id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.10 Rolnummer: P.19.0793.N Zaak: H. contra K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-11-21 Raadplegingen: 883 - laatst gezien 2026-06-29 06:25 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De voor het misdrijf van bendevorming, als bedoeld in de artikelen 322, 323 en 324 Strafwetboek, vereiste bestanddelen zijn het bestaan van een georganiseerde groep personen die het oogmerk heeft om op personen of op eigendommen aanslagen te plegen die misdaden of wanbedrijven zijn, en de bewuste wil om van die georganiseerde groep deel uit te maken
(1)Cass. 24 juni 2008, AR P.08.0408.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080624.6, AC 2008, nr. 394. Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Lidmaatschap - Moreel bestanddeel Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 322, 323 en 324 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Moreel bestanddeel - Vereniging van misdadigers - Lidmaatschap - Moreel bestanddeel Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 322, 323 en 324 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0793.N I T. M. J. A. H., , beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kan-toor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlaan 122, waar de eiser woonplaats kiest, II G. B., beklaagde, eiser, aangehouden, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel, de beide cassatieberoepen tegen 1. J. K., burgerlijke partij, 2. A. J., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 26 juni 2019. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II 1. Het arrest spreekt de eiser II vrij voor de feiten van de telastlegging A en verklaart de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders in de mate dat die op deze telastlegging zijn gesteund ongegrond. In zoverre eveneens tegen deze beslissing gericht, is het cassatieberoep bij ge-brek aan belang niet ontvankelijk. 2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cas-satieberoep II aan de verweerders is betekend, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing op de door de verweerders ingestelde bur-gerlijke rechtsvorderingen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I in hun geheel 3. Het eerste middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook mis-kenning van het recht op een eerlijk proces: de eiser I werd niet berecht door een onpartijdige rechterlijke instantie; ondanks zijn gunstig strafrechtelijk verleden zonder gewelddadige voorgaanden werd de eiser I veroordeeld tot een even zwa-re, lange en effectieve gevangenisstraf als de medebeklaagden die beroepscrimi-nelen zijn en dit omwille van zijn militaire verleden; dergelijke subjectieve mo-tivering volstaat niet voor het opleggen van een dermate hoge gevangenisstraf. Het tweede middel voert miskenning aan van de motiveringsplicht: het arrest is niet afdoende gemotiveerd gezien eisers veroordeling tot een gevangenisstraf van dertien jaar voornamelijk steunt op een subjectieve beoordeling en niet op objectieve elementen van het dossier. 4. De rechter bepaalt, binnen de door de wet gestelde perken, op onaantastba-re wijze de strafmaat die hij in verhouding acht tot de zwaarte van de bewezen verklaarde misdrijven en tot de persoonlijkheid van de beklaagde. 5. Bij die beoordeling mag de rechter wel degelijk het beroepsverleden van een beklaagde betrekken zo hij dat relevant acht met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten. Dit houdt geen miskenning in van het recht op een eerlijk pro-ces in het algemeen en het recht op een onafhankelijke of onpartijdige rechter. 6. Uit de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering volgt dat ook de appelrechter zijn keuze van de straffen en hun maat nauwkeurig maar beknopt moet motiveren, voor zover de wetgever die aan zijn vrije beoordeling heeft overgelaten. 7. De rechter moet enkel de aan een beklaagde opgelegde bestraffing motive-ren. Hij moet een verschil in bestraffing tussen beklaagden niet motiveren. 8. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 9. Uit de motivering door het arrest dat het onverteerbaar blijft dat de eiser I als oud-militair die in ex-Joegoslavië heeft gediend, een beroep heeft gedaan op een "Albanees incassobureau", kan in het licht van de door het arrest vastgestel-de feitelijke gegevens niet in het algemeen worden afgeleid dat Albanezen per definitie niet te vertrouwen zijn. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. 10. Het arrest motiveert de aan de eiser I opgelegde bestraffing met de volgen-de redenen: - de eiser I is de opdrachtgever van de feiten vermeld onder de telastlegging A tegenover de ouders van zijn toenmalige vriendin en hij draagt ter zake een verpletterende verantwoordelijkheid; - ongeacht of de eiser O.B. al dan niet heeft gewezen op het feit dat J. ziekelijk was, blijft het onverteerbaar dat hij als oud-militair die in ex-Joegoslavië heeft gediend, een beroep doet op een "Albanees incassobureau" om zijn fi-nancieel geschil met de dochter van de verweerders te regelen; - de eiser I heeft aan de leider van de bende kennis gegeven van de indeling van het huis, wat volstrekt overbodig was als men op "nette wijze" het geschil wou bespoedigen; - ook het urenlang handelen zonder enige oplossingsbereidheid nadat hij de woning te Spa had verlaten met de opdracht 600.000 euro te verzamelen, hierbij zijn partner en zoontje achterlatend in handen van vier Albanese cri-minelen die tot veel in staat zijn, getuigt van een ongehoorde lafhartigheid en normloosheid en gebrek aan scrupules; - de eiser I die opdrachtgever is van de home invasion dient bijzonder zwaar te worden bestraft gelet op zijn voormalige functies en kennis als ex-militair en gelet op zijn relatie met de slachtoffers in deze zaak. Met het geheel van die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht en dus zonder miskenning van eisers recht op een eerlijk proces waarvan het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter deel uitmaakt, de keuze en de maat van de aan de eiser I opgelegde bestraffing. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Middelen van de eiser II Eerste middel 11. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM: het arrest weigert ten onrechte een getuige, waarvan de verklaring wel in aanmerking wordt genomen, ter rechtszitting te horen omwille van zijn verblijf in een Ierse gevangenis, zijn statuut als beklaagde, het niet gebruiken van zijn verklaring als steunbewijs, zijn eerdere confrontatie met de eiser II tijdens het vooronderzoek en het hem horen tijdens het debat voor de eerste rechter. 12. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uit-spreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een be-klaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die be-klaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door arti-kel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen on-dervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervol-ging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf. 13. Uit artikel 6.1 EVRM volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aange-voerde bewijs hem wordt voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting en de beklaagde dit bewijs moet kunnen tegenspreken. 14. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
- i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen fei-telijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszit-ting kunnen verantwoorden; (
- ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat het het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet-kunnen ondervragen van de getuige voldoende compense-rende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het toekennen van een mindere bewijswaarde aan dergelijke verklaringen, het voorhanden zijn van een video-opname van het tijdens het vooronderzoek afgenomen verhoor wat een be-oordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring moet toelaten, het bestaan van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaring ondersteunt of bevestigt, de mogelijkheid om aan de getuige geschre-ven vragen te bezorgen of de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de moge-lijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken op het vlak van de geloofwaardigheid van de getuige of interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 15. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde, tenzij één van de criteria van dermate overwegend belang is dat dit criterium volstaat om uit te maken of het strafproces in zijn ge-heel beschouwd al dan niet eerlijk verloopt. 16. De rechter oordeelt onaantastbaar of, rekening houdende met de voormelde criteria, het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het voor-onderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd miskent. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 17. Het arrest oordeelt dat: - het niet past O.B. die de hoedanigheid van beklaagde heeft en zich in een ge-vangenis in Ierland bevindt, als getuige onder eed te horen; - er voor het niet horen ter rechtszitting van deze persoon voldoende compense-rende factoren zijn in de vorm van procedurele waarborgen voor de eiser; - er tussen de eiser II en O.B. reeds een confrontatie plaatsgreep op 9 augustus 2016, die meer dan twee uur duurde, in het bijzijn van hun respectieve advo-caten; - de eiser II en O.B. aanwezig waren op de rechtszitting van 18 januari 2017 voor de eerste rechter en hun verklaringen uitvoerig op het zittingsblad wer-den genoteerd en er een debat ter zitting werd gevoerd waarbij er meerdere replieken van de eiser II en O.B. op elkaars verklaringen eveneens werden ge-noteerd; - de eiser II tijdens het vooronderzoek meermaals heeft gewezen op mogelijke ongerijmdheden in de verklaring van O.B. en de speurders desbetreffend in de mate van het mogelijke onderzoek hebben verricht; - het recht van verdediging van de eiser II, rekening houdend met de totaliteit van de gevoerde strafvervolging, niet wordt miskend door het loutere feit dat hij niet opnieuw wordt geconfronteerd met O.B. als getuige ter rechtszitting; - de eiser II tijdens het vooronderzoek, voor de eerste rechter en voor het hof van beroep uitgebreid tegenspraak heeft kunnen voeren over belastende ver-klaringen afgelegd door de medebeklaagde O.B., inclusief de geloofwaardig-heid, de volledigheid en de betrouwbaarheid van deze verklaringen; - de gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, waar-bij niet alleen rekening houdende met eisers recht van verdediging maar ook met de belangen van de samenleving, van de slachtoffers en van de medebe-klaagden. Met die redenen geven de appelrechters blijk dat zij eisers verzoek tot het horen van de medebeklaagde O.B. ter rechtszitting als getuige aan de hand van de drie hierboven vermelde criteria hebben beoordeeld en verantwoorden zij naar recht hun beslissing om dit verzoek af te wijzen. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel 18. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 322 en 323 Strafwetboek: het arrest stelt niet afdoende naar recht vast dat de bende op het ogenblik van de voorbereidende handelingen die het viseert derwijze georgani-seerd was dat ze in staat was om op het geschikte ogenblik op te treden noch dat de eiser II die voor zijn deelname aan de aanslag zelf werd vrijgesproken, de wil had deel uit te maken van deze bende; het arrest beantwoordt niet eisers in con-clusie gevoerd verweer dat de constitutieve elementen van het hem ten laste ge-legde misdrijf niet zijn verenigd. 19. De artikelen 322, 323 en 324 Strafwetboek stellen strafbaar het inrichten van een bende met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op ei-gendommen en het deel uitmaken van zo een vereniging. De voor dit misdrijf vereiste bestanddelen zijn het bestaan van een georganiseer-de groep personen die het oogmerk heeft om op personen of op eigendommen aanslagen te plegen die misdaden of wanbedrijven zijn en de bewuste wil om van die georganiseerde groep deel uit te maken. Het voorwerp van dit misdrijf is de bendevorming zelf en niet de daarvan te on-derscheiden misdrijven die het oogmerk van de bende zijn. Voor de personen die van een vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen deel uitmaken, bestaat het morele be-standdeel van het misdrijf derhalve in de bewuste wil, welke ook de beweegre-denen daartoe mogen zijn, van de bende lid te zijn. Vereist is de wil om lid te zijn van die bende, terwijl men zich bewust is van het feit dat die gevormd is om aanslagen te plegen, zonder dat vereist is dat ieder bendelid de persoonlijke in-tentie heeft om binnen de vereniging een misdrijf te plegen. 20. De appelrechters oordelen dat: - de eiser II naast de beklaagden O.B. en B.A. ook B.I. kende hetgeen blijkt uit 13 contacten in de periode tussen 31 mei 2015 en 6 september 2015 tussen ei-sers oproepnummer en dat van B.I.; - er ook telefonische contacten werden teruggevonden met een oproepnummer dat nauwe contacten onderhield met bendelid G.E.; - het volstrekt ongeloofwaardig is dat de eiser II, die samen met O.B. met een voertuig ingeschreven op een valse naam van Ierland naar Duitsland reisde, samenwoonde in Aken en berichten in codetaal uitwisselde met O.B., totaal onwetend zou zijn geweest betreffende het feit dat er tijdens de samenkomst aan het Van der Valk-hotel in Maastricht een voorverkenning werd gedaan door O.B. in gezelschap van A. en H., terwijl hij meer dan een uur in gezel-schap van B.I. ter plaatse bleef. Met die redenen stellen de appelrechters wel degelijk het bestaan vast van een georganiseerde groep die op het geschikte ogenblik kon optreden om een aanslag op personen of op eigendommen te plegen en dat de eiser II de bewuste wil had deel uit te maken van deze groep, beantwoorden zij het door de eiser II in zijn conclusie gevoerde verweer en verantwoorden zij de schuldigverklaring van de eiser II aan de feiten van de telastlegging D naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Onmiddellijke aanhouding 21. Gelet op de verwerping van de cassatieberoepen I en II tegen de beslissin-gen op de strafvordering, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde zodat de cassa-tieberoepen tegen de beslissingen waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eisers I en II wordt bevolen, geen bestaansreden meer hebben. Ambtshalve onderzoek 22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 231,61 euro, waarvan de eiser I 115,80 euro verschuldigd is, en eiser II 115,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 19 november 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.10 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220524.2N.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080624.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140304.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140326.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div