id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.9 Rolnummer: P.19.0729.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2019-11-21 Raadplegingen: 357 - laatst gezien 2026-06-28 07:59 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Er is sprake van een jachtdaad wanneer is aangetoond dat de beklaagde met de hem verweten handeling het voornemen heeft gehad wild te bemachtigen
(1); de rechter oordeelt daarover onaantastbaar maar het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
(1)L. ULRIX, Jacht in APR, GENT, Story-Scientia, 1973, nr. 2 tot
- Thesaurus CAS: JACHT Vrije woorden: Jachtdaad - Begrip Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 24-07-1991 - Art. 2, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1991036118 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Jacht - Jachtdaad Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 24-07-1991 - Art. 2, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1991036118 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Vrije woorden: Strafzaken - Jacht - Jachtdaad - Onaantastbare beoordeling door de rechter - Toezicht door het Hof Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 24-07-1991 - Art. 2, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1991036118 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0729.N
- X. R., beklaagde, eiser,
- P. R. V., beklaagde, eiser, beiden vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eisers woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 14 juni
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 2, tweede lid, en 6, eer-ste lid, Jachtdecreet: uit de vaststelling dat er zich een geladen jachtgeweer op armlengte en drie schijnwerpers bevonden in het voertuig waarin de eisers in de nacht van 19 januari 2017 zaten, kan het arrest niet afleiden dat de eisers een jachtdaad stelden en aldus schuldig zijn aan de telastleggingen D en E.
- Artikel 2, tweede lid, Jachtdecreet bepaalt: "De jachtdaad is de handeling waarbij het wild gedood of gevangen wordt, alsmede de handeling waarbij dat wild met dat doel opgespoord en achtervolgd wordt. In dit decreet wordt het woord jagen gebruikt in de betekenis van het stellen van een jachtdaad." Op grond van die bepaling is er sprake van een jachtdaad wanneer is aangetoond dat de beklaagde met de hem verweten handeling het voornemen heeft gehad wild te bemachtigen. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Uit de vaststellingen die het arrest bevat en die het onderdeel niet alle in de kritiek betrekt, onder meer in verband met de ongeloofwaardigheid van de ver-klaringen van de eiser 2 over het aangetroffen wapen en het feit dat de eisers aan de verbalisanten geen bewijs van de telling van wild hebben voorgelegd hoewel dit de essentie van hun uitleg aan de verbalisanten uitmaakte, konden de appel-rechters wel degelijk afleiden dat de eisers, toen zij om 2.01 uur 's nachts aan het rondrijden waren met een geladen vuurwapen binnen handbereik en in het bezit van schijnwerpers, niet bezig waren met het tellen van wild zoals zij zelf ver-klaarden, maar wel met het opsporen en achtervolgen van wild. Aldus is de be-slissing dat de eisers alsdan een jachtdaad stelden, naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de regels inzake bewijs in strafzaken zoals deze onder meer zijn vastgesteld bij de artikelen 154, 176, 189 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest verwerpt de door de eisers aangevoerde rechtvaardigingsgrond dat zij wild aan het tellen waren; die verwerping steunt op de reden dat de eisers "op geen enkel ogenblik" aan de politie enig document hebben overhandigd dat notities van een telling van wild bevatte; in het strafdossier bevindt zich evenwel een uittreksel uit een boekje met een wildtelling van de eiser 1, dat dateert van 18 januari 2017 en dat door de wildbeheerseenheid aan de politie is bezorgd; met het voormelde oordeel miskent het arrest de bewijskracht, minstens de bewijswaarde van de desbetreffende stukken en miskent het de voormelde bewijsregels; uit het strafdossier blijkt immers dat de eiser 1 het tellingsboekje onrechtstreeks via de wildbeheerseenheid aan de politie heeft bezorgd.
- Het standpunt van de eisers dat zij geen misdrijf hebben gepleegd omdat zij op het moment van de vaststellingen niet aan het jagen maar wild aan het tel-len waren, is geen rechtvaardigingsgrond maar wel een aanvoering in verband met de materialiteit van de hen onder de telastleggingen B en D ten laste gelegde misdrijven, waarover de rechter onaantastbaar oordeelt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Het arrest oordeelt: "Door de politie gevraagd waarom ze op dat tijdstip nog rondreden, antwoordden [de eisers] dat ze wild aan het tellen waren (stuk 3). Op geen enkel ogenblik hebben [de eisers] de politie echter enig document overhandigd dat notities van een telling van wild bevatte; nochtans overhandig-den zij wel spontaan hun jachtverloven. De politie heeft bij doorzoeking van het voertuig ook geen document met notities van een telling van wild aangetroffen. De [eiser 1] verklaarde dat wanneer hij wild gaat tellen hij enkel zijn halogeen verstralerlamp meeneemt en zijn boekje (stuk 9). Op geen ogenblik heeft hij de politie dit boekje getoond of overhandigd, hoewel dit binnen zijn bewering over de wildtelling nochtans essentieel was." De bewoordingen "op geen enkel ogenblik" hebben in deze context enkel betrek-king op de tijdsduur waarin de eisers in fysiek contact stonden met de verbali-santen tijdens de vaststellingen van deze laatste. Zij gaan niet over enig later tijdstip waarop een tellingsboekje aan de politie is bezorgd. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoorde-ling van de bewijswaarde van feitelijke gegevens door het arrest en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artike-len 1319, 1320, 1322, 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de regels inzake bewijs en bewijslast in strafzaken zoals deze onder meer zijn vastgesteld bij de artikelen 154, 176, 189 en 211 Wetboek van Strafvorde-ring en de algemene rechtsbeginselen van het vermoeden van onschuld en het recht van verdediging: het arrest verwerpt het verweer van de eiser 1 dat hij niet wist dat er zich achter de voorzetels van het voertuig een geladen geweer be-vond, zodat dit feit voor hem overmacht uitmaakte; het arrest gaat ten onrechte ervan uit dat de eiser 1 de door hem aldus aangevoerde rechtvaardigingsgrond moet bewijzen; de eiser 1 heeft in zijn conclusie niet louter beweerd dat hij geen jachtwapen heeft gezien, zoals het arrest oordeelt, maar hij heeft de redenen daarvoor opgegeven; aldus miskent het arrest de bewijskracht van eisers conclu-sie en beantwoordt het niet zijn bedoelde verweer; uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt niet dat de beide eisers wisten dat het jachtgeweer in het voertuig aanwezig was; door anders te oordelen, miskent het arrest de bewijskracht van dit proces-verbaal; minstens doet het daaruit een afleiding die onmogelijk te verantwoorden is; het arrest steunt de beslissing ten onrechte mee op het voor-gaande oordeel dat de eisers aan het jagen waren.
- De artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek zijn in de regel niet van toepassing op het bewijs van misdrijven. Het enkele gegeven dat de rechter een bepaald verweer niet beantwoordt, impli-ceert evenmin dat het recht van verdediging van de partij die dat verweer aan-voert, wordt miskend. In zoverre het uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het onderdeel naar recht.
- In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste en tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheden, is het niet ontvankelijk.
- Het arrest steunt de verwerping van eisers voormelde aanvoering in wezen op de volgende vaststellingen: - de verbalisanten troffen in het voertuig, naast drie jachtspots, het geladen en gewapende jachtgeweer aan achter de voorzetels in een bijhorende, open tas; - het is volstrekt ongeloofwaardig dat enkel de eiser 2 op de hoogte was van de aanwezigheid van dat geweer omdat de eisers beiden jagers zijn die de bewus-te avond en nacht voor de jacht op stap waren, waarbij het tellen van wild duidelijk een voorwendsel was voor wanneer zij gevat zouden worden; - "Dat [de eiser 1] geen jachtgeweer zou gezien hebben is niet aangetoond en deze loutere bewering mist elke geloofwaardigheid en relevantie. De politie stelde ook niet vast dat het geweer verborgen was; de politie stelde enkel vast dat het geweer achter de zetels van bestuurder en passagier lag. Hieruit volgt helemaal niet dat het geweer voor [de eisers] "compleet onzichtbaar" lag. Gezien er sprake was van jagen, mist deze bewering ook elke zin. Van een "overmachtssituatie" op grond van onwetendheid over de aanwezigheid van het geweer, was in hoofde van [de eiser 1] nooit sprake."
- Met die redenen draagt het arrest aan de eiser 1 geen ongeoorloofde be-wijslast op, geeft het van zijn conclusie een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is, beantwoordt en verwerpt het zijn verweer en ver-antwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige is het onderdeel gericht tegen overtollige redenen en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 19 november 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div