id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191121.1N.8 Rolnummer: C.18.0613.N Zaak: ORANGE BELGIUM nv contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2019-12-04 Raadplegingen: 1151 - laatst gezien 2026-06-29 07:41 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191121.1N.8 Fiches 1 - 2 Het wegens onwettigheid buiten toepassing verklaren van een vergunning in een geding brengt met zich mee dat deze vergunning tussen de partijen in die zaak buiten beschouwing wordt gelaten, waardoor deze geen gevolgen meer sorteert en de rechter er in rechte noch in feite rekening mee mag houden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 159 Vrije woorden: Het buiten toepassing verklaren van een vergunning wegens onwettigheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WETTIGHEID VAN BESLUITEN EN VERORDENINGEN Vrije woorden: Het buiten toepassing verklaren van een vergunning wegens onwettigheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiche 3 De appelrechters die vaststellen dat de eiseres een gsm-mast heeft geplaatst zonder daartoe over een wettige vergunning te beschikken, dienen, bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie, niet vast te stellen dat deze onregelmatigheid ook aan de eiseres toerekenbaar is; uit de enkele omstandigheid dat de appelrechters dit niet uitdrukkelijk hebben vastgesteld, blijkt niet dat zij dit niet hebben onderzocht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) Vrije woorden: Toerekenbaarheid van de vastgestelde onregelmatigheid - Beoordeling door de rechter - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.18.0613.N ORANGE BELGIUM nv, met zetel te 1140 Brussel, Bourgetlaan 3, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen J. V., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, in aanwezigheid van VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de per-soon van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, met kabinet te 1000 Brussel, Koning Albert II-Laan 20, bus 1, in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent van 12 januari 2017 en 22 maart
- Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 1 oktober 2019 een schriftelij-ke conclusie neergelegd. Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier midde-len aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel in zijn geheel
- Anders dan waarvan het middel in zijn beide onderdelen uitgaat, stellen de appelrechters in het tussenarrest van 12 januari 2017 waarin zij oordelen dat de stedenbouwkundige vergunning van 5 september 2006 onwettig is en tussen par-tijen buiten toepassing moet worden gelaten, niet vast dat de eiseres een haar toerekenbare buitencontractuele fout heeft begaan door een gsm-mast op te rich-ten zonder daartoe over een wettige vergunning te beschikken. Het middel dat op een onjuiste lezing van het arrest van 12 januari 2017 berust, mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het is niet tegenstrijdig enerzijds te beslissen dat omdat de rechtsgrond niet duidelijk was bij tussenarrest van 12 januari 2017 nog niet werd geoordeeld over de fout in hoofde van de eiseres, en, anderzijds, dat de materialiteit van de fout van de eiseres, bestaande uit het plaatsen van een gsm-mast zonder daartoe over een wettige vergunning te beschikken, reeds bij dit tussenarrest werd vast-gesteld. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres in haar "Synthesebesluiten na tussenarrest van 12 januari 2017", aanvoerde dat de bewering van de verweerder dat de eiseres een fout zou hebben begaan door eer-tijds de zendmast op te richten op basis van een vergunning die vele jaren later buiten toepassing wordt gelaten krachtens artikel 159 Grondwet, bij gebrek aan retroactieve werking, niet juist is.
- Met hun oordeel dat de eiseres zich ten aanzien van de verweerder niet op een geldige vergunning kan beroepen vermits deze reeds bij tussenarrest van 12 januari 2017 buiten toepassing werd verklaard, verwerpen en beantwoorden de appelrechters voormeld verweer van de eiseres. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.
- Krachtens artikel 159 Grondwet passen de hoven en rechtbanken de alge-mene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zover-re zij met de wetten overeenstemmen. Het wegens onwettigheid buiten toepassing verklaren van een vergunning in een geding brengt met zich mee dat deze vergunning tussen de partijen in die zaak buiten beschouwing wordt gelaten, waardoor deze geen gevolgen sorteert en de rechter er in rechte noch in feite rekening mee mag houden.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de beslissing in het tussenarrest van 12 januari 2017 om de regularisatievergunning van 5 september 2006 op grond van artikel 159 Grondwet buiten toepassing te laten, geen terugwerkende kracht heeft, zodat de eiseres de gsm-mast op basis van een geldige stedenbouw-kundige vergunning heeft geplaatst, kan het niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres in haar "Synthesebesluiten na tussenarrest van 12 januari 2017", aanvoerde dat het uitvoeren van de, in toepassing van artikel 159 Grondwet onwettig geachte bouwvergunning niet automatisch als een buitencontractuele fout in hoofde van de vergunninghouder kan worden beschouwd.
- Met hun oordeel dat de vordering ten aanzien van de eiseres principieel gegrond is omdat de verweerder ingevolge de plaatsing van de mast schade heeft geleden en op heden nog steeds schade lijdt en de eiseres de mast er geplaatst heeft en zich ten aanzien van de verweerder niet kan beroepen op een geldige vergunning vermits deze reeds bij tussenarrest van 12 januari 2017 buiten toe-passing werd verklaard, verwerpen en beantwoorden de appelrechters het voor-melde verweer van de eiseres. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.
- Bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie, dienden de appel-rechters die vaststelden dat de eiseres een gsm-mast heeft geplaatst zonder daar-toe over een wettige vergunning te beschikken, niet uitdrukkelijk vast te stellen dat deze onregelmatigheid ook aan de eiseres toerekenbaar is. Uit de enkele omstandigheid dat de appelrechters dit niet uitdrukkelijk hebben vastgesteld, blijkt niet dat zij dit niet hebben onderzocht. In zoverre het onderdeel de appelrechters verwijt een fout in hoofde van de eise-res vast te stellen zonder te onderzoeken of de vastgestelde onregelmatigheid aan de eiseres toerekenbaar is, kan het niet worden aangenomen. Vierde middel
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de verweerder ingevolge de plaatsing van de mast schade heeft geleden en op heden nog steeds schade lijdt; - artikel 1382 Burgerlijk Wetboek degene die door zijn schuld schade heeft veroorzaakt verplicht om deze integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde zo goed als mogelijk moet worden geplaatst in de toestand waarin hij zou gebleven zijn indien de fout niet was gepleegd; - herstel van de schade in natura de normale wijze van vergoeding van schade is; - herstel van de schade in deze niettemin bij equivalent, en niet in natura, dient te gebeuren; - een afbraak van de mast ook de rechten van derden, die niet in zake zijn, in het gedrang zou brengen.
- Met deze redenen geven de appelrechters te kennen dat het rechtmatig al-ternatief voor het plaatsen van de mast zonder daartoe over een wettige vergun-ning te beschikken het niet-plaatsen van de mast is en er een oorzakelijk verband bestaat tussen het plaatsen van de mast en de schade van de verweerder. De ap-pelrechters verwerpen en beantwoorden aldus het verweer van de eiseres dat de verweerder geen oorzakelijk verband bewijst tussen de beweerde fout en de schade. In zoverre het middel de appelrechters verwijt niet op dit verweer te hebben ge-antwoord, mist het feitelijke grondslag.
- De appelrechters die te kennen geven dat het rechtmatig alternatief van de onwettigheid het niet-plaatsen van de mast betreft, verwerpen en beantwoorden het door de eiseres in haar "Synthesebesluiten na tussenarrest van 12 januari 2017", aangevoerde verweer dat de verweerder moet bewijzen dat, indien er geen sprake zou zijn van een vermeende fout in hoofde van de eiseres, een voor hem gunstigere beslissing zou zijn genomen. Zij waren hierbij niet gehouden om te antwoorden op elk argument dat tot staving van dit verweer werd aangevoerd, maar geen afzonderlijk verweer uitmaakt. Het middel dat de appelrechters verwijt niet te hebben geantwoord op het ver-weer van de eiseres dat de beweerde onwettigheden in de gunningsbeslissing van 5 september 2006 louter externe onwettigheden betreffen, die zullen worden ver-holpen in een nieuwe gunningsbeslissing, kan in zoverre niet worden aangeno-men.
- Gelet op het antwoord in r.o. 11, mist het middel dat de appelrechters ver-wijt niet te hebben vastgesteld of er tussen de vermeende fout in hoofde van de eiseres en de aangenomen schade een oorzakelijk verband bestaat, en met name of het rechtmatig alternatief van de vastgestelde onwettigheid een vergunnings-weigering was, in zoverre feitelijke grondslag. Vordering tot gemeen- en bindendverklaring van het arrest
- De verwerping van het cassatieberoep ontneemt elk belang aan de vorde-ring tot gemeen- en bindendverklaring van het arrest. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot gemeen- en bindendverklaring van het arrest. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.091,48 euro en voor de in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij op 881,90 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 21 november 2019 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191121.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191121.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div