id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191125.3N.9 Rolnummer: C.18.0565.N Zaak: BELGISCH BUREAU VAN DE AUTOVERZEKERAARS c. UITVOERINGSI Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Unierecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-12-23 Raadplegingen: 361 - laatst gezien 2026-06-28 06:46 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Noch uit artikel 85, eerste lid, b, Verordening 883/2004, noch uit de artikelen 1, 3 en 8 van het Haags Verkeersongevallenverdrag volgt dat de verjaring van het vorderingsrecht van een orgaan dat prestaties overeenkomstig deze verordening is verschuldigd en ter zake beschikt over een onmiddellijk recht ten opzichte van de derde die verplicht is de schade te vergoeden, wordt beheerst door het recht van de staat waar het schadeverwekkende feit zich heeft voorgedaan. Thesaurus CAS: VERZEKERING - ALGEMEEN Vrije woorden: Schade - Prestaties Verordening 883/2004 - Verjaring - Toepasselijke recht Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Vrije woorden: Verordening 883/2004 - Artikel 85, eerste lid - Aard van de bepaling - Gevolg Fiche 3 Noch uit artikel 85, eerste lid, b, Verordening 883/2014, noch uit de artikelen 1, 3 en 8 van het Haags Verkeersongevallenverdrag volgt dat de verjaring van het vorderingsrecht van een orgaan dat prestaties overeenkomstig deze verordening is verschuldigd en ter zake beschikt over een onmiddellijk recht ten opzichte van de derde die verplicht is de schade te vergoeden, wordt beheerst door het recht van de staat waar het schadeverwekkende feit zich heeft voorgedaan. Thesaurus CAS: VERJARING - ALGEMEEN Vrije woorden: Verordening 883/2004 - Artikel 85, eerste lid - Aard van de bepaling - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. C.18.0565.N BELGISCH BUREAU VAN DE AUTOVERZEKERAARS vzw, met zetel te 1210 Sint-Joost-Ten-Node, Liefdadigheidsstraat 33 bus 2, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Joseph Stevensstraat 7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen HET UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN, rechtspersoon naar Nederlands publiek recht, met zetel te 1314 CL Almere (Nederland), Willem Dreeslaan 16, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Leopold I-straat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 5 juli
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 17 september 2019 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het bestreden vonnis oordeelt niet dat de eiseres is gesubrogeerd in de rechten die de rechthebbende heeft ten opzichte van de derde die verplicht is de schade te vergoeden. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Overeenkomstig artikel 85, lid 1, Verordening nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels geldt dat indien prestaties worden genoten krachtens de wetgeving van een lidstaat naar aanleiding van schade die voortvloeit uit een in een andere lidstaat voorgevallen gebeurtenis, de eventuele rechten die het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, heeft ten opzichte van een derde die verplicht is de schade te vergoeden, als volgt worden geregeld: (a) indien het orgaan dat de prestaties verschuldigd is krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving in de rechten treedt die de rechthebbende ten opzichte van die derde heeft, erkent elke lidstaat die subrogatie; (b) indien het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, een onmiddellijk recht ten opzichte van de derde heeft, erkent elke lidstaat dat recht.
- Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 juni 1994, Dak, C-428/92, volgt dat voormeld artikel 85, lid 1 een regel van conflictenrecht bevat, die de nationale rechter bij wie tegen de veroorzaker van de schade een vordering tot schadevergoeding wordt ingesteld, verplicht het recht toe te passen van de lidstaat van het bevoegde orgaan, niet slechts om te bepalen of dit orgaan wettig in de rechten van het slachtoffer is gesubrogeerd dan wel een onmiddellijk recht heeft ten opzichte van de aansprakelijke derde, maar ook om de aard en de omvang te bepalen van de vorderingen waarin dit orgaan is gesubrogeerd of die het onmiddellijk tegen die derde kan instellen.
- Krachtens artikel 2, 6° Haags Verkeersongevallenverdrag is dit verdrag niet van toepassing op vorderingen, daaronder begrepen regresvorderingen, die worden ingesteld door of tegen instellingen op het gebied van de sociale zekerheid, sociale verzekering of soortgelijke instellingen en door of tegen openbare waarborgfondsen voor automobielen, noch op de uitsluiting van de aansprakelijkheid zoals die is neergelegd in de wet waardoor deze instellingen worden beheerst.
- Noch uit artikel 85, lid 1, b, Verordening 833/2014
(1), noch uit de in het middel vermelde bepalingen van het Haags Verkeersongevallenverdrag volgt dat de verjaring van het vorderingsrecht van een orgaan dat prestaties overeenkomstig deze verordening is verschuldigd en ter zake beschikt over een onmiddellijk recht ten opzichte van de derde die verplicht is de schade te vergoeden, wordt beheerst door het recht van de staat waar het schadeverwekkende feit zich heeft voorgedaan. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. (...) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 651,29 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Geert Jocqué, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 25 november 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden.
(1)Lees: 883/2004. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191125.3N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div