, Drugswet wordt gestraft met opsluiting van 10 tot 15 jaar
facultatief een geldboete van 1.000 tot 100.000 euro
bij toepassing van de artikelen 51
52 Strafwetboek kan de poging tot deze misdaad worden bestraft met opsluiting van 5 tot 10 jaar
facultatief de voormelde geldboete, aangezien artikel 2bis, § 5, Drugswet ook van toepassing is ingeval van een strafbare poging tot een misdaad als bedoeld in de paragrafen 2, 3
4 van dit artikel; na correctionalisering kan de rechter deze gecorrectionaliseerde poging misdaad bestraffen met een gevangenisstraf van 1 maand tot vijf jaar
facultatief de door artikel 2bis, § 5, Drugswet bedoelde geldboete aangezien artikel 84 Strafwetboek geen toepassing vindt
, Drugswet - Misdaad - Bestraffing Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Vrije woorden: Drugswet - Poging tot misdaad bestraft overeenkomstig artikel 2bis, § 3, b),
, Drugswet - Bestraffing Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Drugswet - Poging tot misdaad bestraft overeenkomstig artikel 2bis, § 3, b),
, Drugswet - Correctionalisering door verzachtende omstandigheden - Bestraffing Fiches 4 - 5 Wanneer de rechter oordeelt dat de inbreuken op de artikelen 51
52 Strafwetboek
artikel 2bis, § 3, b),
, Drugswet
erzijds
op artikel 324ter, § 1, Strafwetboek anderzijds de opeenvolgende
voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, dient hij bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek slechts één straf op te leggen, namelijk de zwaarste,
moet hij dus verplicht een hoofdgevangenisstraf opleggen
facultatief een geldboete. Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF Vrije woorden: Samenloop - Eéndaadse samenloop - Eenheid van opzet - Inbreuken op de artikelen 51
52 Strafwetboek
artikel 2bis, § 3, b),
, Drugswet
op artikel 324ter, § 1, Strafwetboek - Bestraffing - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse Vrije woorden: Eenheid van opzet - Inbreuken op de artikelen 51
52 Strafwetboek
artikel 2bis, § 3, b),
, Drugswet
op artikel 324ter, § 1, Strafwetboek - Bestraffing - Zwaarste straf - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0727.N I F A B, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Len Augustyns, advocaat bij de balie Antwerpen, alsook mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg. II A Z, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Axel De Schampheleire, advocaat bij de balie Antwerpen. III F J, beklaagde, eiser, met als raadsman Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen, IV A B A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg. V A H, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Kris Luyckx
mr. Nathalie Goedertier, beiden advocaat bij de balie Antwerpen. VI M G H, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Bram De Man, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 14 juni 2019. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers II
VI voeren geen middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I
eerste middel van de eiser IV 1. Het eerste middel van de eiser I voert schending aan van artikel 6 EVRM
artikel 14.3.c IVBPR: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn, die in concreto moet worden beoordeeld volgens de criteria complexiteit van de zaak, houding van de beklaagde
wijze waarop de gerechtelijke autoriteiten hebben gehandeld, niet is overschreden; de redelijke termijn heeft wat betreft de eiser I een aanvang genomen bij zijn verhoor op 26 juni 2013; hij werd pas twee
een half jaar later gedagvaard voor de eerste rechter; de procedure voor de eerste rechter nam meer dan één jaar in beslag, zonder dat dit tijdsverloop ver-wijtbaar is aan de eiser I; de zaak werd pas ingeleid in hoger beroep negen maanden later; er werd slechts twee jaar later arrest geveld; de eiser I is daar geenszins verantwoordelijk voor; de complexiteit van de zaak kan een tijdsver-loop van meer dan zes jaar niet verantwoorden; die onaanvaardbare lange ter-mijn met bovendien diverse periodes van inactiviteit is
kel te wijten aan de houding van de gerechtelijke instanties. Het eerste middel van de eiser IV voert schending aan van artikel 6 EVRM
ar-tikel 14.3.c IVBPR: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn niet is overschreden; er zijn vertragingen vast te stellen nadat het onderzoek reeds ruimschoots was gevoerd; de procedure voor de eerste rechter nam meer dan één jaar in beslag, zonder dat dit tijdsverloop verwijtbaar is aan de eiser IV; de zaak werd pas ingeleid in hoger beroep negen maanden later; er werd slechts twee jaar later arrest geveld; de eiser IV is daar geenszins voor verantwoordelijk; de com-plexiteit van de zaak kan ook een tijdsverloop van meer dan zes jaar niet verant-woorden; die onaanvaardbare lange termijn met bovendien diverse periodes van inactiviteit is
kel te wijten aan de houding van de gerechtelijke instanties.
volgens de criteria van de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene
het belang dat de zaak heeft voor die betrokkene. Er bestaat geen absolute drempel om te bepalen of er van een re-delijke termijn-overschrijding sprake is.
kel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. 7. Op grond van het geheel van redenen die het arrest (p. 79-82) bevat, kun-nen de appelrechters wettig oordelen dat de zaak in zijn geheel beschouwd een normaal verloop heeft gekend zonder onverantwoorde vertragingen of onverant-woord lange periodes van inactiviteit of onderbrekingen in het onderzoek
de vervolging, zodat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke ter-mijn. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I 8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet het in de conclusie van de eiser I met betrekking tot de telastleg-ging A.IV gevoerde verweer over het onmogelijk misdrijf
de hypothese van een afpersing of rip-deal; het arrest beperkt zich tot een summiere
foutieve weergave van een aantal elementen; het arrest laat niet toe de wettigheid van de beslissing te toetsen. 9. Met het geheel van redenen die het arrest (p. 43-52) betreffende de telast-legging A.IV bevat, beantwoorden
verwerpen de appelrechters het bedoelde verweer. Die motivering belet het Hof niet zijn wettigheidstoezicht uit te oefe-nen. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel, eerste onderdeel van de eiser I, alsook tweede middel, eerste on-derdeel van de eiser IV 10. Het eerste onderdeel van het derde middel van de eiser I voert schending aan van artikel 19 Gerechtelijk Wetboek: met het oordeel dat de telastlegging D meerdere criminele organisaties beoogt, waaronder de vermeende organisatie waarvan de eiser I deel zou hebben uitgemaakt, doet het arrest uitspraak over fei-ten die niet tot de saisine behoren van de appelrechters; uit de omschrijving van de telastlegging D
de inhoud van het strafdossier blijkt dat slechts één organi-satie werd geviseerd; uit het strafdossier blijkt dat de eiser I in Nederland woon-achtig is
dat hij steeds vanuit Nederland actief is geweest; dat is de
ige or-ganisatie waarin de eiser I actief zou kunnen zijn geweest
gelet op de plaats-omschrijving van de telastlegging is die niet geviseerd. Het eerste onderdeel van het tweede middel van de eiser IV voert schending aan van artikel 19 Gerechtelijk Wetboek: met het oordeel dat de telastlegging D meerdere criminele organisaties beoogt, waaronder de vermeende organisatie waarvan de eiser I deel zou hebben uitgemaakt, doet het arrest uitspraak over fei-ten die niet tot de saisine behoren van de appelrechters; uit de omschrijving van de telastlegging D
de inhoud van het strafdossier blijkt dat slechts één organi-satie werd geviseerd; uit het strafdossier blijkt dat de eiser I in Nederland woon-achtig is
dat hij steeds vanuit Nederland actief is geweest; dat is de
ige or-ganisatie waarin de eiser I
bij uitbreiding de eiser IV actief zouden kunnen zijn geweest
gelet op de plaatsomschrijving van de telastlegging, is die niet geviseerd.
artikel 324bis Strafwetboek: het arrest bespreekt in algemene termen het bestaan van meerdere criminele organisaties om dan te besluiten dat de eiser I samen met de eiser IV behoorde tot eenzelfde organisatie, maar het verwijst niet naar de con-stitutieve bestanddelen voor de telastlegging D of naar bewijs in het strafdossier voor het bestaan van die twee criminele organisaties.
211 Wetboek van Strafvordering: het arrest dat zich beperkt tot een verwijzing naar de aard
de ernst van de feiten, de rol die de eiser I daarin heeft gespeeld, zijn persoonlijkheid
de staat van wettelijke herhaling, motiveert niet waarom het aan de eiser zowel een hoofdgevangenisstraf als een geldboete oplegt, terwijl de wet de mogelijkheid biedt slechts één van die twee straffen op te leggen; het ar-rest rechtvaardigt evenmin de strafmaat voor elk van de uitgesproken straffen. 16. Uit artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge ar-tikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van be-roep, volgt voor de strafrechter de verplichting om voor de straffen die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, de keuze
de maat ervan nauwkeurig te motive-ren, zij het dat dit ook op een beknopte manier mag. 17. Het arrest (p. 44-45
p. 70-71) verklaart de eiser I schuldig aan de feiten der telastleggingen A.IV (zoals heromschreven)
D (zoals beperkt), namelijk een inbreuk op de artikelen 51
52 Strafwetboek
artikel 2bis, § 3, b),
, Drugwet (telastlegging A.IV)
een inbreuk op artikel 324ter, § 1, Strafwetboek. 18. Krachtens artikel 2bis, § 3, b),
, Drugwet kan het door de telastleg-ging A.IV beoogde misdrijf, zo voltrokken, worden gestraft met opsluiting van 10 tot 15 jaar
facultatief een geldboete van 1.000 tot 100.000 euro. Bij toepas-sing van de artikelen 51
52 Strafwetboek kan deze poging tot misdaad worden bestraft met opsluiting van 5 tot 10 jaar
facultatief de voormelde geldboete, aangezien artikel 2bis, § 5, Strafwetboek ook van toepassing is ingeval van een strafbare poging tot een misdaad als bedoeld in de paragrafen 2, 3
4 van dit artikel. Gelet op de correctionalisering van de feiten der telastlegging A.IV kan de rechter deze gecorrectionaliseerde poging misdaad bestraffen met een gevan-genisstraf van 1 maand tot vijf jaar
facultatief de door artikel 2bis, § 5, Drug-wet bedoelde geldboete. Artikel 84 Strafwetboek vindt immers geen toepassing. 19. De feiten der telastlegging D zijn krachtens artikel 324ter, § 1, Strafwet-boek strafbaar met een gevangenisstraf van 1 tot 3 jaar
een geldboete van 100 tot 5.000 euro of een van die straffen alleen. 20. Het arrest (p. 74-75) oordeelt dat de feiten der telastleggingen A.IV
D voor wat betreft de eiser I de opeenvolgende
voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, zodat bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Straf-wetboek slechts één straf moet worden opgelegd, namelijk de zwaarste. 21. Uit het voorgaande volgt dat de rechter voor de lastens de eiser I bewezen verklaarde feiten verplicht een hoofdgevangenisstraf moet opleggen
faculta-tief een geldboete. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters aan de eiser I voor de bewe-zenverklaarde feiten hetzij een hoofdgevangenisstraf hetzij een geldboete kon-den opleggen, kan het niet worden aangenomen. 22. Het arrest (p. 75-76) stelt vast dat de bewezen verklaarde feiten zeer ern-stig zijn
dat deze uiting van een vorm van georganiseerde misdaad zeer streng moet worden beteugeld. De beklaagden
dus ook de eiser I deinsden er niet voor terug om deel te nemen aan de werking van één of meer criminele organisa-ties gericht op internationale trafiek van verdovende middelen. Dergelijke tra-fieken via de haven van Antwerpen waarbij reguliere scheepslijnen worden mis-bruikt om aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen het Rijk binnen te smokkelen vormen een manifeste bedreiging voor de volksgezondheid
de openbare veiligheid. De beklaagde
dus ook de eiser I werden gedreven door een hang naar gemakkelijk
groot geldgewin, daarbij de gevaren van hun han-delen voor de gezondheid
de levenskwaliteit van vaak jonge druggebruikers negerend. Het arrest (p. 77) stelt ook vast dat de eiser I zich bevindt in een toe-stand van wettelijke herhaling gelet op een eerdere veroordeling wegens witwas-sen
inbreuken op de Drugwet. Het verwerpt het verzoek van de eiser I tot het opleggen van een hoofdgevangenisstraf onder de drie jaar omdat het opleggen van een dergelijke milde straf, mede gelet op de aard
de ernst van de feiten, de staat van wettelijke herhaling
de persoonlijkheid van de eiser I een onvol-doende krachtig maatschappelijk signaal zou zijn
hem onvoldoende zou wij-zen op het ontoelaatbare van zijn handelen. Het arrest (p. 81) motiveert verder de aan de eiser I opgelegde bestraffing als volgt: "Aan [de eiser I] wordt, gelet op de aard
de ernst van de feiten zoals hierboven uiteengezet
de rol die [de eiser I] hierbij heeft gepleegd
zijn persoonlijkheid
staat van wettelijke herhaling, wegens de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A.IV (zoals ge-actualiseerd, gepreciseerd
heromschreven)
D (zoals herleid qua incrimina-tieperiode) een hoofdgevangenisstraf van 8 jaar opgelegd
een geldboete van 60.000 euro, hetzij 10.000 euro te verhogen met 50 opdeciemen, of een vervan-gende gevangenisstraf van 90 dagen". Ten slotte vermeldt het arrest (p. 91) nog dat de geldboeten tot doel hebben de beklaagden
dus ook de eiser I te raken in hun vermogen
hen te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. Met die redenen motiveert het arrest op nauwkeurige wijze zowel de keuze voor een geldboete naast de verplichte hoofdgevangenisstraf als de maat van de beide straffen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser III 23. Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid,
211 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet nauwkeurig waarom aan de eiser III naast een hoofdgevangenisstraf ook een geldboete wordt opgelegd; indien de rechter de vrijheid heeft een geldboete al dan niet op te leggen, kan hij dat slechts doen met een nauwkeurige
geïndividualiseerde motivering; de mo-tivering dat de geldboeten tot doel hebben de beklaagden te raken in hun ver-mogen
hen moeten doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn, voldoet niet aan die verplichting. 24. Uit artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge ar-tikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van be-roep, volgt voor de strafrechter de verplichting om voor de straffen die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, de keuze
de maat ervan nauwkeurig te motive-ren, zij het dat dit ook op een beknopte manier mag. 25. De appelrechters verwijzen ter verantwoording van de aan de eiser III op-gelegde bestraffing naar: - het streefdoel van elke beklaagde
dus ook de eiser III naar gemakkelijk
groot geldgewin (p. 76); - de aard
de ernst van de bewezen verklaarde feiten zoals door hen beschreven, de rol die de eiser III daarin heeft gespeeld, zijn persoonlijkheid
zijn strafrechtelijke voorgaanden, die het opleggen van de uitgesproken hoofdgevangenisstraf
geldboete verantwoorden (p. 87); - het doel van de aan de beklaagden
dus ook de eiser III opgelegde geldboe-ten die hen moeten raken in hun vermogen
hen moeten doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn (p. 91). Met die redenen motiveren de appelrechters wel degelijk op nauwkeurige
ge-individualiseerde wijze de keuze voor de aan de eiser III opgelegde geldboete
de maat ervan. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser IV 26. Het middel voert schending aan van de artikelen 195, eerste lid,
211 Wetboek van Strafvordering: het arrest dat zich beperkt tot een verwijzing naar de aard
de ernst van de feiten, de rol die de eiser IV daarin heeft gepleegd, zijn persoonlijkheid
de staat van wettelijke herhaling, motiveert niet waarom het aan de eiser IV zowel een hoofdgevangenisstraf als een geldboete oplegt, terwijl de wet de mogelijkheid biedt slechts één van die twee straffen op te leg-gen; het arrest rechtvaardigt evenmin de strafmaat voor elk van de uitgesproken straffen. 27. Uit artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge ar-tikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van be-roep, volgt voor de strafrechter de verplichting om voor de straffen die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, de keuze
de maat ervan nauwkeurig te motive-ren, zij het dat dit ook op een beknopte manier mag. 28. Het arrest (p. 75-76) stelt vast dat de bewezen verklaarde feiten zeer ern-stig zijn
dat de uiting van een vorm van georganiseerde misdaad zeer streng moet worden beteugeld. De beklaagden
dus ook de eiser IV deinsden er niet voor terug om deel te nemen aan de werking van één of meer criminele organisa-ties gericht op internationale trafiek van verdovende middelen. Dergelijke tra-fieken via de haven van Antwerpen waarbij reguliere scheepslijnen worden mis-bruikt om aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen het Rijk binnen te smokkelen vormen een manifeste bedreiging voor de volksgezondheid
de openbare veiligheid. Het arrest (p. 89) oordeelt dat er geen
kele omstandigheid voorligt die van aard is om de eiser IV een mildere gevangenisstraf
geldboete op te leggen dan de maximale hoofdgevangenisstraf
geldboete
het veroor-deelt de eiser IV tot dergelijke straffen gelet op de aard
de ernst van de feiten zoals uiteengezet
de rol die de eiser IV daarin heeft gespeeld. Ten slotte ver-meldt het arrest (p. 91) nog dat de geldboeten tot doel hebben de beklaagden
dus ook de eiser IV te raken in hun vermogen
hen te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. Met die redenen motiveert het arrest op nauw-keurige wijze zowel de keuze voor de aan de eiser IV opgelegde straffen als de maat ervan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser V 29. Het middel voert schending aan van de artikelen 12, tweede lid, 14
149 Grondwet
artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede mis-kenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende individualisering van de toe-passing van de strafwet: het arrest beperkt zich wat betreft de telastlegging D tot de vaststelling in het algemeen van het bestaan van een groepering, zonder indi-vidueel te onderzoeken of alle constitutieve bestanddelen voor dat misdrijf voor wat betreft de eiser V bewezen zijn; het arrest moet zich over elke beklaagde in-dividueel uitspreken; het arrest moet aangeven welke het verband is tussen de vereniging
de eiser V.
de specifieke rol van de eiser V daarin (p. 70-71) volgt dat het arrest wel degelijk onderzoekt of de eiser V zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten van de telastlegging D
verantwoordt het die be-slissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser V 34. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering
artikel 37quinquies, § 3, Strafwet-boek: met de redenen die het arrest bevat
die neerkomen op een standaard-formule, voldoet het niet aan de bijzondere motiveringsplicht die geldt voor de afwijzing van een werkstraf zoals gevraagd door de eiser V; het vermeldt niet concreet of geïndividualiseerd waarom het verzoek van de eiser V wordt afgewe-zen. 35. Artikel 149 Grondwet
artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvorde-ring zijn vreemd aan de bijzondere motiveringsverplichting bij de afwijzing van een verzoek om een werkstraf. In zoverre faalt het middel naar recht.
de openbare veiligheid; - de beklaagden
dus ook de eiser V werden gedreven door een hang naar gemakkelijk
groot geldgewin, daarbij volledig de gevaren van hun handelen voor de gezondheid
de levenskwaliteit van vaak jonge druggebruikers negerend; - er wordt rekening gehouden met de aard
de ernst van de gepleegde feiten
de rol van de eiser V daarin; - het uitspreken van een werkstraf of van een gevangenisstraf met uitstel van tenuitvoerlegging zoals gevraagd zou mede gelet op de ernst van de feiten zoals uiteengezet een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal op deze feiten inhouden
zou de eiser V onvoldoende wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen; - de door de eiser V aangehaalde argumenten of neergelegde stukken zijn niet van aard om anders oordelen. Door opgave van die redenen, die geenszins een standaardformulering inhouden, voldoet het arrest aan de door artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek opgelegde bijzondere motiveringsverplichting. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 39. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn nageleefd
de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding 40. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van de cassatieberoepen te-gen de beslissing op de strafvordering, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. De cassatieberoepen van de eisers I, II
VI tegen de beslissing waarbij hun on-middellijke aanhouding is bevolen, heeft dan ook geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op de som van 642,99 euro waarvan de eisers I, II
III elk 107,16 euro verschuldigd zijn
de eisers IV, V
VI 107,17 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman
Ilse Couwenberg,
op de openbare rechtszitting van 3 december 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191203.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.