← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Artikel 38

, § 1, 4° - Bewijs van de toestand van herhaling - Bestaan van een vroegere veroordeling met kracht van gewijsde - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS:

WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Vrije woorden: Artikel 38, § 1, 4° - Herhaling - Bewijs van de toestand van herhaling - Bestaan van een vroegere veroordeling met kracht van gewijsde - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden:

Artikel 38

, § 1, 4° - Bewijs van de toestand van herhaling - Bestaan van een vroegere veroordeling met kracht van gewijsde - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden:

Artikel 38

, § 1, 4° - Bewijs van de toestand van herhaling - Bestaan van een vroegere veroordeling met kracht van gewijsde - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0772.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AAN-LEG OOST-VLAANDEREN, afdeling Dendermonde, eiser, tegen E G P, beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 8 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 38, § 1, 4°, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis weigert ten onrechte de door deze bepaling bedoelde toe-stand van herhaling aan te nemen en op grond daarvan een verval uit te spreken; het oordeelt ten onrechte dat uit de beschikbare stukken niet blijkt dat het vonnis van de Nederlandstalige politierechtbank Brussel van 21 juni 2016 kracht van gewijsde heeft; dit blijkt wel degelijk uit de volgende drie dossierstukken, name-lijk een niet-getekend afschrift van dit vonnis dat werd verkregen uit het compu-terprogramma MACH, het proces-verbaal van de rechtszitting van 6 maart 2019 waaruit niet blijkt dat de verweerder de staat van herhaling heeft betwist en een uitprint uit het computersysteem MACH waaruit blijkt dat dit vonnis op 27 au-gustus 2016 werd betekend en dat geen verzet of hoger beroep werd aangete-kend; die stukken volstaan voor het bewijs van de staat van herhaling; de appel-rechters hebben de bewijskracht van die stukken miskend; het openbaar ministe-rie draagt de bewijslast voor de staat van herhaling en die staat kan worden be-wezen met alle uit de gedingstukken blijkende middelen; de wet bepaalt niet dat die staat moet blijken uit een getekend afschrift; een digitaal duplicaat heeft de-zelfde inhoud als een gekopieerd document; bewijsmiddelen uit digitale stukken zijn niet minder bewijskrachtig dan andere; het niet-getekend afschrift van het vonnis is afkomstig uit een databank die enkel wordt gevoegd door de griffie van de betrokken politierechtbank; het centraal strafregister waarbij de gemeenten zijn aangesloten is een authentieke bron die eveneens door de griffie wordt ge-voed; er is volledige overeenstemming tussen de gegevens vermeld op het in-lichtingenbulletin-gemeentelijk strafregister en het vonnisafschrift; een veroor-deling kan maar in het strafregister worden opgenomen als die kracht van ge-wijsde heeft; indien de appelrechters van oordeel waren dat de beschikbare stuk-ken niet volstonden om de staat van herhaling aan te nemen, hadden zij het openbaar ministerie moeten verzoeken om bijkomende stukken; de appelrechters hadden minstens nader moeten motiveren waarom digitale informatie minder be-trouwbaar is dan door de griffier met de hand genoteerde gegevens en aangeven op grond van welke wettelijke bepaling alleen een handgeschreven informatie van de griffier het in kracht van gewijsde treden van het vonnis kan bewijzen; de appelrechters toetsen het enkel voorhanden zijn van een niet-getekend afschrift ook niet aan artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.
  3. Artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt in wel-ke gevallen de rechter dient te besluiten tot de nietigheid van onregelmatig ver-kregen bewijs. Die bepaling is vreemd aan de vraag of uit de bij het strafdossier gevoegde stukken afdoende een toestand van herhaling blijkt. In zoverre faalt het middel naar recht.
  4. Het bestreden vonnis oordeelt niet dat digitale informatie minder betrouw-baar is dan door de griffier met de hand genoteerde gegevens. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  5. In zoverre het middel uit die onjuiste lezing een motiveringsgebrek afleidt, is het niet ontvankelijk.
  6. De rechter kan een toestand van herhaling maar aannemen als hij vaststelt dat de bestanddelen voor die herhaling en de daarvoor geldende voorwaarden verenigd zijn. Het bewijs daarvoor dient te blijken uit de aan de rechter overge-legde en voor de partijen beschikbare stukken.
  7. Het openbaar ministerie draagt als vervolgende partij de bewijslast voor het voldaan zijn aan de voorwaarden voor de toestand van herhaling.
  8. Geen enkele bepaling verplicht de rechter die van oordeel is dat uit de hem overgelegde stukken niet blijkt dat de voorwaarden voor het vaststellen van de toestand van herhaling zijn vervuld, het debat te heropenen om het openbaar mi-nisterie in de gelegenheid te stellen daarover standpunt in te nemen en alsnog stukken te voegen.
  9. Het voor het vaststellen van de toestand van herhaling vereiste bewijs van een vroegere veroordeling die kracht van gewijsde heeft, wordt in de regel gele-verd door een door de griffier uitgereikt afschrift van de veroordelende beslis-sing of uittreksel met de vermelding dat die beslissing kracht van gewijsde heeft.
  10. Het bewijs van het bestaan van een vroegere veroordeling en van het kracht van gewijsde hebben van die beslissing kan door het openbaar ministerie even-wel ook met andere middelen worden geleverd. Het staat aan de rechter te oorde-len of het openbaar ministerie slaagt in zijn bewijslast.
  11. De rechter kan bij die beoordeling ook in aanmerking nemen dat de be-klaagde de toestand van herhaling niet betwist. Uit de enkele omstandigheid dat een beklaagde niet heeft aangevoerd dat de voorwaarden voor het aannemen van een toestand van herhaling, die zou kunnen blijken uit aan het dossier gevoegde stukken, niet zijn vervuld, volgt evenwel niet dat de rechter verplicht is die toe-stand van herhaling aan te nemen.
  12. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  13. Uit de voeging bij het strafdossier van een gewone kopie van een bij ver-stek gewezen vonnis dat als grondslag moet dienen voor de toestand van herha-ling, een schermafdruk uit een door de griffie gebruikt computerprogramma waaruit volgens de eiser zou moeten blijken dat dit vonnis werd betekend en er geen verzet of hoger beroep werd aangetekend en een inlichtingenbulletin waar-op het vonnis is vermeld, volgt niet dat de appelrechters noodzakelijk moesten aannemen dat vaststaat dat dit vonnis kracht van gewijsde heeft. Zij konden dan ook zonder de bewijskracht van deze stukken te miskennen, wettig oordelen dat de beschikbare stukken niet toelaten vast te stellen dat op de datum van het be-streden vonnis het vonnis dat wordt ingeroepen als grondslag voor de toestand van herhaling, kracht van gewijsde had. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 29,70 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Geert Jocqué, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 12 november 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231017.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.28 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.