← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.5 Rolnummer: P.19.0635.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-07 Raadplegingen: 846 - laatst gezien 2026-06-28 23:56 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 De enkele omstandigheid dat de onderzoeksrechter in de stukken die hij heeft opgesteld opgave doet van bepaalde feiten die blijken uit reeds gestelde onderzoekshandelingen of uit dergelijke feiten afleidt dat de inverdenkinggestelde of andere bij het onderzoek betrokken personen op een bepaalde wijze hebben of moeten hebben gehandeld, toont als dusdanig niet aan dat de onderzoeksrechter zich ten aanzien van de inverdenkinggestelde partijdig opstelt of het vermoeden van onschuld miskent; het staat aan de rechter die oordeelt over de regelmatigheid van het gerechtelijk onderzoek om de bewoordingen van de onderzoeksrechter te beoordelen in functie van een geheel van omstandigheden, zoals de aard van de inzichten die het onderzoek reeds heeft opgeleverd op het moment waarop de bekritiseerde bewoordingen worden gebruikt, de geëigende uitdrukkingswijze van de onderzoeksrechter, het doel van de stukken waarin die bewoordingen voorkomen en de context waarin zij zijn geuit en met inachtneming van die omstandigheden dient de rechter de werkelijke houding van de onderzoeksrechter tegenover de inverdenkinggestelde te bepalen, eerder dan die houding zonder meer af te leiden uit een letterlijke lezing van de gebruikte bewoordingen

(1).
(1)Zie Cass. 30 oktober 2013, AR P.13.1403.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131030.8, AC 2013, nr. 566. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Onpartijdigheid van de rechter - Onderzoeksrechter - Bewoordingen gebruikt door de onderzoeksrechter in de door hem opgestelde stukken - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Vermoeden van onschuld - Onderzoeksrechter - Bewoordingen gebruikt door de onderzoeksrechter in de door hem opgestelde stukken - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Vrije woorden: Bewoordingen gebruikt door de onderzoeksrechter in de door hem opgestelde stukken - Onpartijdigheid - Vermoeden van onschuld - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Onderzoeksrechter - Bewoordingen gebruikt door de onderzoeksrechter in de door hem opgestelde stukken - Onpartijdigheid - Vermoeden van onschuld - Draagwijdte - Gevolg Fiches 5 - 7 Artikel 12 Grondwet verleent aan de beklaagde niet de waarborg dat de rechter een nietigheidssanctie die op het moment van zijn uitspraak niet meer bestaat, moet toepassen op de niet-naleving van een vormvereiste voor een onderzoekshandeling omdat die sanctie wel was bepaald ten tijde van die handeling; artikel 90quater, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door de wet van 5 februari 2016, bevat de vormvoorschriften waaraan een tapbeschikking moet voldoen zonder dat deze nog langer op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven en overeenkomstig de artikelen 2 en 3, Gerechtelijk Wetboek, is dit gewijzigde artikel 90quater, § 1, van toepassing op alle vervolgingen die op de datum van zijn inwerkingtreding op 29 februari 2016 nog niet definitief zijn beoordeeld of verjaard, ook wanneer de afluistermaatregel dateert van vóór de wetswijziging
(1).
(1)Cass. 13 juni 2017, AR P. 17.0450.N, AC 2017, nr. 382. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel in strafzaken - Afluistermaatregel - Vormvoorschriften - Nietigheidssanctie - Wet die de nietigheidssanctie opheft - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Afluistermaatregel - Vormvoorschriften - Nietigheidssanctie - Wet die de nietigheidssanctie opheft - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Strafzaken - Onderzoek in strafzaken - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoeksverrichtingen - Afluistermaatregel - Vormvoorschriften - Nietigheidssanctie - Wet die de nietigheidssanctie opheft - Draagwijdte - Gevolg Fiches 8 - 14 De wet van 5 februari 2016, die de voorheen in artikel 90quater, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde nietigheidssanctie opheft, is noch een wet die een nieuw misdrijf invoert, noch een wet die de strafmaat bepaalt maar is een procedurewet die vanaf de inwerkingtreding ervan van toepassing is op elke strafvordering, ook al dateert de onregelmatigheid van vóór de opheffing van de vermelde sanctie in toepassing van de artikelen 2 en 3 Gerechtelijk Wetboek; de vormvereisten voor een afluistermaatregel op grond van artikel 90quater, § 1, Wetboek van Strafvordering en de bewijswaarde van de uit die maatregel verkregen gegevens zijn na de inwerkingtreding van de wet van 5 februari 2016 nog steeds dezelfde als deze die bestonden op het moment waarop de als strafbaar beoordeelde gedragingen werden gesteld en de niet-naleving van die vormvereisten is nog steeds gesanctioneerd, zij het niet meer automatisch met nietigheid, zodat het enkele feit dat beklaagde niet meer kan genieten van die automatische nietigheid, niet tot gevolg heeft dat de rechtspleging voor hem onduidelijk of onvoorspelbaar is geworden, noch dat hem waarborgen zijn ontnomen met betrekking tot de bewijslast van het openbaar ministerie aangaande zijn schuld en geen enkele verdrags- of grondwetsbepaling houdt de verplichting in om vormvereisten voor een onderzoekshandeling die een impact hebben op het recht op de eerbiediging van het privéleven, te sanctioneren met automatische nietigheid
(1).
(1)Cass. 13 juni 2017, AR P.17.0450.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170613.3, AC 2017, nr. 382; Cass. 14 oktober 2014, AR P.14.0507.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141014.4, AC 2014, nr. 606; GwH 21 december 2017, nr. 148/2017, L. ARNOU, Het wegvallen van de nietigheidssanctie inzake het afluisteren vindt genade in de ogen van het Grondwettelijk Hof, NC 2018, 35-37. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 Vrije woorden: Eerbiediging van het privéleven - Afluistermaatregelen - Vormvoorschriften - Nietigheidssanctie - Wet die de nietigheidssanctie opheft - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Artikel 7.1 - Legaliteitsbeginsel - Afluistermaatregel - Vormvoorschriften - Nietigheidssanctie - Wet die de nietigheidssanctie opheft - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Eerbiediging privé-leven - Afluistermaatregel - Vormvoorschriften - Nietigheidssanctie - Wet die de nietigheidssanctie opheft - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 15 - Artikel 15.1 - Legaliteitsbeginsel - Afluistermaatregel - Vormvoorschriften - Nietigheidssanctie - Wet die de nietigheidssanctie opheft - Draagwijdte - Gevolg Artikel 17 - Recht op eerbiediging van het privé-leven - Afluistermaatregel - Vormvoorschriften - Nietigheidssanctie - Wet die de nietigheidssanctie opheft - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 14 Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel in strafzaken - Afluistermaatregel - Vormvoorschriften - Nietigheidssanctie - Wet die de nietigheidssanctie opheft - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Onderzoek in strafzaken - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoeksverrichtingen - Afluistermaatregel - Vormvoorschriften - Nietigheidssanctie - Wet die de nietigheidssanctie opheft - Draagwijdte - Gevolg Fiche 15 Artikel 6.1 EVRM sluit niet uit dat bij de beoordeling van de redelijke termijn de houding van medebeklaagden in aanmerking wordt genomen in zoverre deze de rechterlijke overheid ertoe noopt de verdere behandeling van de zaak te vertragen of uit te stellen
(1).
(1)Cass. 30 april 2013, AR P.12.1290.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.3, AC 2013, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Beoordeling - Criterium - Houding van de medebeklaagden - Draagwijdte Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0635.N P R D G, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8210 Loppem, Rijselsestraat 2, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 23 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het vermoeden van onschuld en de onpartijdigheid van de rechter: het arrest verwerpt eisers verweer dat de onderzoeksrechter zijn plicht tot onpartijdigheid en het vermoeden van onschuld heeft miskend door in zijn beschikkingen met betrekking tot afluistermaatrege-len en in zijn rechtshulpverzoeken naar Spanje en Panama aan te nemen dat de onderzochte feiten van druginvoer en koperdiefstal lastens de eiser bewezen wa-ren; uit de vaststellingen die de appelrechters daarover hebben gedaan, zoals de-ze met betrekking tot de fragmentarische aard van eisers citaten en de context van de door de onderzoeksrechter gebruikte bewoordingen, konden zij niet aflei-den dat die plicht en dat vermoeden niet werden miskend.
  4. De rechter oordeelt onaantastbaar of de onderzoeksrechter in stukken die hij heeft opgesteld, gebruik heeft gemaakt van bewoordingen waaruit een gebrek aan onpartijdigheid of een miskenning van het vermoeden van onschuld van de inverdenkinggestelde blijkt, waardoor de regelmatigheid van die stukken en de ermee verband houdende onderzoekshandelingen is aangetast. Het Hof gaat en-kel na of de rechter uit de vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  5. De enkele omstandigheid dat de onderzoeksrechter in die stukken opgave doet van bepaalde feiten die blijken uit reeds gestelde onderzoekshandelingen of uit dergelijke feiten afleidt dat de inverdenkinggestelde of andere bij het onder-zoek betrokken personen op een bepaalde wijze hebben of moeten hebben ge-handeld, toont als dusdanig niet aan dat de onderzoeksrechter zich ten aanzien van de inverdenkinggestelde partijdig opstelt of het vermoeden van onschuld miskent. Het staat daarentegen aan de rechter die oordeelt over de regelmatigheid van het gerechtelijk onderzoek om de bewoordingen van de onderzoeksrechter te beoor-delen in functie van een geheel van omstandigheden, zoals de aard van de inzich-ten die het onderzoek reeds heeft opgeleverd op het moment waarop de bekriti-seerde bewoordingen worden gebruikt, de geëigende uitdrukkingswijze van de onderzoeksrechter, het doel van de stukken waarin die bewoordingen voorkomen en de context waarin zij zijn geuit. Met inachtneming van die omstandigheden dient de rechter de werkelijke houding van de onderzoeksrechter tegenover de inverdenkinggestelde te bepalen, eerder dan die houding zonder meer af te leiden uit een letterlijke lezing van de gebruikte bewoordingen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Met betrekking tot de door de eiser bekritiseerde beschikkingen en rechts-hulpverzoeken oordeelt het arrest in essentie dat: - in acht genomen de complexiteit van de aanhangig gemaakte feiten en mis-drijfomschrijvingen, de onderzoeksrechter zich niet heeft uitgesproken over de juridische aspecten van de vastgestelde feiten en hij met de concrete be-woordingen die hij in de bedoelde stukken heeft gebruikt, niet heeft laten ver-staan dat de eiser schuldig is aan de hem concreet ten laste gelegde feiten; - de bedoelde stukken waren opgesteld met het specifieke doel te beantwoorden aan strikte wettelijke motiveringsvereisten of om buitenlandse overheden in te lichten over de feitelijke toestand en hen toe te laten te oordelen over het bestaan van een dubbele strafbaarstelling en eventuele weigeringsgronden; - de context van de gebruikte bewoordingen niet blijkt uit de geïsoleerde frag-menten die de eiser bekritiseert. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat uit de bewoordingen van de onderzoeksrechter in zijn hier bedoelde beschikkingen en verzoeken niet blijkt dat hij zijn plicht tot onpartijdigheid of het vermoeden van onschuld van de eiser heeft miskend. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters miskennen de bewijskracht van de be-schikkingen en verzoeken vermeld in het eerste onderdeel doordat zij oordelen dat de onderzoeksrechter daarin niet heeft laten verstaan dat de eiser schuldig is aan de hem ten laste gelegde concrete feiten.
  8. Met de bedoelde redenen geven de appelrechters geen uitlegging van de bedoelde stukken, maar beoordelen zij de juridische draagwijdte ervan. Aldus kunnen zij de bewijskracht van die stukken niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrech-ters beantwoorden de kritiek van de eiser op één passage uit de rechtshulpver-zoeken naar Spanje en Panama, maar niet zijn kritiek op de andere passages.
  10. Met de redenen die in essentie zijn weergegeven in het antwoord op het eerste onderdeel, beantwoorden de appelrechters eisers verweer dat de onder-zoeksrechter in zijn bedoelde rechtshulpverzoeken zijn plicht tot onpartijdigheid en het vermoeden van onschuld van de eiser heeft miskend. Zij dienden niet te antwoorden op alle argumenten die de eiser heeft aangevoerd ter ondersteuning van dat verweer, zonder dat die een zelfstandig verweer uitmaken. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 12 Grondwet, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 90quater Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing, alsmede miskenning van de regels in-zake de toepassing van de strafprocedurele regels in de tijd: het arrest oordeelt dat de nietigheidssanctie van artikel 90quater, § 1, Wetboek van Strafvordering niet meer van toepassing is sinds de inwerkingtreding van de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (hierna de wet van 5 februari 2016); het oordeelt even-eens dat artikel 90quinquies, derde lid, Wetboek van Strafvordering zelf geen nietigheidssanctie bepaalt op het bijzondere motiveringsvereiste dat het bevat en dat artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering niet toelaat tot andere nietigheden te besluiten dan deze die de wet bepaalt; aangezien echter ar-tikel 90quinquies, derde lid, uitdrukkelijk verwijst naar de vereisten bepaald in artikel 90quater, § 1, zoals van toepassing, moet de nietigheid vermeld in die laatste bepaling ook geacht worden van toepassing te zijn op artikel 90quinquies, derde lid; de afschaffing van de nietigheidssanctie in artikel 90quater bij de wet van 5 februari 2016 speelt daarbij geen rol aangezien de regels betreffende de bewijsvoering van de schuld van een persoon in beginsel niet met terugwerkende kracht kunnen worden gewijzigd ten nadele van die persoon; de nietigheidssanc-tie was nog van toepassing op het moment van de afluistermaatregelen en moest hier dus door de appelrechters worden toegepast.
  12. Artikel 12 Grondwet verleent aan de beklaagde niet de waarborg dat de rechter een nietigheidssanctie die op het moment van zijn uitspraak niet meer bestaat, moet toepassen op de niet-naleving van een vormvereiste voor een on-derzoekshandeling omdat die sanctie wel was bepaald ten tijde van die hande-ling.
  13. Artikel 90quater, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, zoals gewij-zigd door de wet van 5 februari 2016, bevat de vormvoorschriften waaraan een tapbeschikking moet voldoen zonder dat deze nog langer op straffe van nietig-heid zijn voorgeschreven. Overeenkomstig de artikelen 2 en 3 Gerechtelijk Wetboek is dit gewijzigde arti-kel 90quater, § 1, van toepassing op alle vervolgingen die op de datum van zijn inwerkingtreding op 29 februari 2016 nog niet definitief zijn beoordeeld of ver-jaard, ook wanneer de afluistermaatregel dateert van vóór de wetswijziging. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 26 Bijzondere Wet Grond-wettelijk Hof: de appelrechters stellen niet de door de eiser voorgestelde preju-diciële vragen aan het Grondwettelijk Hof omdat het antwoord op die vragen niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen, gelet op de totaliteit van de voorgaande uiteenzettingen in het arrest en de afschaffing van de nietigheidssanctie bepaald in artikel 90quater, § 1, Wetboek van Strafvordering; die redenen zijn niet juist.
  16. Het onderdeel dat is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aange-voerde onwettigheid, is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  17. Het onderdeel vraagt in ondergeschikte orde dat het Hof de volgende pre-judiciële vragen stelt aan het Grondwettelijk Hof: 1/ "Schenden de artikelen 90quater en 90quinquies Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, jo. art. 8.2 EVRM, als deze in die zin worden gelezen dat ze vormvoorwaarden op straffe van nietigheid voorschrijven (ten tijde van het maken van de opnames in casu) in art. 90quater Sv., maar dat de vormvoorwaarde van art. 90quinquies, derde lid Sv. omtrent het vermelden van de precieze nieuwe en ernstige omstandigheden die de hernieuwing van een afluistermaatregel noodzakelijk maken niet op straffe van nietigheid is voorge-schreven, en dit hoewel zowel art. 90quater als art. 90quinquies, derde lid Sv. regels bevatten om te bepalen wanneer en onder welke voorwaarden een persoon of een plaats onder afluistermaatregel mag geplaatst worden en wanneer en on-der welke voorwaarden een persoon of een plaats opnieuw onder afluistermaat-regel mag geplaatst worden?" 2/ "Schenden art. 90quater en artikel 90quinquies, derde lid Wetboek van straf-vordering de artikelen 12, tweede lid, 14 en 22 van de Grondwet jo. art. 8.2 EVRM, alsook artikel 7 van het BUPO-Verdrag en de artikelen 33, 108 en 159 van de Grondwet, waar dit artikel enkel uitdrukkelijk de sanctie van de nietig-heid voorziet (ten tijde van het maken van de opnames in casu) in geval van her-nieuwing van een afluistermaatregel omtrent de vormvoorwaarden vervat in art. 90quater. § 1 Sv., en niet uitdrukkelijk deze sanctie voorziet inzake de vorm-voorwaarde van art. 90quinquies derde lid Sv. omtrent het vermelden van de precieze nieuwe en ernstige omstandigheden die de hernieuwing van een afluis-termaatregel noodzakelijk maken, en dit hoewel ook deze vormvoorwaarde be-paalt wanneer en onder welke voorwaarden een persoon of een plaats opnieuw onder afluistermaatregel mag geplaatst worden, zodat het niet duidelijk is of de-ze vormvoorwaarde nu is voorgeschreven op straffe van nietigheid of niet, en dit in acht genomen de bedoeling van de wetgever?" 3/ "Schendt artikel 90quater, § 1, Sv. zoals gewijzigd door art. 66 van de Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, de artikelen 12, tweede lid, 14 en 22 van de Grondwet, jo. art. 8.2 EVRM, alsook artikel 7 van het BUPO-Verdrag en de arti-kelen 33, 108 en 159 van de Grondwet, waar (of minstens voor zover het met zich meebrengt) dat de nietigheidssanctie, die in het oorspronkelijke artikel 90quater, § 1 Sv. was voorgeschreven omtrent de aldaar beschreven vermeldingen tot voor de inwerkingtreding van de art. 66 van de vermelde Wet van 5 februari 2016, niet meer wordt toegepast op afluistermaatregelen, die wel zijn bevolen en/of uitgevoerd voor de inwerkingtreding op 29.02.2016 van het gewijzigde artikel 90quater, § l Sv., maar door de strafgerechten worden beoordeeld nadat die wetswijziging op 29.02.2016 in werking is getreden, zodat de afschaffing van die nietigheidssanctie door de Wet van 5 februari 2016 met terugwerkende kracht wordt toegepast, waarbij de door de vervolgende instanties na te leven regels be-treffende de bewijsvoering van de schuld van een persoon zijn gewijzigd in het nadeel van de vervolgde partij?"
  18. Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalt dat het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet over de schending door een wet van de artikelen van titel II "De Belgen en hun rechten" en de artikelen 170, 172 en 191 Grondwet. Bijgevolg is het Grondwettelijk Hof niet bevoegd om als dusdanig te oordelen over de schending door een wet van de artikelen 33, 108 en 159 Grondwet, die niet behoren tot titel II van de Grondwet, noch over de schending door een wet van het EVRM of het IVBPR.
  19. Artikel 12, tweede lid, Grondwet bepaalt dat niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Artikel 14 Grondwet bepaalt dat geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet. Op grond van artikel 22, eerste lid, Grondwet, heeft iedereen recht op eerbiedi-ging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.
  20. Het legaliteitsbeginsel in strafzaken en het recht op de eerbiediging van het privéleven dat in deze grondwetsbepalingen is vervat, zijn grondrechten die op geheel of gedeeltelijk analoge wijze worden gewaarborgd door de artikelen 7.1 en 8 EVRM en de artikelen 15.1 en 17 IVBPR. Derhalve onderzoekt het Hof overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bij-zondere Wet Grondwettelijk Hof of de in de derde vraag betwiste bepaling de ar-tikelen 12, tweede lid, 14 en 22, eerste lid, Grondwet klaarblijkelijk niet schendt.
  21. Artikel 66 van de wet van 5 februari 2016, dat vanaf 29 februari 2016 de voorheen in artikel 90quater, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering be-paalde nietigheidssanctie opheft, is noch een wet die een nieuw misdrijf invoert, noch een wet die de strafmaat bepaalt. Het is een procedurewet die vanaf de in-werkingtreding ervan van toepassing is op elke strafvordering, ook al dateert de onregelmatigheid van vóór de opheffing van de vermelde sanctie. Dit is een toe-passing van de artikelen 2 en 3 Gerechtelijk Wetboek.
  22. De vormvereisten voor een afluistermaatregel op grond van artikel 90quater, § 1, Wetboek van Strafvordering en de bewijswaarde van de uit die maatregel verkregen gegevens zijn na de inwerkingtreding van artikel 66 van de wet van 5 februari 2016 nog steeds dezelfde als deze die bestonden op het mo-ment waarop de eiser zijn door het arrest als strafbaar beoordeelde gedragingen stelde. De niet-naleving van die vormvereisten is nog steeds gesanctioneerd, zij het niet meer automatisch met nietigheid. Het enkele feit dat de eiser niet meer kan genieten van die automatische nietigheid, heeft niet tot gevolg dat de rechts-pleging voor hem onduidelijk of onvoorspelbaar is geworden, noch dat hem waarborgen zijn ontnomen met betrekking tot de bewijslast van het openbaar ministerie aangaande zijn schuld.
  23. Geen enkele verdrags- of grondwetsbepaling houdt de verplichting in om vormvereisten voor een onderzoekshandeling die een impact hebben op het recht op de eerbiediging van het privéleven, te sanctioneren met automatische nietig-heid.
  24. Hieruit volgt dat de onmiddellijke toepassing van de opheffing van de nie-tigheidssanctie bepaald in artikel 90quater, § 1, Wetboek van Strafvordering vanaf 29 februari 2016, de artikelen 12, tweede lid, 14 en 22, eerste lid, Grond-wet kennelijk niet schendt. De derde vraag wordt niet gesteld.
  25. De eerste en de tweede vraag zijn afgeleid uit de onjuiste rechtsopvatting dat de rechter de nietigheidssanctie van artikel 90quater, § 1, Wetboek van Strafvordering nog moet toepassen ondanks de opheffing van die sanctie bij de wet van 5 februari
  26. Die vragen worden evenmin gesteld. Derde middel in zijn geheel
  27. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest dat meerdere on-regelmatigheden betreffende onderzoekshandelingen vaststelt, stelt de gevolgen daarvan voor het recht op een eerlijk proces slechts vast per onregelmatigheid, terwijl het moet nagaan of alle onregelmatigheden samen geen miskenning van het recht op een eerlijk proces met zich meebrengen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de onregelmatigheden in hun globaliteit moeten in acht worden genomen om de gevolgen ervan te bepalen.
  28. Het arrest (p. 51) oordeelt met de in de onderdelen vermelde redenen, die betrekking hebben op alle onderzoekshandelingen, dat het geheel van de vastge-stelde onregelmatigheden geen miskenning van het recht op een eerlijk proces inhoudt. Aldus beantwoordt het eisers verweer en is de beslissing naar recht ver-antwoord. Het middel kan in zijn beide onderdelen niet worden aangenomen. Vierde middel Eerste onderdeel
  29. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest houdt bij de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn tijdens de rege-ling van de rechtspleging ten onrechte rekening met de procedurele initiatieven van medebeklaagden; evenwel dient enkel de houding van de betrokken persoon in acht te worden genomen; wanneer vertragingen in de procedure zijn veroor-zaakt door andere partijen in de betrokken strafzaak, mogen deze niet worden toegerekend aan de beklaagde die zelf niets heeft ondernomen om de procedure te vertragen of ze tijdelijk geen doorgang te laten vinden.
  30. Artikel 6.1 EVRM sluit niet uit dat bij de beoordeling van de redelijke termijn de houding van medebeklaagden in aanmerking wordt genomen in zover-re deze de rechterlijke overheid ertoe noopt de verdere behandeling van de zaak te vertragen of uit te stellen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  31. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de loutere overname van de redenen van het beroepen vonnis beantwoordt het arrest niet eisers verweer dat specifiek betrekking had op de overschrijding van de redelijke termijn ingevolge de latentieperiodes tijdens de regeling van de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling en het Hof; dit is des te meer het geval aangezien de eiser die redenen voor de appelrechters heeft bekritiseerd.
  32. Artikel 149 Grondwet verplicht de appelrechter niet om, teneinde te ant-woorden op het verweer van een beklaagde over de overschrijding van de rede-lijke termijn, de concrete latentieperiodes die de beklaagde bekritiseert, uitdruk-kelijk in zijn antwoord te betrekken. De rechter kan zijn desbetreffende beslis-sing motiveren aan de hand van een globale beoordeling.
  33. Artikel 149 Grondwet belet de appelrechter niet om het verweer van een beklaagde te beantwoorden door redenen van het beroepen vonnis over te nemen, wanneer die redenen afdoende zijn als antwoord op het voor hem gevoerde ver-weer, met inbegrip van de kritiek op die redenen.
  34. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  35. Het arrest (p. 82-83) oordeelt: "Het staat vast dat de thans voorliggende zaak een zeer complex en omvangrijk dossier betrof. Het hof [van beroep] kan in deze verwijzen naar het uitgebreide telefonieonderzoek, de talrijke verhoren, huiszoekingen en andere onderzoekshandelingen resulterende in een groot aan-tal betrokken partijen, waarvan de individuele rol diende te worden onderzocht en beoordeeld, het aantal tenlasteleggingen van diverse aard, waaronder de deelname aan criminele organisaties met wisselende samenstellingen, de inter-nationale context van de misdrijven inhoudende dat bewijsmateriaal ook in het buitenland diende te worden verzameld, het gegeven dat meerdere strafdossiers dienden te worden gevoegd en het gegeven dat het onderzoek ook een financieel luik bevatte (cf. Blauwe kaft 'Financieel'). Er werden meerdere procedures en be-twistingen gevoerd ook voor de behandeling ten gronde van de zaak, waarbij het hof [van beroep] in het bijzonder kan verwijzen naar de afhandeling van de zo-genaamde Franchimont - verzoekschriften (cf. Deel 5, blauwe kaften L tot en met Y)." Vervolgens oordeelt het arrest met redenen overgenomen van het beroepen von-nis (p. 25-28, eerste alinea) dat de procedures voor de kamer van inbeschuldi-gingstelling en het Hof met bekwame spoed verliepen en aldus een normaal ver-loop kenden, zonder aan de overheid te wijten leemtes of stilstanden, en besluit het op grond van al die elementen dat de regeling van de rechtspleging een nor-maal verloop heeft gekend, zonder onverantwoorde vertragingen en onderbre-kingen. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer, zonder dat het in het bijzonder moet antwoorden op zijn argument over het precieze tijdsverloop tijdens de procedu-res voor de kamer van inbeschuldigingstelling en voor het Hof. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vijfde middel
  36. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn niet is overschreden in de procedure op het verzet van de eiser, ondanks het feit dat de zaak in eerste aanleg gedurende res-pectievelijk vier en zes maanden niet is behandeld wegens uitstellen die niet aan de eiser te wijten waren; ook in hoger beroep is de zaak gedurende zes maanden niet behandeld ingevolge dergelijke uitstellen; het arrest neemt die periodes van stilstand ten onrechte niet in acht.
  37. Op grond van de redenen die blijken uit het antwoord op het vierde middel en deze die het arrest (p. 84-85) verder specifiek vermeldt in verband met de procedure na eisers verzet, oordeelt het onaantastbaar dat de redelijke termijn voor de behandeling van eisers zaak op zijn verzet niet is overschreden. Het middel dat opkomt tegen dat onaantastbare oordeel, is niet ontvankelijk. Zesde middel
  38. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet het verweer in eisers verzoekschrift in hoger beroep dat de ver-vallenverklaring van de borgsom ongedaan moest worden gemaakt.
  39. Het arrest bevestigt de door de eerste rechter bevolen vervallenverklaring van de borgsom van 25.000 euro ten voordele van de Staat. Aldus beantwoordt en verwerpt het arrest het in het appelverzoekschrift niet nader met redenen om-klede verweer dat die vervallenverklaring onterecht was. Het middel mist feitelijke grondslag. Zevende middel Eerste onderdeel
  40. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artike-len 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet het ver-weer opgenomen in eisers verzoekschrift in hoger beroep dat toepassing dient te worden gemaakt van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek gelet op de eenheid van opzet met de veroordeling door het hof van beroep te Gent van 5 januari 2011, zodat geen bijkomende straf mag worden opgelegd of de door dat hof van beroep opgelegde bestraffing in aanmerking moet worden genomen.
  41. In zijn appelverzoekschrift heeft de eiser met verwijzing naar het arrest van het hof van beroep te Gent van 5 januari 2011 om de toepassing verzocht van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek en voorgehouden dat hem geen bijkomende straf mocht worden opgelegd. Het arrest grondt de beslissing over de aan de eiser opgelegde bestraffing onder meer op zijn strafrechtelijk verleden en het verwijst daarbij uitdrukkelijk naar het bedoelde arrest van 5 januari
  42. Daarmee be-antwoordt en verwerpt het arrest het door het onderdeel bedoelde niet nader met redenen omklede verzoek betreffende de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  43. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest houdt bij het bepalen van de strafmaat ten onrechte rekening met een veroordeling van de eiser door het hof van beroep te Gent van 5 januari 2011; die veroordeling dateert echter van na de feiten waaraan het ar-rest de eiser schuldig verklaart, zodat daarmee geen rekening mag worden ge-houden; om het normbesef en de ingesteldheid van de beklaagde over bepaalde feiten te evalueren, mogen enkel feiten worden in acht genomen die al aanwezig waren op het moment van die feiten.
  44. De rechter mag bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met een definitieve veroordeling van de beklaagde die dateert van na het plegen van de feiten waaraan deze laatste schuldig wordt verklaard. De rechter mag immers, zonder het recht van verdediging te miskennen, bij die beoordeling rekening houden met alle gegevens eigen aan de persoon van de beklaagde, mits niet de wijze te sanctioneren waarop de beklaagde zich verdedigt. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  45. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  46. Gelet op de verwerping van het cassatieberoep, heeft het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over eisers onmiddellijke aanhouding, het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 348,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 5 november 2019 uitgesproken door waarne-mend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211103.2F.2 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221019.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221102.2F.14 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131030.8 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141014.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170613.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.