← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

§ 5

, Drugswet wordt gestraft met opsluiting van 10 tot 15 jaar

facultatief een geldboete van 1.000 tot 100.000 euro

bij toepassing van de artikelen 51

52 Strafwetboek kan de poging tot deze misdaad worden bestraft met opsluiting van 5 tot 10 jaar

facultatief de voormelde geldboete, aangezien artikel 2bis, § 5, Drugswet ook van toepassing is ingeval van een strafbare poging tot een misdaad als bedoeld in de paragrafen 2, 3

4 van dit artikel; na correctionalisering kan de rechter deze gecorrectionaliseerde poging misdaad bestraffen met een gevangenisstraf van 1 maand tot vijf jaar

facultatief de door artikel 2bis, § 5, Drugswet bedoelde geldboete aangezien artikel 84 Strafwetboek geen toepassing vindt

(1).
(1)W. MAHIEU, Drugs: de straffen, Comm. Straf., 9-16. Thesaurus CAS: MISDRIJF - POGING Vrije woorden: Drugswet - Artikel 2bis, § 3, b),

§ 5

, Drugswet - Misdaad - Bestraffing Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Vrije woorden: Drugswet - Poging tot misdaad bestraft overeenkomstig artikel 2bis, § 3, b),

§ 5

, Drugswet - Bestraffing Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Drugswet - Poging tot misdaad bestraft overeenkomstig artikel 2bis, § 3, b),

§ 5

, Drugswet - Correctionalisering door verzachtende omstandigheden - Bestraffing Fiches 4 - 5 Wanneer de rechter oordeelt dat de inbreuken op de artikelen 51

52 Strafwetboek

artikel 2bis, § 3, b),

§ 5

, Drugswet

erzijds

op artikel 324ter, § 1, Strafwetboek anderzijds de opeenvolgende

voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, dient hij bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek slechts één straf op te leggen, namelijk de zwaarste,

moet hij dus verplicht een hoofdgevangenisstraf opleggen

facultatief een geldboete. Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF Vrije woorden: Samenloop - Eéndaadse samenloop - Eenheid van opzet - Inbreuken op de artikelen 51

52 Strafwetboek

artikel 2bis, § 3, b),

§ 5

, Drugswet

op artikel 324ter, § 1, Strafwetboek - Bestraffing - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse Vrije woorden: Eenheid van opzet - Inbreuken op de artikelen 51

52 Strafwetboek

artikel 2bis, § 3, b),

§ 5

, Drugswet

op artikel 324ter, § 1, Strafwetboek - Bestraffing - Zwaarste straf - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0727.N I F A B, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Len Augustyns, advocaat bij de balie Antwerpen, alsook mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg. II A Z, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Axel De Schampheleire, advocaat bij de balie Antwerpen. III F J, beklaagde, eiser, met als raadsman Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen, IV A B A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg. V A H, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Kris Luyckx

mr. Nathalie Goedertier, beiden advocaat bij de balie Antwerpen. VI M G H, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Bram De Man, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 14 juni 2019. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers II

VI voeren geen middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I

eerste middel van de eiser IV 1. Het eerste middel van de eiser I voert schending aan van artikel 6 EVRM

artikel 14.3.c IVBPR: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn, die in concreto moet worden beoordeeld volgens de criteria complexiteit van de zaak, houding van de beklaagde

wijze waarop de gerechtelijke autoriteiten hebben gehandeld, niet is overschreden; de redelijke termijn heeft wat betreft de eiser I een aanvang genomen bij zijn verhoor op 26 juni 2013; hij werd pas twee

een half jaar later gedagvaard voor de eerste rechter; de procedure voor de eerste rechter nam meer dan één jaar in beslag, zonder dat dit tijdsverloop ver-wijtbaar is aan de eiser I; de zaak werd pas ingeleid in hoger beroep negen maanden later; er werd slechts twee jaar later arrest geveld; de eiser I is daar geenszins verantwoordelijk voor; de complexiteit van de zaak kan een tijdsver-loop van meer dan zes jaar niet verantwoorden; die onaanvaardbare lange ter-mijn met bovendien diverse periodes van inactiviteit is

kel te wijten aan de houding van de gerechtelijke instanties. Het eerste middel van de eiser IV voert schending aan van artikel 6 EVRM

ar-tikel 14.3.c IVBPR: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn niet is overschreden; er zijn vertragingen vast te stellen nadat het onderzoek reeds ruimschoots was gevoerd; de procedure voor de eerste rechter nam meer dan één jaar in beslag, zonder dat dit tijdsverloop verwijtbaar is aan de eiser IV; de zaak werd pas ingeleid in hoger beroep negen maanden later; er werd slechts twee jaar later arrest geveld; de eiser IV is daar geenszins voor verantwoordelijk; de com-plexiteit van de zaak kan ook een tijdsverloop van meer dan zes jaar niet verant-woorden; die onaanvaardbare lange termijn met bovendien diverse periodes van inactiviteit is

kel te wijten aan de houding van de gerechtelijke instanties.

  1. In zoverre de middelen verplichten tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, zijn ze niet ontvankelijk.
  2. Of de redelijke termijn is overschreden moet in elke zaak afzonderlijk worden beoordeeld volgens de feitelijke gegevens eigen aan de zaak

volgens de criteria van de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene

het belang dat de zaak heeft voor die betrokkene. Er bestaat geen absolute drempel om te bepalen of er van een re-delijke termijn-overschrijding sprake is.

  1. Bij de beoordeling van de aanvoering dat de redelijke termijn is overschre-den, moet de rechter rekening houden met de procedure in haar geheel. Een ver-traging in een bepaalde fase of meerdere fases van de procedure verplicht hem dan ook niet noodzakelijk tot de vaststelling dat de redelijke termijn is over-schreden.
  2. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  3. De rechter oordeelt in het licht van de voormelde criteria onaantastbaar of de redelijke termijn is overschreden. Het Hof gaat

kel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. 7. Op grond van het geheel van redenen die het arrest (p. 79-82) bevat, kun-nen de appelrechters wettig oordelen dat de zaak in zijn geheel beschouwd een normaal verloop heeft gekend zonder onverantwoorde vertragingen of onverant-woord lange periodes van inactiviteit of onderbrekingen in het onderzoek

de vervolging, zodat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke ter-mijn. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I 8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet het in de conclusie van de eiser I met betrekking tot de telastleg-ging A.IV gevoerde verweer over het onmogelijk misdrijf

de hypothese van een afpersing of rip-deal; het arrest beperkt zich tot een summiere

foutieve weergave van een aantal elementen; het arrest laat niet toe de wettigheid van de beslissing te toetsen. 9. Met het geheel van redenen die het arrest (p. 43-52) betreffende de telast-legging A.IV bevat, beantwoorden

verwerpen de appelrechters het bedoelde verweer. Die motivering belet het Hof niet zijn wettigheidstoezicht uit te oefe-nen. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel, eerste onderdeel van de eiser I, alsook tweede middel, eerste on-derdeel van de eiser IV 10. Het eerste onderdeel van het derde middel van de eiser I voert schending aan van artikel 19 Gerechtelijk Wetboek: met het oordeel dat de telastlegging D meerdere criminele organisaties beoogt, waaronder de vermeende organisatie waarvan de eiser I deel zou hebben uitgemaakt, doet het arrest uitspraak over fei-ten die niet tot de saisine behoren van de appelrechters; uit de omschrijving van de telastlegging D

de inhoud van het strafdossier blijkt dat slechts één organi-satie werd geviseerd; uit het strafdossier blijkt dat de eiser I in Nederland woon-achtig is

dat hij steeds vanuit Nederland actief is geweest; dat is de

ige or-ganisatie waarin de eiser I actief zou kunnen zijn geweest

gelet op de plaats-omschrijving van de telastlegging is die niet geviseerd. Het eerste onderdeel van het tweede middel van de eiser IV voert schending aan van artikel 19 Gerechtelijk Wetboek: met het oordeel dat de telastlegging D meerdere criminele organisaties beoogt, waaronder de vermeende organisatie waarvan de eiser I deel zou hebben uitgemaakt, doet het arrest uitspraak over fei-ten die niet tot de saisine behoren van de appelrechters; uit de omschrijving van de telastlegging D

de inhoud van het strafdossier blijkt dat slechts één organi-satie werd geviseerd; uit het strafdossier blijkt dat de eiser I in Nederland woon-achtig is

dat hij steeds vanuit Nederland actief is geweest; dat is de

ige or-ganisatie waarin de eiser I

bij uitbreiding de eiser IV actief zouden kunnen zijn geweest

gelet op de plaatsomschrijving van de telastlegging, is die niet geviseerd.

  1. Artikel 19 Gerechtelijk Wetboek is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre falen de onderdelen naar recht.
  2. Voor het overige komen de onderdelen op tegen de onaantastbare beoorde-ling door het arrest betreffende de draagwijdte van de feiten die ten grondslag liggen aan de telastlegging D, of verplichten ze tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft. In zoverre zijn de onderdelen niet ontvankelijk. Derde middel, tweede onderdeel van de eiser I, alsook tweede middel, tweede onderdeel van de eiser IV
  3. De onderdelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet

artikel 324bis Strafwetboek: het arrest bespreekt in algemene termen het bestaan van meerdere criminele organisaties om dan te besluiten dat de eiser I samen met de eiser IV behoorde tot eenzelfde organisatie, maar het verwijst niet naar de con-stitutieve bestanddelen voor de telastlegging D of naar bewijs in het strafdossier voor het bestaan van die twee criminele organisaties.

  1. Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter die een beklaagde schuldig ver-klaart aan een misdrijf in de bewoordingen van de straf bij afwezigheid van daar-toe strekkende conclusie niet de diverse bestanddelen van dit misdrijf te bespre-ken of te verwijzen naar de bewijselementen uit het strafdossier. De onderdelen die uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen naar recht. Vierde middel van de eiser I
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 195, eerste lid,

211 Wetboek van Strafvordering: het arrest dat zich beperkt tot een verwijzing naar de aard

de ernst van de feiten, de rol die de eiser I daarin heeft gespeeld, zijn persoonlijkheid

de staat van wettelijke herhaling, motiveert niet waarom het aan de eiser zowel een hoofdgevangenisstraf als een geldboete oplegt, terwijl de wet de mogelijkheid biedt slechts één van die twee straffen op te leggen; het ar-rest rechtvaardigt evenmin de strafmaat voor elk van de uitgesproken straffen. 16. Uit artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge ar-tikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van be-roep, volgt voor de strafrechter de verplichting om voor de straffen die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, de keuze

de maat ervan nauwkeurig te motive-ren, zij het dat dit ook op een beknopte manier mag. 17. Het arrest (p. 44-45

p. 70-71) verklaart de eiser I schuldig aan de feiten der telastleggingen A.IV (zoals heromschreven)

D (zoals beperkt), namelijk een inbreuk op de artikelen 51

52 Strafwetboek

artikel 2bis, § 3, b),

§ 5

, Drugwet (telastlegging A.IV)

een inbreuk op artikel 324ter, § 1, Strafwetboek. 18. Krachtens artikel 2bis, § 3, b),

§ 5

, Drugwet kan het door de telastleg-ging A.IV beoogde misdrijf, zo voltrokken, worden gestraft met opsluiting van 10 tot 15 jaar

facultatief een geldboete van 1.000 tot 100.000 euro. Bij toepas-sing van de artikelen 51

52 Strafwetboek kan deze poging tot misdaad worden bestraft met opsluiting van 5 tot 10 jaar

facultatief de voormelde geldboete, aangezien artikel 2bis, § 5, Strafwetboek ook van toepassing is ingeval van een strafbare poging tot een misdaad als bedoeld in de paragrafen 2, 3

4 van dit artikel. Gelet op de correctionalisering van de feiten der telastlegging A.IV kan de rechter deze gecorrectionaliseerde poging misdaad bestraffen met een gevan-genisstraf van 1 maand tot vijf jaar

facultatief de door artikel 2bis, § 5, Drug-wet bedoelde geldboete. Artikel 84 Strafwetboek vindt immers geen toepassing. 19. De feiten der telastlegging D zijn krachtens artikel 324ter, § 1, Strafwet-boek strafbaar met een gevangenisstraf van 1 tot 3 jaar

een geldboete van 100 tot 5.000 euro of een van die straffen alleen. 20. Het arrest (p. 74-75) oordeelt dat de feiten der telastleggingen A.IV

D voor wat betreft de eiser I de opeenvolgende

voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, zodat bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Straf-wetboek slechts één straf moet worden opgelegd, namelijk de zwaarste. 21. Uit het voorgaande volgt dat de rechter voor de lastens de eiser I bewezen verklaarde feiten verplicht een hoofdgevangenisstraf moet opleggen

faculta-tief een geldboete. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters aan de eiser I voor de bewe-zenverklaarde feiten hetzij een hoofdgevangenisstraf hetzij een geldboete kon-den opleggen, kan het niet worden aangenomen. 22. Het arrest (p. 75-76) stelt vast dat de bewezen verklaarde feiten zeer ern-stig zijn

dat deze uiting van een vorm van georganiseerde misdaad zeer streng moet worden beteugeld. De beklaagden

dus ook de eiser I deinsden er niet voor terug om deel te nemen aan de werking van één of meer criminele organisa-ties gericht op internationale trafiek van verdovende middelen. Dergelijke tra-fieken via de haven van Antwerpen waarbij reguliere scheepslijnen worden mis-bruikt om aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen het Rijk binnen te smokkelen vormen een manifeste bedreiging voor de volksgezondheid

de openbare veiligheid. De beklaagde

dus ook de eiser I werden gedreven door een hang naar gemakkelijk

groot geldgewin, daarbij de gevaren van hun han-delen voor de gezondheid

de levenskwaliteit van vaak jonge druggebruikers negerend. Het arrest (p. 77) stelt ook vast dat de eiser I zich bevindt in een toe-stand van wettelijke herhaling gelet op een eerdere veroordeling wegens witwas-sen

inbreuken op de Drugwet. Het verwerpt het verzoek van de eiser I tot het opleggen van een hoofdgevangenisstraf onder de drie jaar omdat het opleggen van een dergelijke milde straf, mede gelet op de aard

de ernst van de feiten, de staat van wettelijke herhaling

de persoonlijkheid van de eiser I een onvol-doende krachtig maatschappelijk signaal zou zijn

hem onvoldoende zou wij-zen op het ontoelaatbare van zijn handelen. Het arrest (p. 81) motiveert verder de aan de eiser I opgelegde bestraffing als volgt: "Aan [de eiser I] wordt, gelet op de aard

de ernst van de feiten zoals hierboven uiteengezet

de rol die [de eiser I] hierbij heeft gepleegd

zijn persoonlijkheid

staat van wettelijke herhaling, wegens de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A.IV (zoals ge-actualiseerd, gepreciseerd

heromschreven)

D (zoals herleid qua incrimina-tieperiode) een hoofdgevangenisstraf van 8 jaar opgelegd

een geldboete van 60.000 euro, hetzij 10.000 euro te verhogen met 50 opdeciemen, of een vervan-gende gevangenisstraf van 90 dagen". Ten slotte vermeldt het arrest (p. 91) nog dat de geldboeten tot doel hebben de beklaagden

dus ook de eiser I te raken in hun vermogen

hen te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. Met die redenen motiveert het arrest op nauwkeurige wijze zowel de keuze voor een geldboete naast de verplichte hoofdgevangenisstraf als de maat van de beide straffen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser III 23. Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid,

211 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet nauwkeurig waarom aan de eiser III naast een hoofdgevangenisstraf ook een geldboete wordt opgelegd; indien de rechter de vrijheid heeft een geldboete al dan niet op te leggen, kan hij dat slechts doen met een nauwkeurige

geïndividualiseerde motivering; de mo-tivering dat de geldboeten tot doel hebben de beklaagden te raken in hun ver-mogen

hen moeten doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn, voldoet niet aan die verplichting. 24. Uit artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge ar-tikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van be-roep, volgt voor de strafrechter de verplichting om voor de straffen die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, de keuze

de maat ervan nauwkeurig te motive-ren, zij het dat dit ook op een beknopte manier mag. 25. De appelrechters verwijzen ter verantwoording van de aan de eiser III op-gelegde bestraffing naar: - het streefdoel van elke beklaagde

dus ook de eiser III naar gemakkelijk

groot geldgewin (p. 76); - de aard

de ernst van de bewezen verklaarde feiten zoals door hen beschreven, de rol die de eiser III daarin heeft gespeeld, zijn persoonlijkheid

zijn strafrechtelijke voorgaanden, die het opleggen van de uitgesproken hoofdgevangenisstraf

geldboete verantwoorden (p. 87); - het doel van de aan de beklaagden

dus ook de eiser III opgelegde geldboe-ten die hen moeten raken in hun vermogen

hen moeten doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn (p. 91). Met die redenen motiveren de appelrechters wel degelijk op nauwkeurige

ge-individualiseerde wijze de keuze voor de aan de eiser III opgelegde geldboete

de maat ervan. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser IV 26. Het middel voert schending aan van de artikelen 195, eerste lid,

211 Wetboek van Strafvordering: het arrest dat zich beperkt tot een verwijzing naar de aard

de ernst van de feiten, de rol die de eiser IV daarin heeft gepleegd, zijn persoonlijkheid

de staat van wettelijke herhaling, motiveert niet waarom het aan de eiser IV zowel een hoofdgevangenisstraf als een geldboete oplegt, terwijl de wet de mogelijkheid biedt slechts één van die twee straffen op te leg-gen; het arrest rechtvaardigt evenmin de strafmaat voor elk van de uitgesproken straffen. 27. Uit artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge ar-tikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van be-roep, volgt voor de strafrechter de verplichting om voor de straffen die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, de keuze

de maat ervan nauwkeurig te motive-ren, zij het dat dit ook op een beknopte manier mag. 28. Het arrest (p. 75-76) stelt vast dat de bewezen verklaarde feiten zeer ern-stig zijn

dat de uiting van een vorm van georganiseerde misdaad zeer streng moet worden beteugeld. De beklaagden

dus ook de eiser IV deinsden er niet voor terug om deel te nemen aan de werking van één of meer criminele organisa-ties gericht op internationale trafiek van verdovende middelen. Dergelijke tra-fieken via de haven van Antwerpen waarbij reguliere scheepslijnen worden mis-bruikt om aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen het Rijk binnen te smokkelen vormen een manifeste bedreiging voor de volksgezondheid

de openbare veiligheid. Het arrest (p. 89) oordeelt dat er geen

kele omstandigheid voorligt die van aard is om de eiser IV een mildere gevangenisstraf

geldboete op te leggen dan de maximale hoofdgevangenisstraf

geldboete

het veroor-deelt de eiser IV tot dergelijke straffen gelet op de aard

de ernst van de feiten zoals uiteengezet

de rol die de eiser IV daarin heeft gespeeld. Ten slotte ver-meldt het arrest (p. 91) nog dat de geldboeten tot doel hebben de beklaagden

dus ook de eiser IV te raken in hun vermogen

hen te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. Met die redenen motiveert het arrest op nauw-keurige wijze zowel de keuze voor de aan de eiser IV opgelegde straffen als de maat ervan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser V 29. Het middel voert schending aan van de artikelen 12, tweede lid, 14

149 Grondwet

artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede mis-kenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende individualisering van de toe-passing van de strafwet: het arrest beperkt zich wat betreft de telastlegging D tot de vaststelling in het algemeen van het bestaan van een groepering, zonder indi-vidueel te onderzoeken of alle constitutieve bestanddelen voor dat misdrijf voor wat betreft de eiser V bewezen zijn; het arrest moet zich over elke beklaagde in-dividueel uitspreken; het arrest moet aangeven welke het verband is tussen de vereniging

de eiser V.

  1. Geen wetsbepaling verplicht de rechter de schuldigverklaring van meerde-re beklaagden met afzonderlijke redenen te motiveren.
  2. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie verplicht artikel 149 Grondwet de rechter die een beklaagde schuldig verklaart in de bewoordingen van de strafwet niet om aan te geven waarom hij met betrekking tot een beklaag-de alle constitutieve elementen verenigd acht.
  3. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  4. Uit de redenen die het arrest vermeldt betreffende de kwestieuze criminele organisatie in het algemeen (p. 67-70)

de specifieke rol van de eiser V daarin (p. 70-71) volgt dat het arrest wel degelijk onderzoekt of de eiser V zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten van de telastlegging D

verantwoordt het die be-slissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser V 34. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering

artikel 37quinquies, § 3, Strafwet-boek: met de redenen die het arrest bevat

die neerkomen op een standaard-formule, voldoet het niet aan de bijzondere motiveringsplicht die geldt voor de afwijzing van een werkstraf zoals gevraagd door de eiser V; het vermeldt niet concreet of geïndividualiseerd waarom het verzoek van de eiser V wordt afgewe-zen. 35. Artikel 149 Grondwet

artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvorde-ring zijn vreemd aan de bijzondere motiveringsverplichting bij de afwijzing van een verzoek om een werkstraf. In zoverre faalt het middel naar recht.

  1. Artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter die weigert een door een beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken zijn be-slissing met redenen moet omkleden.
  2. De weigering een werkstraf op te leggen, kan met redenen omkleed zijn door opgave van de redenen om een andere straf of straffen dan de werkstraf op te leggen.
  3. Het arrest motiveert de aan de eiser V opgelegde bestraffing als volgt: - de feiten vormen de uiting van een vorm van georganiseerde misdaad die streng moet worden beteugeld; - de eiser V deinsde er niet voor terug om deel te nemen aan de werking van één of meer criminele organisaties gericht op de internationale trafiek van verdovende middelen; - dergelijke trafieken via de haven van Antwerpen waarbij reguliere scheepslijnen worden misbruikt vormen een manifeste bedreiging voor de volksgezondheid

de openbare veiligheid; - de beklaagden

dus ook de eiser V werden gedreven door een hang naar gemakkelijk

groot geldgewin, daarbij volledig de gevaren van hun handelen voor de gezondheid

de levenskwaliteit van vaak jonge druggebruikers negerend; - er wordt rekening gehouden met de aard

de ernst van de gepleegde feiten

de rol van de eiser V daarin; - het uitspreken van een werkstraf of van een gevangenisstraf met uitstel van tenuitvoerlegging zoals gevraagd zou mede gelet op de ernst van de feiten zoals uiteengezet een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal op deze feiten inhouden

zou de eiser V onvoldoende wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen; - de door de eiser V aangehaalde argumenten of neergelegde stukken zijn niet van aard om anders oordelen. Door opgave van die redenen, die geenszins een standaardformulering inhouden, voldoet het arrest aan de door artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek opgelegde bijzondere motiveringsverplichting. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 39. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn nageleefd

de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding 40. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van de cassatieberoepen te-gen de beslissing op de strafvordering, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. De cassatieberoepen van de eisers I, II

VI tegen de beslissing waarbij hun on-middellijke aanhouding is bevolen, heeft dan ook geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op de som van 642,99 euro waarvan de eisers I, II

III elk 107,16 euro verschuldigd zijn

de eisers IV, V

VI 107,17 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman

Ilse Couwenberg,

op de openbare rechtszitting van 3 december 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191203.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.