← België

M. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191121.1N.4 Rolnummer: C.18.0538.N Zaak: M. contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2019-12-04 Raadplegingen: 644 - laatst gezien 2026-06-29 08:16 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het arrest dat uitsluit dat een persoon een fout heeft begaan op loutere grond dat de eiseres een fout beging, schendt de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek

(1).
(1)Cass. 20 april 2012, AR C.10.0103.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120420.3, C.10.0612.F en C.10.0205.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120420.3, AC 2012, nr.
  1. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Medeaansprakelijkheid van getroffene Vrije woorden: Beoordeling van de uitsluiting van een fout in hoofde van een partij door de rechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Medeaansprakelijkheid van de getroffene - Beoordeling van de uitsluiting van een fout in hoofde van een partij door de rechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.18.0538.N L. M., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen S. V. O., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, van 7 mei
  2. Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  3. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiseres het kruispunt over de Binnenlaan nadert en geconfronteerd wordt met een stilstaand voertuig vlak voor dit kruispunt; - vanuit de perceptie die de eiseres zelf beweert gehad te hebben, met name een stilstaand voertuig vlak voor een kruispunt met ontstoken rechter richtings-licht, zij niet kon en mocht uitgaan van een geïmmobiliseerd voertuig maar zij er terdege rekening mee diende te houden dat dit voertuig volop aan het verkeer deelnam en bezig was aan een rijbeweging die enkel tijdelijk onder-broken werd; - de verweerster stelt dat de bestuurder van het stilstaande derde voertuig haar te kennen had gegeven dat hij links af wilde slaan, in de straat van waaruit zij kwam, doch dat zij eerst het kruispunt mocht dwarsen aangezien dit voertuig anders niet de ruimte had om links af te slaan; - de versie van de verweerster een geloofwaardige verklaring voor de stilstand van het derde voertuig geeft en ook in deze versie het om een gedwongen stil-staan gaat middenin een rijbeweging, hetgeen bevestigt dat de eiseres wel de-gelijk inhaalde.
  4. Met deze redenen geeft de appelrechter te kennen dat zowel in de versie van de eiseres, als in de versie van de verweerster het derde voertuig in beweging was in de zin van artikel 16.1 Wegverkeersreglement.
  5. Het onderdeel dat de appelrechter verwijt niet te hebben vastgesteld dat bewezen is dat het derde voertuig in beweging was, berust op een onjuiste lezing van het vonnis en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  6. De appelrechter oordeelt dat "[de verweerster] het kruispunt [mocht] op-rijden aangezien zij er mocht van uitgaan dat het stilstaande voertuig niet zou ingehaald worden, gelet op het inhaalverbod dat op het kruispunt gold [en] zij zich dus niet aan het inhaalmanoeuver van [de eiseres] [hoefde] te verwachten" en dat "de verweerster het kruispunt oprijdt, gemachtigd door het stilstaande voertuig en in de redelijke veronderstelling dat er niemand dit voertuig zal inha-len, gelet op het verbod daartoe".
  7. De appelrechter die uitsluit dat de verweerster een fout heeft begaan op de loutere grond dat de eiseres een fout beging, schendt de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  8. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt dat het inhaalmanoeuver de enige oorzaak van het ongeval is en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 21 november 2019 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191121.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120420.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.