← België

C. contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191128.1N.10 Rolnummer: C.18.0515.N Zaak: C. contra S. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2019-12-11 Raadplegingen: 588 - laatst gezien 2026-06-28 06:47 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid dient het inleiden van de herstelvordering vooraf te gaan en uiterlijk voor het sluiten van het debat voor de rechter bij de stukken van de rechtspleging te worden gevoegd, maar dient niet op straffe van onontvankelijkheid reeds bij de akte waarbij de herstelvordering wordt ingesteld te worden gevoegd en samen met het dagvaardingsexploot te worden betekend

(1).
(1)Zie Cass. 14 november 2019, AR C.18.0190.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191114.13, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Rechtspleging voor de rechter - Inleiden van een herstelvordering - Positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid - Tijdstip van indiening Wettelijke bepalingen: Vlaamse codex ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Artt. 6.1.7 en 6.1.41, § 6 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Stedenbouw - Inleiden van een herstelvordering - Positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid - Tijdstip van indiening Wettelijke bepalingen: Vlaamse codex ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Artt. 6.1.7 en 6.1.41, § 6 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.18.0515.N
  2. P. C.,
  3. M. S., eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 20, bus 8, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen van 15 november
  4. Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 19 augustus 2019 een schrifte-lijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie midde-len aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  5. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - het perceel in 1969 eigendom was van de heer V. d. B. die op 19 juni 1969 toelating zou hebben gekregen om een bergplaats te bouwen op dit re-creatiedomein; - de bergplaats zou worden aangewend voor het opbergen van speelgoed en van gereedschappen, alsook als omkleedplaats voor de zwemvijver; - volgens de eisers de bergplaats datzelfde jaar werd gebouwd en toen reeds de huidige afmetingen had (6,50 m x 4,00 m); - de eisers hiervan geen enkel bewijs bijbrengen; - uit de stukken die voorliggen het tegendeel blijkt; - uit het uittreksel uit de notulen van het schepencollege van de gemeente Weelde van 19 juni 1969 blijkt dat toelating werd gegeven voor het bouwen van een bergplaats met afmetingen 6,05 m x 3,66 m (hetgeen niet overeen-stemt met de huidige afmetingen); - het dak bestond uit rode pannen met een nokhoogte van 4,5 m, terwijl het dak thans bestaat uit donkere aarden pannen met een nokhoogte van 5,5 m; - uit het bijgevoegde plan blijkt dat aan de voorzijde één raam en één deur was voorzien, terwijl er thans twee ramen werden geplaatst met dubbel gelaagd glas; - de thans aanwezige constructie aldus niet overeenstemt met de in 1969 ver-gunde constructie en aldus geenszins dateert uit 1969, maar in de plaats is ge-komen van een vroegere constructie.
  6. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat de eisers de bewijslast dragen van hun bewering dat de chalet die er nu staat dezelfde is als degene die werd opgericht in 1969, maar oordelen zij dat hun be-wering weerlegd wordt door de stukken die voorliggen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  7. Bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie, dient de rechter niet alle feitelijke gegevens te vermelden die zijn beslissing naar recht verantwoor-den. Uit het enkele feit dat een gegeven in een vonnis niet is vermeld, volgt niet dat de rechter dit niet heeft onderzocht.
  8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eisers voor de appelrechters hebben aangevoerd dat: - hun rechtsvoorganger op 19 juni 1969 een vergunning kreeg voor het bouwen van een bergplaats op zijn recreatieterrein voor het opbergen van gereedschap en als omkleedplaats; - het conform deze vergunning is dat op dat ogenblik de chalet werd opgericht; - het correct is dat hun rechtsvoorganger de chalet in 1969 groter bouwde dan door de vergunning was toegelaten; - de chalet op dat ogenblik reeds de afmetingen had die het heden heeft; - de eisers enkel nieuwe dubbele beglazing hebben aangebracht, waarvoor geen vergunning vereist is; - de herstelvordering aldus in ieder geval verjaard is sedert 1979, zijnde tien jaar na de oprichting van de chalet in
  9. De appelrechters oordelen dat uit de voorgelegde stukken blijkt dat de thans aanwezige constructie geenszins dateert uit 1969, maar in de plaats is ge-komen van een vroegere constructie, zodat er geen sprake is van verjaring.
  10. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters tevens het pre-cieze tijdstip van oprichting van de huidige constructie dienden vast te stellen, kan het niet worden aangenomen.
  11. Voor het overige is het onderdeel afgeleid en mitsdien niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  12. De appelrechters oordelen dat uit de gebruikte materialen duidelijk blijkt dat de vroegere bergplaats volledig werd herbouwd, meer bepaald door het ge-bruik van een massief houten skeletbouw, dubbele beglazing, betegelde vloeren en van aansluitingen voor leidingen. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters hun beslissing dat de thans aanwezige constructie in de plaats is gekomen van een vroegere constructie steunen op motieven die enkel verband houden met de toegekende vergunning zelf, maar niet met de wijze waarop de constructie na het verkrijgen van de ver-gunning daadwerkelijk werd geplaatst, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. Tweede middel
  13. Krachtens artikel 6.1.7 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals hier van toepassing, kunnen de stedenbouwkundige inspecteur en het college van burgemeester en schepenen slechts overgaan tot het inleiden van een herstelvor-dering voor de rechter of tot het ambtshalve uitvoeren van een herstelmaatregel, wanneer de Hoge Raad daartoe voorafgaandelijk een positief advies heeft ver-leend. Krachtens artikel 6.1.41, § 6, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals hier van toepassing, voegt het bestuur, op straffe van onontvankelijkheid, het positief advies, vermeld in artikel 6.1.7, aan de herstelvordering toe, onverminderd arti-kel 6.1.10, tweede lid.
  14. Uit deze bepalingen volgt dat het positief advies van de Hoge Raad het in-leiden van de herstelvordering dient vooraf te gaan en uiterlijk voor het sluiten van het debat voor de rechter die over de herstelvordering te oordelen heeft, bij de stukken van de rechtspleging dient te worden gevoegd, maar niet dat dit ad-vies op straffe van onontvankelijkheid reeds bij de akte waarbij de herstelvorde-ring wordt ingesteld, dient te worden gevoegd en samen met het dagvaardings-exploot aan de verweerder moet worden betekend. In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht. Derde middel Eerste onderdeel
  15. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - op 19 juni 1969 aan de rechtsvoorganger van de eisers toelating werd gegeven voor het bouwen van een bergplaats met afmetingen 6,05 m op 3,66 m; - volgens de eisers de bergplaats datzelfde jaar werd gebouwd en toen reeds de huidige afmetingen (6,50 m op 4,00 m) had, dewelke niet overeenstemmen met de afmetingen zoals vergund; - de bergplaats zou worden aangewend voor het opbergen van speelgoed en van gereedschappen alsook als omkleedplaats voor de zwemvijver; - het behoud van een bergplaats voor niet-agrarische doeleinden niet mogelijk is.
  16. Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het verweer van de eisers met betrekking tot het herstel in de oorspronkelijke toestand. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  17. De appelrechters stellen, zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, vast dat: - op 19 juni 1969 aan de rechtsvoorganger van de eisers toelating werd gegeven voor het bouwen van een bergplaats met afmetingen 6,05 m op 3,66 m; - volgens de eisers de bergplaats datzelfde jaar werd gebouwd en toen reeds de huidige afmetingen (6,50 m op 4,00 m) had, dewelke niet overeenstemmen met de afmetingen zoals vergund.
  18. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, verplichten de appelrechters de eisers aldus niet tot afbraak van een constructie die voorheen wel degelijk ver-gund was. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 624,23 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 28 november 2019 uitgesproken door sectie-voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191128.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191114.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.