeids- of dienstenovereenkomsten zou gaan, veelal naar eigenhandig opge-maakte mails en documenten waarin zij poneren dat de overeenkomsten vals zouden zijn; - het is niet aannemelijk dat de grondrechter op basis van die elementen zal overgaan tot een schuldigverklaring van de verweerders; - voor de overdracht van het vruchtgebruik van het onroerend goed in de Ro-zenlei 15 te Hove, die gebeurde in 2006, werd een som van 92.693,33 euro in rekening gebracht ten laste van de verweerder
  21. In de notariële akte werd op-genomen dat de kosten verbonden aan het vruchtgebruik zouden worden ge-dragen door de eiseres
  22. Het is niet afdoende aangetoond dat er bij de ver-weerders met die constructie een bedrieglijk opzet bestond om misbruik van vennootschapsgoederen te plegen. Uit de door hen voorgebrachte stukken blijkt dat zij het voordeel dat zij genoten met betrekking tot de bewoning van het huis en de voordelen die zij genoten met betrekking tot de kosten verbon-den aan die bewoning, aangaven aan de fiscus als verloning in natura van de bedrijfsleiders-bestuurders. Met die redenen oordelen de appelrechters, zonder de rol van de vonnisrechter over te nemen, dat de middels het gerechtelijk onderzoek verzamelde gegevens wat betreft het voor de misdrijven vereiste bijzonder opzet onvoldoende ernstig zijn opdat een veroordeling voor het vonnisgerecht waarschijnlijk zou zijn. Die beslissing is naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: de beslissing tot buitenvervolgingstelling van de verweerders voor de feiten omschreven onder de telastlegging IV is niet naar recht verantwoord; het arrest laat de eiseressen wat betreft deze feiten niet toe te achterhalen welke de concrete redenen zijn op grond waarvan de appelrechters beslissen tot de ongegrondheid van hun klacht; de overweging dat het er overigens alle schijn van heeft dat er vanuit het nieuwe bestuur van de eiseressen werd getracht om een back up te verkrijgen van de mailbox van de verweerder 1 is volledig vreemd aan deze feiten.
  24. Het onderzoeksgerecht dat beslist tot een buitenvervolgingstelling voldoet aan de uit artikel 6 EVRM afgeleide motiveringsverplichting indien het melding maakt van de voornaamste redenen voor die beslissing en zo de burgerlijke partij in staat stelt die beslissing te begrijpen.
  25. Het arrest oordeelt dat uit de stukken die de eiseressen voorbrengen geen afdoende bezwaren kunnen worden afgeleid dat de verweerders met bedrieglijk opzet waardevolle informatie over het bestuur van de eiseressen lieten verwijde-ren van een computerbestand of documenten en contracten van de eiseressen wegnamen of achterhielden. Aldus vermeldt het arrest de afwezigheid van be-zwaren op het vlak van het voor het misdrijf vereiste moreel bestanddeel als grondslag voor de buitenvervolgingstelling voor dit misdrijf en stelt het de eise-ressen in staat die beslissing te begrijpen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  26. Voor het overige komt het onderdeel op tegen een reden die de bekritiseer-de beslissing niet schraagt en is het niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseressen tot de kosten. Bepaalt de kosten op 110,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 5 november 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231107.2N.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020521.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.