← België

S. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.4 Rolnummer: P.19.0811.N Zaak: S. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-27 Raadplegingen: 737 - laatst gezien 2026-06-29 01:52 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191126.2N.4 Fiches 1 - 5 Uit de arresten nr. 9/2018 van 1 februari 2018, nr. 35/2018 van 22 maart 2018 en nr. 31/2019 van 28 februari 2019 van het Grondwettelijk Hof volgt dat ingeval van een gerechtelijk onderzoek lastens de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde magistraten, andere dan die bedoeld in artikel 481 van dat wetboek, bij het afsluiten van dat onderzoek de rechtspleging wat hen en de daders van een samenhangend misdrijf betreft moet worden geregeld overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging; de vraag rijst of het ontzeggen van een dergelijke procedure aan een verdachte niet-houder van het voorrecht van rechtsmacht en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid van aanhangig making bij de vonnisgerechten door de procureur des Konings met een rechtstreekse dagvaarding in de omstandigheden van de zaak, om reden dat bij afsluiten van het onderzoek door een raadsheer-onderzoeksrechter de strafvervolging is vervallen (door minnelijke schikking) lastens de medeverdachte die magistraat is, geen schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 Grondwet, zodat er grond is tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof

(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Vrije woorden: Samenhang met een verdachte die geen titularis is van het voorrecht van rechtsmacht - Opsporingsonderzoek - Tussenkomst van een raadsheer-onderzoeksrechter - Verval van de strafvordering ten aanzien van de verdachte die titularis is van het voorrecht van rechtsmacht - Procedurele toestand van de medeverdachte die geen houder is van het voorrecht van rechtsmacht - Rechtstreekse dagvaarding door de procureur des Konings - Gevolgen Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Voorrecht van rechtsmacht - Gevolgen Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Vrije woorden: Rechtstreekse dagvaarding voor het vonnisgerecht - Voorrecht van rechtsmacht - Gevolgen Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1831 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Prejudiciële vragen Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Prejudiciële vragen Tekst van de beslissing Arrest Nr. P.19.0811.N I en II F G C G M S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, tegen
  1. A D, burgerlijke partij,
  2. P D, burgerlijke partij,
  3. Frank HEFFINCK, met kantoor te 8501 Kortrijk (Bissegem), Meen-sesteenweg 347, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van UNO nv, burgerlijke partij,
  4. ERLYMO nv, met zetel te 8552 Zwevegem (Moen), Den Helder 13, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 13 maart 2014 (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 juni 2019 (hierna arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan tegen het arrest I en een middel tegen het arrest II. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft op 20 november 2019 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 26 november 2019 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. Op deze rechtszitting heeft de eiser een replieknoot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel in zijn geheel tegen het arrest I
  5. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grond-wet en de artikelen 127, 130, 182, 480, 482bis en 502 Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest I dat vaststelt dat lastens de eiser een gerechtelijk onderzoek werd gevoerd op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep en dat de strafvordering vervolgens, na de beschikking tot mededeling door de raadsheer-onderzoeksmagistraat, regelmatig werd aanhangig gemaakt bij de cor-rectionele rechtbank door een rechtstreekse dagvaarding is niet naar recht ver-antwoord; uit de in het onderdeel vermelde bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, zoals uitgelegd door het Grondwettelijk Hof, volgt dat indien een gerechtelijk onderzoek wordt gevorderd door de procureur-generaal lastens een houder van voorrecht van rechtsmacht en bij samenhang lastens andere personen en er na de beschikking tot mededeling door de raadsheer-onderzoekmagistraat wordt beslist om de houder van het voorrecht van rechtsmacht niet te vervolgen of om hem een minnelijke schikking voor te stellen die leidt tot het verval van de strafvordering alvorens de zaak bij de vonnisrechter is aanhangig gemaakt, de strafvordering lastens die andere personen niet door de procureur des Konings zelf kan worden aanhangig gemaakt bij de correctionele rechtbank door middel van een rechtstreekse dagvaarding; het arrest I, dat erkent dat een regeling van rechtspleging noodzakelijk is ingeval de eiser aanvankelijk het voorwerp zou hebben uitgemaakt van een gerechtelijk onderzoek, heeft een beslissing gecre-eerd die niet verenigbaar is met de artikelen 10 en 11 Grondwet; er is immers geen verantwoording voor het verschil in behandeling tussen enerzijds de situa-tie waarbij de procureur des Konings een onderzoeksrechter heeft gevorderd, vervolgens de procedure van voorrecht van rechtsmacht werd gevolgd en beslist wordt om de houder van dat voorrecht niet te vervolgen, en, anderzijds, de situa-tie waarbij zonder dat voorafgaandelijk een gerechtelijk onderzoek werd gevor-derd door de procureur des Konings, een raadsheer-onderzoeksmagistraat wordt aangesteld en vervolgens wordt beslist om de houder van dat voorrecht niet te vervolgen; in beide gevallen wordt immers een gerechtelijk onderzoek gevoerd door een onafhankelijk en onpartijdig onderzoeksrechter die beschikt over verre-gaande dwangmaatregelen en in beide gevallen bestaat er na afloop van dat on-derzoek niet langer samenhang met een vervolging en berechting van de houder van voorrecht van rechtsmacht, zodat het afwijken van de gemeenrechtelijke procedure niet kan worden verantwoord omwille van redenen die te maken heb-ben met de goede rechtsbedeling. Minstens moeten aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen worden gesteld: "
  6. Schenden de artikelen 479, 482bis en 483 Wetboek van Strafvordering de ar-tikelen 10 en 11 Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat wanneer een gerechte-lijk onderzoek werd gevoerd op vordering van de procureur-generaal lastens een houder van het voorrecht van rechtsmacht en lastens andere personen wegens misdrijven die samenhangend zijn met de misdrijven waarvan de ambtenaar wordt verdacht, en de strafvordering lastens de houder van het voorrecht van rechtsmacht vóór de aanhangigmaking van de zaak bij de vonnisrechter is ver-vallen door een minnelijke schikking en of door een buitenvervolgingstelling door de procureur-generaal, de procureur des Konings als enige bevoegd is om te beslissen of de zaak lastens de andere personen al dan niet middels recht-streekse dagvaarding naar het vonnisgerecht moet worden verwezen, zonder dat er sprake is van een optreden van een onderzoeksgerecht dat in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure overgaat tot de regeling van de rechts-pleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt, dit terwijl een dergelijke filterprocedure na gerech-telijk onderzoek wel gewaarborgd is in de gemeenrechtelijke procedure overeen-komstig artikel 127 Wetboek van Strafvordering, zelfs wanneer de onderzoeks-rechter werd ontlast wegens territoriale bevoegdheid, in de procedure tot be-rechting van hogere magistraten overeenkomstig de artikelen 479 tot 482bis Wetboek van Strafvordering, zoals uitgelegd door het Grondwettelijk Hof en in de procedure tot berechting van ministers en leden van een gemeenschaps- of gewestregering overeenkomstig de artikelen 9, 16 en 29 van de wetten van 25 ju-ni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers, enerzijds, en van die van leden van een gemeenschaps- of gewestregering, ander-zijds?
  7. Schendt artikel 479 juncto de artikelen 480 en 482bis Wetboek van Strafvor-dering, in samenhang gelezen met de artikelen 127 en 130 Wetboek van Straf-vordering, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat een verdachte, ten aanzien van wie de procureur des Konings een gerechtelijk onder-zoek heeft gevorderd dat na ontslag van onderzoek door de raadkamer gevoegd werd aan een onderzoek dat wordt gevoerd door een raadsheer-onderzoeksmagistraat met betrekking tot een misdrijf gepleegd door een persoon met een van de hoedanigheden vermeld in artikel 479 Wetboek van Strafvorde-ring, indien de procureur-generaal beslist om de titularis van het voorrecht van rechtsmacht niet te vervolgen, slechts kan worden verwezen naar de bodemrech-ter mits een beslissing van het onderzoeksgerecht, terwijl een verdachte ten aan-zien van wie de procureur-generaal een gerechtelijk onderzoek heeft gevorderd door een raadsheer-onderzoeksmagistraat rechtstreeks kan worden gedagvaard voor de bodemrechter, zelfs wanneer de procureur-generaal beslist om de titula-ris van het voorrecht van rechtsmacht niet te vervolgen?" Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 127, 130 en 182 Wetboek van Strafvordering: het arrest I dat oord-eelt dat de strafvordering door middel van een rechtstreekse dagvaarding regel-matig is aanhangig gemaakt, schendt de regels inzake de aanhangigmaking van de zaak bij de correctionele rechtbank; aangezien op het ogenblik van de aan-hangigmaking niet langer sprake is van samenhang zijn de bepalingen inzake voorrecht van rechtsmacht immers niet langer van toepassing; de situatie is die beschreven in artikel 127, § 1, Wetboek van Strafvordering zodat na de beschik-king tot mededeling van het dossier een regeling van de rechtspleging moet vol-gen; het oordeel van het arrest I dat de eiser terug wordt geplaatst in de toestand daterend van vóór het door de raadsheer-onderzoeksrechter bedoelde onderzoek, namelijk in die van een opsporingsonderzoek, is niet verenigbaar met de artike-len 10 en 11 Grondwet; uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof betreffen-de de onttrekking van een zaak wegens territoriale onbevoegdheid van de onder-zoeksrechter volgt dat de procureur des Konings gelet op het niet langer samen-hangend zijn met feiten verweten aan een houder van voorrecht van rechtsmacht, de raadkamer had moeten vorderen de rechtspleging te regelen en niet langer de zaak aanhangig kon maken door middel van een rechtstreekse dagvaarding. Minstens moet aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag wor-den gesteld: "Schendt artikel 127 Wetboek van Strafvordering betreffende de re-geling van de rechtspleging door de raadkamer, in die zin geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op een gerechtelijk onderzoek dat werd gevoerd door een raadsheer-onderzoeksmagistraat overeenkomstig artikel 480 Wetboek van Strafvordering, wanneer na de beschikking tot mededeling maar vóór de aan-hangmaking van de zaak bij de vonnisrechter, door het verval van de strafvorde-ring wegens minnelijke schikking en of buitenvervolgingstelling door de procu-reur-generaal de samenhang wegvalt tussen de feiten die aan een houder van het voorrecht van rechtsmacht worden verweten en aan andere personen, zodat het de procureur des Konings toegestaan is om die andere personen rechtstreeks te dagvaarden voor de feitenrechter en in voorkomend geval te steunen op onder-zoekhandelingen die zijn verricht door de raadsheer-onderzoeksmagistraat, de artikelen 10 en 11 Grondwet?"
  8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - er werd naar aanleiding van een klacht op 4 juli 2008 lastens de eiser een op-sporingonderzoek onder leiding van de procureur des Konings gevoerd; - aangezien bleek dat een houder van voorrecht van rechtsmacht in de zaak be-trokken was, heeft de procureur-generaal op 28 januari 2009 een vordering genomen en op 30 januari 2009 heeft de eerste voorzitter van het hof van be-roep een raadsheer-onderzoeksmagistraat aangesteld; - dit onderzoek werd gevoerd lastens de houder van het voorrecht van rechts-macht en bij samenhang lastens onder meer de eiser; - de raadsheer-onderzoeksmagistraat heeft op 13 december 2011 het dossier meegedeeld aan de procureur-generaal; - de procureur-generaal heeft wat betreft de houder van het voorrecht van rechtsmacht deels beslist tot een seponering en voor het overige een minnelij-ke schikking voorgesteld die op 4 juni 2012 werd uitgevoerd; - de procureur-generaal heeft wat betreft de eiser het dossier terug overgemaakt aan de procureur des Konings te Gent; - de procureur des Konings te Gent heeft de eiser gedagvaard voor de vonnis-rechter, zonder dat er een gerechtelijk onderzoek werd gevorderd en zonder dat er een regeling van de rechtspleging heeft plaats gevonden.
  9. Uit de arresten nr. 9/2018 van 1 februari 2018, nr. 35/2018 van 22 maart 2018 en nr. 31/2019 van 28 februari 2019 volgt dat ingeval van een gerechtelijk onderzoek lastens de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde magi-straten, andere dan die bedoeld in artikel 481 van dat wetboek, bij het afsluiten van dat onderzoek de rechtspleging wat hen en de daders van een samenhangend misdrijf betreft moet worden geregeld overeenkomstig de gemeenrechtelijke re-gels van de strafrechtspleging.
  10. De vraag rijst of het ontzeggen van een dergelijke procedure aan een ver-dachte niet-houder van het voorrecht van rechtsmacht en de daaruit voortvloei-ende mogelijkheid van aanhangigmaking bij de vonnisgerechten door de procu-reur des Konings met een rechtstreekse dagvaarding in de omstandigheden van de zaak, zoals hierboven geschetst, geen schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 Grondwet.
  11. Er bestaat bijgevolg grond om overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°, Bijzon-dere Wet Grondwettelijk Hof aan het Grondwettelijk Hof de in het dictum ver-melde prejudiciële vragen te stellen. Overige grieven
  12. Het onderzoek van de grieven wordt aangehouden totdat er antwoord is op de prejudiciële vragen. Dictum Het Hof, Houdt elke verdere beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof heeft geantwoord op de volgende prejudiciële vragen: "
  13. Schenden de artikelen 479, 482bis en 483 Wetboek van Strafvordering de ar-tikelen 10 en 11 Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat wanneer een gerechte-lijk onderzoek werd gevoerd op vordering van de procureur-generaal lastens een houder van het voorrecht van rechtsmacht en lastens andere personen wegens misdrijven die samenhangend zijn met de misdrijven waarvan de ambtenaar wordt verdacht, en de strafvordering lastens de houder van het voorrecht van rechtsmacht vóór de aanhangigmaking van de zaak bij de vonnisrechter is ver-vallen door een minnelijke schikking en of door een buitenvervolgingstelling door de procureur-generaal, de procureur des Konings als enige bevoegd is om te beslissen of de zaak lastens de andere personen al dan niet middels recht-streekse dagvaarding naar het vonnisgerecht moet worden verwezen, zonder dat er sprake is van een optreden van een onderzoeksgerecht dat in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure overgaat tot de regeling van de rechts-pleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt, dit terwijl een dergelijke filterprocedure na gerech-telijk onderzoek wel gewaarborgd is in de gemeenrechtelijke procedure overeen-komstig artikel 127 Wetboek van Strafvordering, zelfs wanneer de onderzoeks-rechter werd ontlast wegens territoriale bevoegdheid, in de procedure tot be-rechting van hogere magistraten overeenkomstig de artikelen 479 tot 482bis Wetboek van Strafvordering, zoals uitgelegd door het Grondwettelijk Hof en in de procedure tot berechting van ministers en leden van een gemeenschaps- of gewestregering overeenkomstig de artikelen 9, 16 en 29 van de wetten van 25 ju-ni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers, enerzijds, en van die van leden van een gemeenschaps- of gewestregering, ander-zijds?
  14. Schendt artikel 479 juncto de artikelen 480 en 482bis Wetboek van Strafvor-dering, in samenhang gelezen met de artikelen 127 en 130 Wetboek van Straf-vordering, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat een verdachte, ten aanzien van wie de procureur des Konings een gerechtelijk onder-zoek heeft gevorderd dat na ontslag van onderzoek door de raadkamer gevoegd werd aan een onderzoek dat wordt gevoerd door een raadsheer-onderzoeksmagistraat met betrekking tot een misdrijf gepleegd door een persoon met een van de hoedanigheden vermeld in artikel 479 Wetboek van Strafvorde-ring, indien de procureur-generaal beslist om de titularis van het voorrecht van rechtsmacht niet te vervolgen, slechts kan worden verwezen naar de bodemrech-ter mits een beslissing van het onderzoeksgerecht, terwijl een verdachte ten aan-zien van wie de procureur-generaal een gerechtelijk onderzoek heeft gevorderd door een raadsheer-onderzoeksmagistraat rechtstreeks kan worden gedagvaard voor de bodemrechter, zelfs wanneer de procureur-generaal beslist om de titula-ris van het voorrecht van rechtsmacht niet te vervolgen?
  15. Schendt artikel 127 Wetboek van Strafvordering betreffende de regeling van de rechtspleging door de raadkamer, in die zin geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op een gerechtelijk onderzoek dat werd gevoerd door een raads-heer-onderzoeksmagistraat overeenkomstig artikel 480 Wetboek van Strafvorde-ring, wanneer na de beschikking tot mededeling maar voor de aanhangmaking van de zaak bij de vonnisrechter, door het verval van de strafvordering wegens minnelijke schikking en of buitenvervolgingstelling door de procureur-generaal de samenhang wegvalt tussen de feiten die aan een houder van het voorrecht van rechtsmacht worden verweten en aan andere personen, zodat het de procureur des Konings toegestaan is om die andere personen rechtstreeks te dagvaarden voor de feitenrechter en in voorkomend geval te steunen op onderzoekhandelin-gen die zijn verricht door de raadsheer-onderzoeksmagistraat, de artikelen 10 en 11 Grondwet?" Houdt de beslissing over de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 26 november 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191126.2N.4 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250219.2F.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.