id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.10 Rolnummer: P.19.0556.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2019-11-27 Raadplegingen: 858 - laatst gezien 2026-06-28 15:48 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 6.1 EVRM vereist dat het exploot waarbij de verstekbeslissing aan de beklaagde wordt betekend, hem informeert over het recht op tegen die beslissing verzet aan te tekenen en de termijn om dat te doen; deze vermeldingen hebben tot doel om de bestemmeling van de akte toe te laten te beslissen over het al dan niet instellen van een rechtsmiddel, tijdig en met inachtneming van de vormvoorschriften
(1); het verzuim om die informatie te vermelden is geen grond tot nietigheid van de betekening en heeft enkel tot gevolg dat het de rechter verboden is de niet. - ontvankelijkheid uit te spreken van het rechtsmiddel dat laattijdig werd ingesteld of met miskenning van de vormvereisten die voorgeschreven zijn door de bepalingen waarvan de inhoud niet werd meegedeeld.
(1)Cass. 28 juni 2017, AR P.17.0490.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.2, AC 2017, nr.
- Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Ontvankelijkheid - Verstekvonnis - Betekening - Informatie over de termijn en vormvereisten van verzet - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op toegang tot de rechter - Veroordeling bij verstek - Informatie over rechtsmiddelen aan beklaagde - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 3 Door aan de betekening van het verstekvonnis aan de procureur des Konings een opschortende werking van de strafvordering te verlenen, verantwoorden de vonnisrechters hun beslissing dat de strafvordering op de dag van hun uitspraak nog niet was verjaard, naar recht. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: Akte van betekening van het verstekvonnis - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 21 en 22 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0556.N J Z L M M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jacques Vandeuren, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 29 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 24, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 187 Wetboek van Strafvordering en artikel 68 Wegverkeerswet, zoals toen toepasselijk: het bestre-den vonnis oordeelt ten onrechte dat de strafvordering niet is verjaard; het stelt hierbij de schorsing van de verjaring van de strafvordering vast ten gevolge van de betekening van het verstekvonnis op 14 oktober 2016 aan het openbaar minis-terie; aan deze betekening, die geen melding maakt van het recht om verzet aan te tekenen, noch van de termijn waarbinnen dat recht dient te worden uitgeoe-fend, kan evenwel geen enkele uitwerking worden toegekend.
- Artikel 6.1 EVRM vereist dat het exploot waarbij de verstekbeslissing aan de beklaagde wordt betekend, hem informeert over het recht om tegen die beslis-sing verzet aan te tekenen en de termijn om dat te doen. Deze vermeldingen heb-ben tot doel om de bestemmeling van de akte toe te laten te beslissen over het al dan niet instellen van een rechtsmiddel, tijdig en met inachtneming van de vormvoorschriften.
- Het verzuim om die informatie te vermelden, is geen grond tot nietigheid van de betekening en heeft enkel tot gevolg dat het de rechter verboden is de niet-ontvankelijkheid uit te spreken van het rechtsmiddel dat laattijdig werd in-gesteld of met miskenning van de vormvereisten die voorgeschreven zijn door de bepalingen waarvan de inhoud niet werd meegedeeld.
- Door aan de betekening een opschortende werking van de verjaring van de strafvordering te verlenen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat de strafvordering op de dag van hun uitspraak nog niet was verjaard, naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel in zijn geheel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 187, 202 en 211bis Wet-boek van Strafvordering: het bestreden vonnis dat de eiser voor de hem ten laste gelegde misdrijven voor een termijn van negen maanden vervallen verklaart van het recht tot het besturen van alle motorvoertuigen, verzwaart zijn toestand ten opzichte van het bij verstek gewezen vonnis van 5 oktober 2016 dat de eiser voor een termijn van zes maanden vervallen verklaart van het recht tot sturen; noch-tans tekende het openbaar ministerie geen hoger beroep aan tegen dit verstek-vonnis (eerste onderdeel); tevens verzwaren de appelrechters eisers toestand ten opzichte van het beroepen vonnis dat de eiser voor een termijn van drie maanden vervallen verklaart van het recht tot sturen, zonder vast te stellen dat deze beslis-sing met eenparigheid van stemmen werd genomen (tweede onderdeel).
- Wanneer het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis waartegen verzet is gedaan, mag wegens de relatieve werking van het verzet de toestand van de beklaagde ook in hoger beroep niet worden verzwaard. Door het hoger beroep tegen een vonnis op verzet krijgt de appelrechter immers kennis van het geschil dat is beslecht door de beslissing waartegen verzet is ge-daan.
- Bij de beoordeling of de appelrechters de bij verstek of op verzet uitgesp-roken bestraffing verzwaren, moet het geheel van de opgelegde straffen in aan-merking worden genomen. De vermindering door de appelrechters van de opge-legde geldboete als hoofdstraf terwijl een bijkomende straf wordt verhoogd, ver-zwaart de aan de veroordeelde opgelegde bestraffing niet. In zoverre het middel in zijn eerste onderdeel uitgaat van een andere rechtsop-vatting, faalt het naar recht.
- Het verstekvonnis van 5 oktober 2016 veroordeelt de eiser tot een geldboe-te van 150 euro, gebracht op 900 euro, en verklaart hem vervallen van het recht tot sturen voor een termijn van zes maanden. Het beroepen vonnis van 17 okto-ber 2018 veroordeelt de eiser tot een geldboete van 150 euro, gebracht op 900 euro, en verklaart hem vervallen van het recht tot sturen voor een termijn van drie maanden. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser tot een geldboete van 140 euro, gebracht op 848 euro, en verklaart hem vervallen van het recht tot stu-ren voor een termijn van negen maanden. Aldus verzwaren de appelrechters ei-sers toestand noch ten aanzien van het voormelde verstekvonnis noch ten aanzien van het beroepen vonnis. In zoverre kan het middel in zijn eerste onderdeel niet worden aangenomen.
- Het tweede onderdeel is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 187 Wetboek van Strafvorde-ring: het bestreden vonnis dat de eiser veroordeelt tot een bijdrage van 20 euro aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en een bijdrage van 200 euro aan het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke geweld-daden, verzwaart zijn toestand ten opzichte van het verstekvonnis van 5 oktober 2016, waartegen het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld, dat hem enkel veroordeelt tot het betalen van een bijdrage van 150 euro aan dit laatst vermelde fonds; de relatieve werking van het rechtsmiddel verzet zich tegen de-ze verzwaring van de toestand van de beklaagde.
- Het verstekvonnis van 5 oktober 2016 veroordeelt de eiser tot een bijdrage aan het Slachtofferfonds van 25 euro, verhoogd met 50 opdeciemen en aldus ge-bracht op 150 euro. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser tot een bijdrage van 20 euro aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand als-ook tot een bijdrage aan het Slachtofferfonds van 25 euro, verhoogd met 70 op-deciemen en aldus gebracht op 200 euro. Aldus verzwaart het bestreden vonnis eisers toestand en miskent het de relatieve werking van zijn verzet. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser veroordeelt tot een bijdra-ge van 20 euro aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand en de bijdrage van 25 euro aan het Slachtofferfonds verhoogt met hogere opdeciemen dan 50 opdeciemen en aldus die veroordeling brengt op een hoger bedrag dan 150 euro. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Belgische Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 26 november 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220322.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240903.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div