id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.5 Rolnummer: P.19.0861.N Zaak: PROCUREUR-GENERAAL TE GENT contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2019-11-22 Raadplegingen: 1004 - laatst gezien 2026-06-29 07:10 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De artikelen 121 tot 127 van de Programmawet van 27 december 2005 en het model van regularisatie-aangifte gevoegd als bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 9 maart 2006 tot vastlegging van de formuliermodellen te gebruiken in uitvoering van de artikelen 124 en 127/2 van de Programmawet van 27 december 2005, zoals toepasselijk op 27 juni 2013, houden voor de aangever niet de verplichting in om alle niet aangegeven roerende inkomsten of alle aanslagjaren waarop die niet-aangifte betrekking heeft, te vermelden in zijn regularisatie-aangifte, noch om te verklaren dat dit het geval is, maar laten hem toe te kiezen welke waarden en inkomsten hij voor welke jaren wenst op te geven met het oog op regularisatie; evenmin verplichten die bepalingen de aangever opgave te doen van alle buitenlandse rekeningen. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen Vrije woorden: Programmawet 27 december 2005 - Niet aangegeven sommen, waarden en inkomsten - Regularisatieaangifte - Verplichte vermeldingen - Grens Fiche 2 Illegale vermogensvoordelen als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek omvatten zowel goederen en waarden als elk economisch voordeel uit een misdrijf , op voorwaarde dat er een causaal verband bestaat tussen het misdrijf en het vermogensvoordeel; het enkele feit dat een belastingplichtige bedrieglijk het bestaan van een buitenlandse rekening verzwijgt voor de fiscale administratie en door dat misdrijf het onderzoek van die administratie verhindert, impliceert niet dat die rekening of het saldo erop een vermogensvoordeel is dat voortvloeit uit die verzwijging en dienvolgens het voorwerp kan uitmaken van een witwasmisdrijf. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogensvoordelen - Begrip - Voorwaarde - Toepassing Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 43, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: Fiscale Actualiteit [Fisc.Act.] - 2019, nr. 40, p. 9-
- - GOYVAERTS, Gerd; Noot'Cassatie: partiële aangifte EBA-bis is wel degelijk wettelijk' Tekst van de beslissing Nr. P.19.0861.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, tegen G. A. A. D. P., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, eerste kamer, van 27 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 121 tot 127 van de Programmawet van 27 december 2005, zoals van toepassing: het arrest oordeelt ten onrechte dat het de aangever vrij staat zelf te bepalen welke waarden en inkomsten hij wenst te regulariseren; het feit dat een regularisatieaangifte wel degelijk melding dient te maken van alle niet aangegeven inkomsten blijkt uit de notie ‘regularisatie’ zelf en het feit dat de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het systeem van fiscale regularisatie en tot invoering van een sociale regularisatie voorziet in de uitzonderlijke mogelijkheid van een tweede regularisatieaangifte, alsmede uit de wetsgeschiedenis van die laatste wet; dat in het aanvraagformulier geen specifieke vraag wordt gesteld naar andere buitenlandse niet aangegeven inkomsten of buitenlandse rekeningen, speelt geen rol.
- Onder de telastleggingen A is de verweerder vervolgd wegens valsheid in geschriften in de zin van artikel 450, eerste lid, WIB92 door op 27 juni 2013 nagelaten te hebben in zijn regularisatieaangifte van dezelfde datum: - melding te maken van een gedeelte van zijn roerende inkomsten, namelijk van de fiscaal verjaarde roerende inkomsten begrepen in de tegoeden op de Luxemburgse rekening nr. 267.253 bij ING en van de roerende inkomsten begrepen in de tegoeden op de rekening 'Freedom' nr. 638.8532 bij de bank Julius Bär te Genève (nadien ING Bank Suisse SA) (inkomsten van augustus 2008 tot 4 mei 2011); - melding te maken van al zijn buitenlandse rekeningen, meer bepaald de voormelde rekening 'Freedom', met een saldo van 349.619,51 euro op 8 april
- Onder de telastleggingen B.1 en B.2 is de verweerder vervolgd voor het gebruik van de onder de telastleggingen A vermelde stukken. Die telastleggingen vallen zodoende onder de artikelen 121 tot 127 van de Programmawet van 27 december 2005 en het model van regularisatieaangifte gevoegd als bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 9 maart 2006 tot vastlegging van de formuliermodellen te gebruiken in uitvoering van de artikelen 124 en 127/2 van de Programmawet van 27 december 2005, zoals toepasselijk op 27 juni
- Die bepalingen en dat model houden voor de aangever niet de verplichting in om alle niet aangegeven roerende inkomsten of alle aanslagjaren waarop die niet-aangifte betrekking heeft, te vermelden in zijn regularisatieaangifte, noch om te verklaren dat dit het geval is, maar laten hem toe te kiezen welke waarden en inkomsten hij voor welke jaren wenst op te geven met het oog op regularisatie. Evenmin verplichten die bepalingen de aangever om opgave te doen van alle buitenlandse rekeningen. De wetsgeschiedenis en de bepalingen van de wet van 11 juli 2013, die in werking is getreden na de feiten, doen daaraan geen afbreuk. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 450 WIB92: het arrest oor-deelt ten onrechte dat een regularisatieaangifte geen strafrechtelijk beschermd geschrift is voor wat betreft de erin aangegeven buitenlandse inkomsten of rekeningen omdat het de aangever destijds vrij stond te bepalen welke waarden en inkomsten hij wenste te regulariseren en er hem in het aangifteformulier niet uitdrukkelijk werd gevraagd of hij buiten de aangegeven sommen over geen andere buitenlandse inkomsten of rekeningen beschikte; immers de in de regularisatieaangifte opgenomen gegevens hebben juridische gevolgen, er is geen controle van de regularisatieaangifte en die aangifte wordt ook gebruikt door deze in te dienen bij het Contactpunt Regularisaties.
- Het misdrijf valsheid in geschriften als bedoeld in artikel 450 WIB92 bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met het in die bepaling vereiste opzet, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan. Een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten.
- Een aangifte die geen verplichting inhoudt alle te regulariseren sommen, waarden of inkomsten te vermelden, kan de overheid niet overtuigen van het feit dat alle door de aangever niet aangegeven buitenlandse inkomsten of rekeningen erin zijn opgenomen. Bijgevolg dringt een dergelijke aangifte zich wat dit aspect betreft niet op aan het openbaar vertrouwen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert niet de wettigheid van de niet-vermelding van de niet-verjaarde inkomsten die het voorwerp zijn van de telastleggingen A en B, meer bepaald van de niet-verjaarde inkomsten op de rekening ‘Freedom’ bij de bank Julius Bär te Genève en deze rekening zelf; aldus is het arrest niet regelmatig gemotiveerd.
- Met de redenen die het bevat, motiveert het arrest (rechtsoverwegingen 5, a-g en i-j) wel degelijk waarom de niet-aangifte van de niet-verjaarde inkomsten op de bedoelde rekening niet onwettig is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 1° en 3°, en 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat het witwasmisdrijf, voorwerp van de telastlegging E, niet bewezen is omdat het saldo van 349.619,51 euro op de Zwitserse rekening ‘Freedom’ nr. 638.8532 niet in zijn totaliteit een vermogensvoordeel is in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek; het fiscale basismisdrijf bestaat hier uit het niet-vermelden van die rekening in verweerders regularisatieaangifte (telastleggingen A.2 en B.2) en in zijn aangiften in de personenbelasting (telastleggingen C en D); aldus werd het bestaan van de rekening als dusdanig voor de fiscus verzwegen en wordt verder onderzoek door de fiscale administratie minstens gedeeltelijk verhinderd; bijgevolg maken die rekening en het saldo erop het voorwerp uit van het ten laste gelegde witwasmisdrijf.
- Illegale vermogensvoordelen als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek omvatten zowel goederen en waarden als elk economisch voordeel uit een misdrijf. Vereist is een causaal verband tussen het misdrijf en het vermogensvoordeel. Het enkele feit dat een belastingplichtige bedrieglijk het bestaan van een buitenlandse rekening verzwijgt voor de fiscale administratie en door dat misdrijf het onderzoek van die administratie verhindert, impliceert evenwel niet dat die rekening of het saldo erop een vermogensvoordeel is dat voortvloeit uit die verzwijging en dienvolgens het voorwerp kan uitmaken van een witwasmisdrijf. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Op grond van de feitelijke omstandigheden die het vaststelt, oordeelt het arrest dat het bedrag van 349.619,51 euro op de Zwitserse rekening ‘Freedom’ geen illegale oorsprong of herkomst heeft. Aldus verantwoordt het naar recht de beslissing dat dit bedrag geen voorwerp is van het vervolgde witwasmisdrijf. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt enerzijds dat de verweerder niet de vereiste wetenschap of kennis had, constitutief voor het witwasmisdrijf vermeld onder de telastlegging E; het oordeelt anderzijds met betrekking tot de telastlegging C.2 dat de verweerder het opzet had om de Zwitserse rekening ‘Freedom’ verborgen te houden; aldus is het tegenstrijdig gemotiveerd.
- Het onderdeel komt op tegen een overtollige reden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 58,74 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 19 november 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.19 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div