← België

D. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.1 Rolnummer: P.19.0604.N Zaak: D. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2019-11-27 Raadplegingen: 796 - laatst gezien 2026-06-28 23:49 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191126.2N.1 Fiche 1 De beslissing van de strafrechter over een door de herstelvorderende overheid ingediende herstelvordering is een maatregel van burgerlijke aard, die niettemin onder de strafvordering valt; daaruit volgt dat hij tegen wie op grond van artikel 20bis Vlaamse Wooncode een herstelmaatregel is bevolen, zijn cassatieberoep wat betreft die beslissing niet alleen moet laten betekenen aan de eiser tot herstel, maar ook aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat die beslissing heeft gewezen

(1).
(1)Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0321.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.2, AC 2015, nr. 452, punt. 6. Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn van betekening en-of neerlegging Vrije woorden: Herstelvordering - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 427 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Decreet Vlaamse Raad - 15-07-1997 - Art. 20bis, § 1 - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Fiche 2 Uit de samenhang tussen de artikelen 427, eerste lid, en 429, tweede, vierde en vijfde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat een beklaagde voor wat betreft de beslissing op de herstelvordering op straffe van ontvankelijkheid zijn memorie ter kennis moet brengen van de partij waartegen het cassatieberoep is gericht en het bewijs van verzending van de memorie moet neerleggen ter griffie van het Hof van Cassatie binnen de termijn waarbinnen de memorie moet zijn ingediend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Herstelvordering - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 427 en 429 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Decreet Vlaamse Raad - 15-07-1997 - Art. 20bis, § 1 - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Fiche 3 Uit het enkele feit dat met opsporing belaste ambtenaren opsporingshandelingen verrichten met betrekking tot een wanbedrijf tegen een persoon die titularis is van voorrecht van rechtsmacht zonder daartoe de opdracht te hebben gekregen van de procureur-generaal, volgt niet dat zij steeds onrechtmatig handelen
(1). Een dergelijke onregelmatigheid bestaat enkel wanneer die ambtenaren deze handelingen verrichten of blijven verrichten nadat zij kennis hebben van het feit dat een verdachte over het voorrecht van rechtsmacht beschikt. Het staat in de eerste plaats aan de verdachte om hen daarop attent te maken.
(1)In dezelfde zin Cass. 6 januari 1998, AR P.97.1353.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980106.5, AC 1998, nr. 3, RW 1998-99,
  1. Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Vrije woorden: Opsporingsonderzoek - Kennis van de hoedanigheid van de titularis van voorecht van rechtsmacht - Gevolgen Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0604.N I P M L D N, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Nathalie Buisseret, advocaat bij de balie Brussel, tegen
  2. Michiel VERRAES, met kantoor te 1082 Brussel, Keizer Karellaan 586 bus 9, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van P D N, burgerlijke partij,
  3. WOONINSPECTEUR bevoegd voor de provincie Antwerpen, met kan-toor te 2018 Antwerpen, Lange Kievitstraat 111-113 bus 55, eiser tot herstel,
  4. D V, burgerlijke partij, verweerders. II P T R T, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel, tegen
  5. WOONINSPECTEUR bevoegd voor de provincie Antwerpen, reeds ver-meld, eiser tot herstel,
  6. D V, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brus-sel, eerste kamer, van 14 mei
  7. De eisers voeren elk in gelijkluidende memories die aan dit arrest zijn gehecht, twee middelen aan. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft op 20 september 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie. Op 15 november 2019 heeft de eiseres I ter griffie een replieknota ingediend. Op 26 november 2019 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen en de memories
  8. Het arrest spreekt de eiser II vrij voor de telastlegging A.
  9. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep van de eiser II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  10. Artikel 424, eerste zin, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wanneer de beslissing bij verstek is gewezen en vatbaar is voor verzet, de termijn om beroep in cassatie in te stellen een aanvang neemt bij het verstrijken van de termijn voor verzet of, wanneer de beslissing bij verstek is gewezen ten aanzien van de be-klaagde of de beschuldigde na het verstrijken van de gewone termijnen van ver-zet.
  11. Het arrest is wat betreft de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder I.3-II.2 wat hem betreft bij verstek gewezen. Die beslissing is vat-baar voor verzet door deze verweerder. Er blijkt niet dat het arrest aan deze ver-weerder is betekend. In zoverre de cassatieberoepen zijn gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van deze verweerder, zijn ze voorbarig en bijgevolg niet ontvan-kelijk.
  12. Artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De partij die cassatieberoep instelt, moet het cassatieberoep laten betekenen aan de partij te-gen wie het gericht is. De vervolgde persoon is daartoe evenwel enkel verplicht in zoverre zijn cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering." Met deze bepaling heeft de wetgever aan de eisers in cassatie een algemene verplichting tot betekening opgelegd, met als enige en dus strikt te interpreteren uitzondering het geval waarbij het cassa-tieberoep uitgaat van een vervolgde partij tegen een beslissing op de strafvorde-ring zelf en daarmee gelijk te stellen gevallen.
  13. Artikel 20bis, § 1, Vlaamse Wooncode bepaalt dat de rechter naast de straf ambtshalve of op vordering van de Wooninspecteur of het college van burge-meester en schepenen een in die bepaling omschreven herstelmaatregel kan be-velen. Artikel 20bis, § 2, Vlaamse Wooncode bepaalt dat deze herstelvordering bij het parket wordt ingeleid bij gewone brief in naam van het Vlaamse Gewest of het college van burgemeester en schepenen, door de wooninspecteurs en de aangestelden van het college van burgemeester en schepenen. Het openbaar ministerie is bevoegd om de door de herstelvorderende overheid per brief geformuleerde herstelvordering voor de strafrechter uit te oefenen, in-clusief het aanwenden van rechtsmiddelen en dit ongeacht of de herstelvorderen-de overheden zich als procespartij hebben gemanifesteerd.
  14. De beslissing van de strafrechter over een door de herstelvorderende over-heid ingediende herstelvordering is een maatregel van burgerlijke aard, die niet-temin onder de strafvordering valt.
  15. Daaruit volgt dat hij tegen wie op grond van artikel 20bis Vlaamse Woon-code een herstelmaatregel is bevolen, zijn cassatieberoep wat betreft die beslis-sing, niet alleen moet laten betekenen aan de eiser tot herstel, maar ook aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat die beslissing heeft gewezen.
  16. Uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 427 Wetboek van Strafvordering en de samenhang tussen de artikelen 427 en 429 Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het tijdig neerleggen van memories en stukken, volgt dat de niet-betekening, de laattijdige betekening of laattijdige neerlegging van stukken waaruit de betekening blijkt van het cassatieberoep door de eiser aan de ver-weerder, wordt gesanctioneerd met de onontvankelijkheid van dit cassatieberoep. Niet is vereist dat wordt aangetoond of vastgesteld dat door de niet- of de laattij-dige betekening of de laattijdige neerlegging van de betekeningsstukken het recht van verdediging van de verweerder daadwerkelijk is miskend.
  17. Volgens artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering mag de eiser in cassatie na verloop van meer dan twee maanden die volgen op de verklaring van cassatieberoep geen memories of stukken meer indienen, met uitzondering van akten van afstand of hervatting van het geding, akten waaruit blijkt dat het cassatieberoep doelloos geworden is en de noten bedoeld in artikel 1107 Gerech-telijk Wetboek. Volgens artikel 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering wordt de memorie per aangetekende brief ter kennis gebracht van de partij waar-tegen het beroep is gericht en wordt het bewijs van verzending ter griffie neerge-legd binnen de termijn van twee maanden na de verklaring van cassatieberoep, dit alles op straffe van onontvankelijkheid van de memorie. Volgens artikel 429, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering stelt de griffier de ontvangst vast van de memories of stukken met de vermelding van de datum van ontvangst.
  18. Uit de samenhang tussen de artikelen 427, eerste lid, en 429, tweede, vier-de en vijfde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat een beklaagde voor wat betreft de beslissing op de herstelvordering op straffe van onontvankelijkheid zijn memorie ter kennis moet brengen van de partij waartegen het cassatieberoep is gericht en het bewijs van verzending van de memorie moet neerleggen ter griffie van het Hof binnen de termijn waarbinnen de memorie moet zijn inge-diend.
  19. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de ei-ser II zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel. In zoverre het cassatieberoep van de eiser II is gericht tegen de beslissing op de tegen hem gerichte herstelvordering van de verweerder II.1, is het niet ontvanke-lijk.
  20. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de ei-sers hun memories hebben ter kennis gebracht van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel. In zoverre de memories van de eisers betrekking hebben op de beslissing op de herstelvordering van de verweerder I.2-II.1, zijn ze niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers
  21. Het middel voert schending aan van artikel 479 Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest verwerpt ten onrechte de aanvoering van de eisers dat het bewijs onrechtmatig werd verkregen omdat de opsporingshandelingen niet werden ver-richt door of op last van de procureur-generaal; het oordeel dat artikel 479 Wet-boek van Strafvordering enkel betrekking heeft op de wijze waarop de strafvor-dering wordt ingesteld en niet op de wijze waarop de inbreuken worden vastge-steld en de aanwijzing van de personen die bevoegd zijn om dit te doen, is on-juist; uit artikel 479 Wetboek van Strafvordering volgt dat de procureur-generaal bij het hof van beroep belast is met het opsporingsonderzoek ten aanzien van personen met voorrecht van rechtsmacht; hij kan zich daarvoor laten bijstaan door magistraten van de parketten die deel uitmaken van zijn rechtsgebied; de door deze magistraten met opgave van hun bijzondere opdracht bevolen opspo-ringshandelingen worden dan geacht door de procureur-generaal zelf te zijn be-volen; het arrest stelt evenwel niet vast dat het vooronderzoek in deze zaak door hemzelf werd verricht dan wel op zijn last.
  22. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  23. Ingeval van een wanbedrijf gepleegd door een door artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon berust de uitoefening van de strafvordering met inbegrip van de leiding van het opsporingsonderzoek bij de procureur-generaal bij het hof van beroep.
  24. Uit het enkele feit dat met opsporing belaste ambtenaren opsporingshande-lingen verrichten betreffende een dergelijk wanbedrijf zonder daartoe de op-dracht te hebben gekregen van de procureur-generaal, volgt niet dat zij steeds onrechtmatig handelen. Een dergelijke onrechtmatigheid bestaat enkel wanneer die ambtenaren deze handelingen verrichten of blijven verrichten nadat zij ken-nis hebben van het feit dat een verdachte over voorrecht van rechtsmacht be-schikt. Het staat in de eerste plaats aan de verdachte om hen daarop attent te ma-ken.
  25. Het arrest (p. 25) stelt vast dat het opsporingsonderzoek vanaf 25 oktober 2015 werd geleid door de procureur-generaal. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat opsporingsambtenaren vóór die datum ken-nis hadden van het feit dat de eiseres I beschikte over het voorrecht van rechts-macht. Het middel voert dat evenmin aan. Bijgevolg ontbreekt de grondslag voor de door de eiseres I aangevoerde onregelmatigheid. In zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvan-kelijk. Tweede middel van de eisers
  26. Gelet op de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser II en de niet-ontvankelijkheid van de memories van de eisers, telkens wat betreft de beslissing op de herstelvordering van de verweerder I.2-II.1, behoeft dit middel geen antwoord. Ambtshalve onderzoek
  27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen bevatten geen onwettigheden die de ei-sers kunnen schaden. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 218,41 euro waarvan de eiseres I 109,20 euro verschuldigd is en de eiser II 109,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 26 november 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191126.2N.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230905.2N.16 precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980106.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.