id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.1 Rolnummer: P.19.0538.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Overige Invoerdatum: 2019-11-21 Raadplegingen: 844 - laatst gezien 2026-06-29 08:03 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de tekst van artikel 236, eerste lid, Sociaal Strafwetboek, zoals toepasselijk van 1 juli 2011 tot 30 april 2016, volgt dat, indien de benadeelde derde zich burgerlijke partij heeft gesteld, de rechter geen ambtshalve veroordeling kan uitspreken en het stelsel van de artikelen 1382 en volgende Burgerlijk Wetboek en de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan worden toegepast. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Vrije woorden: Sociaal Strafwetboek - Inbreuken op de financiering van de sociale zekerheid - Burgerlijke partijstelling door de derde benadeelde - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet - 06-06-2010 - Art. 236, eerste lid - 06 ELI link Pub nr 2010009589 Fiche 2 Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel lex specialis derogat generalibus
(1).
(1)Cass. 8 mei 2012, AR P.11.0583.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.6, AC 2012, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: "Lex specialis derogat generalibus" - Waarde Fiche 3 De artikelen 265, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen zoals toepasselijk tot 30 april 2018, en XX.226, eerste lid, Wetboek economisch recht, staan niet eraan in de weg dat de in die bepalingen bedoelde personen op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade veroorzaakt door het door hun fout onbetaald blijven van de sociale zekerheidsbijdragen. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Vrije woorden: Sociale zekerheidsbijdragen - Onbetaald gebleven sociale zekerheidsbijdragen - Aansprakelijkheid zaakvoerders, gewezen zaakvoerders, bestuurders en andere personen - Grondslag Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wetboek van Vennootschappen - 07-05-1999 - Art. 265, § 2, eerste lid - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.226, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0538.N R. P. L. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Daan De Backer, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, Brugsesteenweg 255, waar de eiser woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie en met als raadsman mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 25 april 2019, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 5 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. De eiser heeft op 8 november 2019 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 35, tweede lid, later artikel 35, § 1, derde lid, RSZ-wet (respectievelijk toepasselijk in verschillende delen van de incriminatieperiode van 30 juni 1997 tot 31 december 2009) en artikel 236 Sociaal Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser ten onrechte tot de be-taling van schadevergoeding aangezien de in artikel 35, tweede lid, later artikel 35, § 1, derde lid, RSZ-wet bepaalde bijzondere herstelwijze uitsluit dat de straf-rechter de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering veroordeelt tot een schadeloosstelling berekend op de ontdoken bijdragen; artikel 236 Sociaal Strafwetboek bevat enkel de mogelijkheid om de schuldenaar van de bijdragen tot betaling ervan te veroordelen.
- De door het onderdeel bedoelde bijzondere herstelwijze werd tot 1 juli 2011 geregeld door artikel 35 RSZ-wet. Zij wordt vanaf die datum geregeld door artikel 236 Sociaal Strafwetboek.
- Krachtens artikel 236, eerste lid, Sociaal Strafwetboek, zoals toepasselijk van 1 juli 2011 tot 30 april 2016, veroordeelt de rechter die de straf uitspreekt voorzien in de artikelen 218, 220 en 211 (en met ingang van 8 januari 2018 de artikelen 171/4, 218, 220, 223, § 1, eerste lid, 1° en 234, § 1, 3°), of die de schuld vaststelt voor een inbreuk op deze bepalingen, wanneer de benadeelde derde zich geen burgerlijke partij heeft gesteld, de schuldenaar van onbetaalde of gedeelte-lijk onbetaalde bijdragen ambtshalve tot het betalen van de achterstallige bijdra-gen, de bijdrageopslagen en de verwijlinteresten.
- Uit de tekst van artikel 236, eerste lid, Sociaal Strafwetboek volgt dat, in-dien de benadeelde derde zich burgerlijke partij heeft gesteld, de rechter geen ambtshalve veroordeling kan uitspreken en het stelsel van de artikelen 1382 en volgende Burgerlijk Wetboek en de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering kan worden toegepast. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 23, § 1, en 35, tweede lid, later artikel 35, § 1, derde lid, RSZ-wet en artikel 236 Sociaal Strafwetboek: het arrest veroordeelt ten onrechte een ander dan de werkgever tot betaling van de sociale zekerheidsbijdragen, terwijl enkel de werkgever daartoe kan worden veroordeeld; het is niet omdat een lasthebber of aangestelde strafrechtelijk kan worden veroordeeld voor de niet-betaling van de sociale zekerheidsbijdragen dat deze bijdragen kunnen worden verhaald op die lasthebber of aangestelde.
- Het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aange-voerde onwettigheid. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 23 en 35 RSZ-wet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat een bijzondere strafwet voorrang heeft op een algemene strafwet: het arrest past ten onrechte deze wets-bepalingen niet toe, terwijl die als lex specialis voorrang hebben op de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 1382 Burger-lijk Wetboek.
- Het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aange-voerde onwettigheid. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 265 Wetboek van Vennoot-schappen, thans artikel XX.226 Wetboek Economisch Recht, alsmede misken-ning van het algemeen rechtsbeginsel lex specialis derogat generalibus: het ar-rest oordeelt ten onrechte dat artikel 265 Wetboek van Vennootschappen niet uitsluit dat de aansprakelijkheid ook op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wet-boek kan worden vastgesteld; de doorbreking van de rechtspersoonlijkheid en de aansprakelijkheid van de zaakvoerders van een vennootschap voor sociale zeker-heidsbijdragen wordt immers exclusief geregeld door de vermelde bepalingen; bovendien bepaalt artikel 265 Wetboek van Vennootschappen dat enkel voor fei-ten vanaf 2006 onder strikte voorwaarden de volkomen rechtspersoonlijkheid van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid wordt opgeheven, zodat dit niet kan worden toegepast op de thans te beoordelen feiten.
- Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel lex specialis derogat generalibus. In zoverre het onderdeel miskenning van dat algemeen rechtsbeginsel aanvoert, faalt het naar recht.
- Krachtens artikel 265, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen zoals toepasselijk tot 30 april 2018, kunnen de zaakvoerders, gewezen zaakvoerders en alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap werkelij-ke bestuursbevoegdheid hebben gehad, door de Rijksdienst voor Sociale Zeker-heid en de curator persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van alle op het ogenblik van de uitspraak van het faillis-sement verschuldigde sociale bijdragen, bijdrageopslagen, verwijlinteresten en de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, indien komt vast te staan dat een door hen begane grove fout aan de basis lag van het faillissement, of indien zij zich, in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring in de situatie bevonden hebben zo-als beschreven in artikel 38, § 3octies, 8°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. Krachtens artikel XX.226, eerste lid, Wetboek Economisch Recht kunnen de huidige of gewezen bestuurders, zaakvoerders, dagelijkse bestuurders, leden van een directieraad of van een raad van toezicht, alsmede alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de onderneming werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad, op vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of van de curator persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van alle op het ogenblik van de uitspraak van het faillissement ver-schuldigde sociale bijdragen met inbegrip van de verwijlinteresten, indien zij, in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring, be-trokken zijn geweest bij minstens twee faillissementen of vereffeningen van on-dernemingen waarbij schulden ten aanzien van een inningsorganisme van de so-ciale zekerheidsbijdragen onbetaald zijn gebleven, voor zover zij bij die eerder failliet verklaarde of vereffende ondernemingen ten tijde van de faillietverkla-ring, ontbinding of aanvang van de vereffening tevens bestuurder, gewezen be-stuurder, lid of gewezen lid van de directieraad of van de raad van toezicht waren of ten aanzien van de zaken van de onderneming werkelijke bestuursbevoegdheid hadden of hebben gehad.
- Deze wetsbepalingen staan niet eraan in de weg dat die personen op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade veroorzaakt door het door hun fout onbetaald blijven van de bedoelde sociale zekerheidsbijdragen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 19 november 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230403.3N.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231129.2F.4 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260417.1F.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div