← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 23

, tweede en vierde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Taalgebruik gerechtszaken - Strafzaken - Verzoek tot verwijzing naar een andere rechtscollege van dezelfde rang - Objectiveerbare omstandigheden eigen aan de zaak Wettelijke bepalingen:

Art. 23

, tweede en vierde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Vrije woorden: Taalgebruik gerechtszaken - Strafzaken - Verzoek tot verwijzing naar een andere rechtscollege van dezelfde rang - Objectiveerbare omstandigheden eigen aan de zaak - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter - Toezicht door het Hof Wettelijke bepalingen:

Art. 23

, tweede en vierde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0758.N I en II J.-C. A. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Cavit Yurt, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige en Franstalige arrondissementsrechtbank van het arrondissement Brussel, zetelend in verenigde vergadering, van 10 december 2018 (hierna bestreden vonnis I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Neder-landstalige correctionele rechtbank Brussel van 20 juni 2019 (hierna bestreden vonnis II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel

  1. Het middel voert schending aan van artikel 23 Taalwet Gerechtszaken: de door het bestreden vonnis I vermelde omstandigheden kunnen niet worden ge-zien als objectiveerbare omstandigheden eigen aan de zaak die de afwijzing van een verzoek tot taalwijziging kunnen verantwoorden; noch de eenvoudigheid van de zaak, noch de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door een tolk, noch het tijdsverlies en de vertraging die de onttrekking aan de "natuurlijke rechter" van de zaak zou veroorzaken, zijn dergelijke omstandigheden; dat geldt ook voor het risico van verjaring en het mogelijk dilatoir karakter van het verzoek; verstek la-ten valt onder de uitoefening van het recht van verdediging en een verzoek om taalwijziging kan enkel worden afgewezen indien het werd geformuleerd met onbetwistbare dilatoire doeleinden; de verjaring van de strafvordering zal overi-gens ten vroegste worden bereikt einde
  2. Artikel 23, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat een beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt, wanneer hij te-rechtstaat voor een politierechtbank waarvan de taal van de rechtspleging het Nederlands is, kan vragen dat de rechtspleging in het Frans geschiedt. Artikel 23, vierde lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat in voorkomend geval de rechtbank de verwijzing gelast naar het dichtstbij gelegen gerecht van dezelfde rang, waar-van de taal van de rechtspleging de taal is die door de beklaagde is gevraagd, maar dat de rechtbank evenwel kan beslissen wegens de omstandigheden van de zaak niet op de aanvraag van de beklaagde te kunnen ingaan.
  3. Uit deze bepalingen volgt voor een beklaagde in beginsel het recht om in de in die bepaling bedoelde gevallen de verwijzing te horen bevelen naar een ge-recht waar de taal van de rechtspleging die is welke de beklaagde kent of waarin hij zich gemakkelijker uitdrukt. De rechter mag het verzoek om taalwijziging evenwel afwijzen indien er objec-tiveerbare omstandigheden zijn eigen aan de zaak die maken dat het aangewezen is dat hijzelf de zaak beoordeelt. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite over het bestaan van dergelijke om-standigheden. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  4. Het bestreden vonnis I grondt de bevestiging van de afwijzing door de poli-tierechtbank Vilvoorde van eisers verzoek om taalwijziging op de volgende om-standigheden: - het betreft een eenvoudige zaak: het dossier bestaat slechts uit één proces-verbaal en één door de eiser in het Frans afgelegde en door hem ondertekende verklaring, waaruit dan wordt afgeleid dat de eiser begrijpt welke inbreuk hem wordt ten laste gelegd; - de eiser kan zelf aanwezig zijn op de rechtszitting en zich in het Frans uitdrukken; - de verwijzing naar een andere rechtbank brengt heel wat tijdsverlies mee en dus een vertraging in de behandeling van de zaak ten gronde en gaat gepaard met een verhoging van de kosten van de rechtspleging (verzending van het dossier, organisatie van een nieuwe zitting, nieuwe dagvaarding, instuderen van het dossier door een nieuwe parketmagistraat en magistraat) en brengt mee dat de zaak wordt onttrokken aan zijn "natuurlijke rechter", dit wil zeggen de rechter die normaal bevoegd is om op grond van de plaats van het misdrijf van de zaak kennis te nemen; - er bestaat een risico op verjaring en het verzoek van de eiser is mogelijk dila-toir: de feiten dateren van 29 juli 2017 en hoewel de eiser ruim vóór de rechtszitting van 2 mei 2018 werd gedagvaard liet hij verstek om uiteindelijk pas op 3 juli 2018 verzet aan te tekenen.
  5. De wetgever heeft het door artikel 23, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken bedoelde recht om een taalwijziging te vragen niet beperkt tot complexe zaken. Het gegeven dat een zaak eenvoudig is, maakt dan ook geen objectiveerbare om-standigheid eigen aan de zaak uit die de afwijzing van een verzoek om taalwijzi-ging kan verantwoorden.
  6. Noch de omstandigheid dat een beklaagde die is gedagvaard voor een rechtbank met het Nederlands als taal van de rechtspleging, op de rechtszitting aanwezig kan zijn en zich in het Frans kan uitdrukken noch het gegeven dat een verwijzing tijdsverlies veroorzaakt en tot een verhoging van kosten leidt, zijn objectiveerbare omstandigheden eigen aan de zaak, aangezien dergelijke gevol-gen zich voordoen in elke zaak waarin een taalwijziging wordt toegestaan.
  7. Hoewel een dreigende verjaring van de strafvordering een omstandigheid kan zijn die overeenkomstig artikel 23, vierde lid, Taalwet Gerechtszaken de af-wijzing van een verzoek om taalwijziging verantwoordt, levert de enkele vast-stelling dat er in de zaak een risico op verjaring bestaat geen objectiveerbare omstandigheid op eigen aan die zaak. Daartoe is vereist dat de rechter rekening houdend met de toepasselijke verjaringstermijn en de in acht te nemen periodes van schorsing van de verjaring en daden van stuiting van die verjaring, vaststelt dat er op het ogenblik van zijn beslissing een reëel risico is op verjaring van de strafvordering.
  8. Het gegeven dat een verzoek om taalwijziging "mogelijk" dilatoir is, zon-der de vaststelling door de rechter dat dit ook daadwerkelijk het geval is, kan geen objectiveerbare omstandigheid eigen aan de zaak opleveren.
  9. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis I uit de vaststellingen die het bevat, niet wettig kon afleiden dat er objectiveerbare omstandigheden zijn eigen aan de zaak die toelaten het verzoek om taalwijziging af te wijzen. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
  10. De voormelde onwettigheid leidt tot de vernietiging van het bestreden vonnis I, met uitzondering van de beslissing over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Die vernietiging leidt tot de vernietiging van de erop volgende rechtspleging met inbegrip van het bestreden vonnis II, die er een gevolg van zijn. Tweede middel
  11. Gelet op de uit te spreken vernietiging van het bestreden vonnis II, behoeft dit middel, dat op dit vonnis betrekking heeft, geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt - het bestreden vonnis I, met uitzondering van de beslissing over de ontvan-kelijkheid van het hoger beroep; - de op het bestreden vonnis I volgende rechtspleging met inbegrip van het be-streden vonnis II. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde vonnis I en het vernietigde vonnis II. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige en Franstalige arron-dissementsrechtbank van het arrondissement Brussel, verenigd in algemene ver-gadering, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 205,87 euro waarvan op het cassatieberoep I 104,58 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep II 101,29 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 19 november 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.166 precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151110.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.29 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.6 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.