id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 204- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 16-03-1968 - Artt.
29, § 4, derde lid, en 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 29 Vrije woorden: Bijzondere herhaling - Begrip - Uitwerking Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 204- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 16-03-1968 - Artt.
29, § 4, derde lid, en 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Vrije woorden: Bijzondere herhaling - Begrip - Uitwerking Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 204- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 16-03-1968 - Artt.
29, § 4, derde lid, en 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Grievenformulier - Grief enkel met betrekking tot de strafmaat - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 204- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 16-03-1968 - Artt.
29, § 4, derde lid, en 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiche 5 De rechter is niet verplicht om een niet ondertekend afschrift van een vonnis en een uittreksel uit het strafregister van de beklaagde waarop dit vonnis is vermeld, te aanvaarden als bewijs van het bestaan van de aangevoerde staat van herhaling, maar hij kan daartoe de voorlegging vragen van een ondertekend afschrift van het vonnis en een door de griffier opgesteld attest van niet-verhaal; hiermee voegt de rechter aan de wet geen formalistische voorwaarde toe waarin deze niet voorziet. Thesaurus CAS: HERHALING Vrije woorden: Bijzondere herhaling - Wegverkeerswet - Artikelen 29, § 4, derde lid en 38, § 6, eerste lid - Bewijs - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1968 - Artt. 29, § 4, derde lid, en 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0860.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AAN-LEG WEST-VLAANDEREN, afdeling Ieper, eiser, tegen F. F. B., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Koen Bentein, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Ieper, van 20 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
- Artikel 429, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de verweer-der in cassatie zijn antwoord slechts kan aanvoeren in een memorie die hij uiter-lijk acht dagen vóór de rechtszitting ter griffie van het Hof moet doen toekomen.
- De memorie van antwoord werd neergelegd op 12 november 2019, dit is buiten de voormelde termijn van ten minste acht dagen vóór de rechtszitting van 19 november
- De memorie is laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet, de artikelen 204 en 592, eerste en derde lid, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 29, § 4, derde lid, en 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de staat van herhaling zoals bepaald in de voormelde artikelen van de Wegverkeerswet niet is aangetoond ten aanzien van de verweerder omdat de eiser geen ondertekend afschrift van het vonnis waarop de herhaling steunt noch een attest van niet-verhaal heeft bijgebracht; de saisine van de appelrechters was echter beperkt tot de strafmaat; bovendien heeft de eiser tot staving van het bestaan van de herhaling een niet ondertekend afschrift van het bedoelde vonnis en een uittreksel uit het centraal strafregister van de verweerder, waarop dit vonnis is vermeld, bijgebracht; het centraal strafregister is een authentieke bron, zodat de door de eiser bijgebrachte stukken een gelijkwaardige garantie bieden als een ondertekend afschrift van het vonnis met een attest van niet-verhaal en kunnen dienen als bewijs van de herhaling; de appelrechters die dit niet aanvaarden, voegen aan de wet een formalistische voorwaarde toe waarin deze niet voorziet.
- In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 149 Grondwet schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- De herhalingen bepaald in artikel 29, § 4, derde lid, en artikel 38, § 6, eer-ste lid, Wegverkeerswet betreffen persoonlijke omstandigheden die eigen zijn aan de dader van het verkeersmisdrijf en die alleen invloed hebben op de straf. Bijgevolg zijn deze herhalingen begrepen in de grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering, die enkel betrekking heeft op de strafmaat. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Eensdeels oordeelt de rechter onaantastbaar of het bewijs van de wettelijke vereisten voor de herhaling is geleverd. Anderdeels kent artikel 592 Wetboek van Strafvordering aan een uittreksel uit het centraal strafregister geen authen-tieke of verplichte bewijswaarde toe. Bijgevolg is de rechter niet verplicht om een niet-ondertekend afschrift van een vonnis en een uittreksel uit het strafregis-ter van de beklaagde waarop dit vonnis is vermeld, te aanvaarden als bewijs van het bestaan van de aangevoerde staat van herhaling, maar kan hij daartoe de voorlegging vragen van een ondertekend afschrift van het vonnis en een door de griffier opgesteld attest van niet-verhaal. Hiermee voegt de rechter aan de wet geen formalistische voorwaarde toe waarin deze niet voorziet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis stelt vast dat de appelrechters de eiser hebben ver-zocht om een ondertekend afschrift en een attest van niet-verhaal te voegen met betrekking tot het vonnis waarvan de eiser aanvoerde dat het ten grondslag lag aan de staat van herhaling van de verweerder. Het stelt ook vast dat de eiser heeft geantwoord dat dit niet noodzakelijk is. Het vonnis dat in die omstandigheden oordeelt zoals in het middel vermeld, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 57,84 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 19 november 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div