← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.5 Rolnummer: P.19.1050.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-09-23 Raadplegingen: 637 - laatst gezien 2026-06-29 05:47 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het gegeven dat voor de weigering tot het toekennen van de strafuitvoeringsmodaliteiten van voorwaardelijke invrijheidstelling, elektronisch toezicht en beperkte detentie dezelfde wettelijke tegenaanwijzingen gelden, belet de strafuitvoeringsrechtbank niet te oordelen dat met betrekking tot de ene strafuitvoeringsmodaliteit aan een tegenaanwijzing kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden, terwijl dat met betrekking tot de andere strafuitvoeringsmodaliteit niet het geval is aangezien de impact van elk van die strafuitvoeringsmodaliteiten op de mate van vrijheidsbeperking van de gedetineerde verschillend is

(1).
(1)Cass. 10 oktober 2007, AR P.07.1362.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071010.5, AC 2007, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Wet Strafuitvoering - Artikel 47, § 1 - Strafuitvoeringsrechtbank - Toekennen van strafuitvoeringsmodaliteiten - Voorwaardelijke invrijheidstelling - Tegenaanwijzingen - Draagwijdte - Gevolg Wet Strafuitvoering - Artikel 47, § 1 - Strafuitvoeringsrechtbank - Toekennen van strafuitvoeringsmodaliteiten - Elektronisch toezicht - Tegenaanwijzingen - Draagwijdte - Gevolg Wet Strafuitvoering - Artikel 47, § 1 - Strafuitvoeringsrechtbank - Toekennen van strafuitvoeringsmodaliteiten - Beperkte detentie - Tegenaanwijzingen - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1050.N S D, veroordeelde tot een vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Laurent Van De Keere, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis nr. 1910/19 van de strafuitvoe-ringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 11 oktober
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 23 en 47, § 1, Wet Strafuitvoering.
  4. Het vonnis verwerpt eisers verzoek tot voorwaardelijke invrijheidsstelling. Artikel 23 Wet Strafuitvoering, dat betrekking heeft op de beperkte detentie en het elektronisch toezicht, is daarop niet van toepassing. Artikel 195 Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op vonnissen van de strafuitvoeringsrechtbank die oordelen over het toekennen van strafuitvoe-ringsmodaliteiten. Dit zijn immers geen veroordelende vonnissen in de zin van dat artikel. In zoverre het middel schending van die artikelen aanvoert, faalt het in zijn beide onderdelen naar recht. Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert aan dat het vonnis eisers verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling afwijst wegens het ontbreken van vooruitzichten op sociale re-classering, zonder verder te motiveren dat er aan die tegenaanwijzing niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; bij-gevolg is het niet mogelijk de wettigheid van de beslissing te toetsen.
  6. Krachtens artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering kunnen de in Titel V bepaal-de strafuitvoeringsmodaliteiten aan de daar bedoelde veroordeelde worden toe-gekend voor zover er in zijnen hoofde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
  7. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de strafuitvoerings-rechtbank niet uitdrukkelijk te motiveren dat aan de tegenaanwijzing op grond waarvan zij de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit weigert, niet kan worden te-gemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Daardoor wordt het toezicht op de wettigheid van de beslissing niet onmogelijk gemaakt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het even-eens naar recht. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert aan dat het vonnis tegenstrijdig is gemotiveerd; ener-zijds oordeelt het dat de meeste reclasseringspijlers nog intact zijn en dat het op-leggen van geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden tegemoet moet kunnen komen aan de wettelijke tegenaanwijzingen, anderzijds beslist het in het dictum dat eisers verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt afgewezen; noch-tans zijn de tegenaanwijzingen, met inbegrip van de mogelijkheid om daaraan tegemoet te komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden, dezelfde voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling, het elektronisch toezicht en de be-perkte detentie.
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser bij onderscheiden verzoekschriften aan de strafuitvoeringsrechtbank heeft gevraagd de respectieve strafuitvoeringsmodaliteiten van de voorwaar-delijke invrijheidsstelling, het elektronisch toezicht en de beperkte detentie te verkrijgen; - de strafuitvoeringsrechtbank in een apart vonnis de beperkte detentie aan de eiser heeft toegekend mits het naleven van bijzondere voorwaarden; - de strafuitvoeringsrechtbank met het hier bestreden vonnis aan de eiser de voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft geweigerd.
  10. Het gegeven dat voor de weigering tot het toekennen van de voormelde strafuitvoeringsmodaliteiten dezelfde wettelijke tegenaanwijzingen gelden, belet de strafuitvoeringsrechtbank niet te oordelen dat met betrekking tot de ene straf-uitvoeringsmodaliteit aan een tegenaanwijzing kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden, terwijl dat met betrekking tot de andere strafuitvoeringsmodaliteit niet het geval is. De impact van elk van die strafuitvoeringsmodaliteiten op de mate van vrijheidsbeperking van de gedeti-neerde is immers verschillend. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het even-eens naar recht.
  11. De tegenstrijdigheid in de motivering van het vonnis is afgeleid uit die on-juiste rechtsopvatting. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Geert Jocqué, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 12 november 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071010.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.