← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.1 Rolnummer: P.19.0031.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht - Constitutioneel recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2019-12-12 Raadplegingen: 476 - laatst gezien 2026-06-29 06:01 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een verordening heeft volgens artikel 288, tweede lid, VWEU, een algemene strekking, ze is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elk lidstaat.; daaruit vloeit voort dat zij geen verdere uitvoering behoeft door de lidstaten, tenzij de verordening anders beschikt maar dat de lidstaten gebeurlijk wel dienen in te staan voor het vaststellen van de sancties. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Vrije woorden: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie - Artikel 288 - Rechtshandelingen van de Unie - Verordening - Draagwijdte - Gevolg Fiches 2 - 7 De artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet en het daarin vervatte legaliteitsbeginsel,, verzetten zich niet ertegen dat de wetgever met de artikelen 1 en 2 Wet van 18 februari 1969 de Koning machtigt de strafbaarstellingen van overtredingen van de verordeningen van de Europese Unie in het domein van de Wet van 18 februari 1969 te bepalen en dit met de in artikel 2 van deze wet bepaalde straffen; uit de artikelen 1 en 2 Wet van 18 februari 1969 en het doel dat de wetgever daarmee beoogt, volgt dat de Koning het overtreden van de Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EU) nr. 165/2014 kan strafbaar stellen, zodat er dan ook geen grond is om artikel 18, §1, KB 14 juli 2005 en artikel 46 KB 17 oktober 2016 buiten toepassing te laten

(1).
(1)GwH 22 april 2010, nr. 37/2010. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel in strafzaken - Vervoer - Goederenvervoer - Landvervoer. Wegvervoer - Strafbaarstelling - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 14 Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel in strafzaken - Vervoer - Goederenvervoer - Landvervoer. Wegvervoer - Strafbaarstelling - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Vrije woorden: Strafbaarstelling - Wet 18 februari 1969 - Artikelen 1 en 2 - Draagwijdte - Gevolg Strafbaarstelling - KB 14 juli 2005 houdende uitvoering van de verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 - Artikel 18 - Draagwijdte - Gevolg Strafbaarstelling - Koninklijk Besluit 17 oktober 2016 inzake de tachograaf en de rij- en rusttijden - Artikel 46 - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Vervoer - Goederenvervoer - Landvervoer. Wegvervoer - Artikel 19.1, Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 en artikel 14.1, Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 - Draagwijdte - Gevolg Fiches 8 - 9 Uit de bepalingen van artikel 13.1.
  1. h)van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en artikel 6,
  2. f)van het Koninklijk Besluit van 9 april 2007 houdende uitvoering van deze verordening, volgt dat bestuurders van de door artikel 6, f), KB 9 april 2007 bedoelde voertuigen zijn vrijgesteld van de verplichting betreffende het gebruik van het controleapparaat; het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft het begrip "voertuigen die worden gebruikt in verband met [..] onderhoud van [..] wegen" in de zin van artikel 13.1.
  3. h)Verordening (EG) nr. 561/2006, aldus uitgelegd dat een voertuig dat materiaal of materieel vervoert naar de plaats waar de wegenonderhoudswerken worden verricht, onder dit begrip valt, mits het vervoer volledig en uitsluitend verband houdt met de uitvoering van deze werken en een aan die werken ondergeschikte activiteit vormt en dit vervoer heeft alleen een ondergeschikt karakter ten opzichte van de wegenonderhoudswerken indien het voertuig waarmee dit materiaal en materieel wordt vervoerd rechtstreeks wordt gebruikt bij de uitvoering van de wegenonderhoudswerken, terwijl het vervoer alleen van materiaal of materieel dat voor de wegenonderhoudswerken van de weg bestemd is niet onder de uitzondering van artikel 13.1.
  4. h)Verordening (EG) nr. 561/2006 valt, zodat uit de door het Hof van Justitie van de Europese Unie gegeven uitlegging volgt dat het ondergeschikt karakter van het vervoer moet worden beoordeeld ten aanzien van de concrete vervoersopdracht van de chauffeur. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Vrije woorden: Strafbaarstelling - Koninklijk Besluit 9 april 2007 houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 - Artikel 6.
  5. f)- Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Vervoer - Goederenvervoer - Landvervoer. Wegvervoer - Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 - Artikel 13.1.
  6. h)- Draagwijdte - Gevolg Fiche 10 Uit de wijze waarop de inbreuk in artikel 15.8, derde zin, Verordening (EEG) nr. 3821/85 en artikel 32.3, derde zin, Verordening (EU) nr. 165/2014 is omschreven volgt dat die slechts bestaat indien in het voertuig een voorziening aanwezig is die kan worden aangewend voor het in dat artikel omschreven doel; het loutere feit dat in het voertuig een voorziening aanwezig is die niet aan die omschrijving voldoet, maar een controle kan bemoeilijken, volstaat niet voor een inbreuk op deze bepaling. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Vervoer - Goederenvervoer - Landvervoer. Wegvervoer - Artikel 15.8, Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 en artikel 32.3, Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 - Vervalsing, verberging, vernietiging of uitwissing van gegevens vermeld op het registratieblad, de bestuurderskaart of het controleapparaat - Voorwaarden voor strafbaarheid - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0031.N I 1. D. L. D., beklaagde, 2. N. B. N., beklaagde, 3. R. G. D., beklaagde, 4. E. P. O. S., beklaagde, 5. M. Q., beklaagde, 6. K. C. C. D., beklaagde, 7. W. A. M. V. S., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Lore Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. II JONITRANS bvba, met zetel te 8432 Middelkerke, Vaartdijk-Zuid 57, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correc-tionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 28 november 2018. De eisers I voeren in memories die aan dit arrest zijn gehecht, telkens twee mid-delen aan. De eiseres II voert geen middel aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II 1. De burgerrechtelijk aansprakelijke partij is krachtens artikel 427 Wetboek van Strafvordering verplicht haar cassatieberoep te laten betekenen aan de par-tijen tegen wie het is gericht. 2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eise-res II haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht. Het cassatieberoep van de eiseres II is niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers I.1, I.3, 1.4, I.5, I.6 en I.7 3. Het middel voert schending aan van de artikelen 14, 108 en 149 Grondwet, de artikelen 163 en 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1 en 2, § 1, van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoe-ring van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg (hierna Wet van 18 februari 1969): het bestre-den vonnis verklaart ten onrechte de eiser I.1 schuldig aan de telastleggingen H en I, de eiser I.3 aan de telastleggingen J en K, de eiser I.4 aan de telastleggingen A en B, de eiser I.5 aan de telastleggingen C, D en E, de eiser I.6 aan de telast-leggingen F en G en de eiser I.7 aan de telastleggingen L en M en veroordeelt hen hiervoor telkens op grond van de artikelen 1 en 2, § 1, Wet van 18 februari 1969 en artikel 18, § 1, van het koninklijk besluit van 14 juli 2005 houdende uit-voering van de verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffen-de het controleapparaat in het wegvervoer (hierna KB 14 juli 2005) en sedert 24 oktober 2016, artikel 46 van het koninklijk besluit van 17 oktober 2016 inzake de tachograaf en de rij- en rusttijden (hierna KB 17 oktober 2016) tot straf; de Wet van 18 februari 1969 stelt de overtredingen op de internationale verdragen en ak-ten immers niet zelf strafbaar, maar enkel de overtredingen van de besluiten die genomen werden bij toepassing van artikel 1 van deze wet; aldus kan ook artikel 18, § 1, KB 14 juli 2005 die overtredingen niet strafbaar stellen; bovendien maakt het bestreden vonnis geen melding van artikel 2 KB 14 juli 2005, zodat zelfs in zoverre wordt aangenomen dat de schuldigverklaring ook steunt op die bepaling de veroordelingen om die reden onwettig zijn; artikel 2 KB 14 juli 2005 wordt niet hernomen in het KB 17 oktober 2016, zodat een overtreding van die bepaling thans niet meer strafbaar is overeenkomstig artikel 7 EVRM en artikel 2, tweede lid, Strafwetboek. 4. Artikel 1, eerste lid, Wet van 18 februari 1969 bepaalt: "De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of waterweg, alle vereiste maatregelen treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krach-tens deze genomen internationale akten, welke maatregelen de opheffing en de wijziging van wetsbepalingen kunnen inhouden." Artikel 2, § 1, eerste lid, Wet van 18 februari 1969 bepaalt: "De overtredingen van de besluiten die genomen werden bij toepassing van artikel 1 van deze wet worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van vijftig tot tienduizend euro, of slechts één van beide straffen, on-verminderd de eventuele schadevergoeding." 5. Artikel 19.1 van de Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 de-cember 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (hierna Veror-dening (EEG) nr. 3821/85) bepaalt dat de lidstaten de wettelijke bepalingen vast-stellen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze Verordening waaronder de sancties die kunnen worden toegepast. Artikel 19.1, eerste zin, Verordening (EG) nr. 561/2006 van 15 maart 2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2134/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (hierna: Verordening (EG) nr. 561/2006) bepaalt dat de lidstaten de regelgeving vaststel-len inzake sancties voor inbreuken op deze Verordening en op de Verordening (EEG) nr. 3821/85 en alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn voor de uit-voering ervan. Artikel 18, § 1, KB 14 juli 2005 bepaalt: "De inbreuken op de verordening en op dit besluit, vastgesteld in België of aangegeven door de bevoegde overheid van een andere lidstaat of van een derde land, worden bestraft overeenkomstig de ar-tikelen 2 en 2bis van de bovengemelde wet van 18 februari 1969 of artikel 4 van de wet van 21 juni 1985, ook als de inbreuk is begaan op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land, al naargelang zij betrekking hebben op het gebruik van het controleapparaat of op zijn technische kenmerken." Met "de verordening" in deze bepaling wordt volgens artikel 1, 1°, KB 14 juli 2005 de Verordening (EEG) nr. 3821/85 bedoeld. 6. Artikel 14.1 van de Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Par-lement en de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegver-voer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van be-paalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (hierna Verordening (EU) nr. 165/2014) bepaalt dat de lidstaten overeenkomstig hun nationale grondwettelijke bepalingen voorschriften vaststellen betreffende de sancties die aan inbreuken op deze verordening worden verbonden en alle nodige maatrege-len nemen om te waarborgen dat deze sancties worden toegepast. Artikel 46 KB 17 oktober 2016 bepaalt: "De inbreuken op Verordening 561/2006, Verordening 165/2014, de AETR en dit besluit, vastgesteld in België of aangegeven door de bevoegde overheid van een andere lidstaat of van een derde land, worden bestraft overeenkomstig de artikelen 2 en 2bis van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg of de artikelen 4 en 4bis van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, ook als de inbreuk is begaan op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land, al naargelang zij betrekking hebben op het gebruik van de tachograaf of op zijn technische kenmerken." 7. Een verordening heeft volgens artikel 288, tweede lid, VWEU een algeme-ne strekking, ze is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasse-lijk in elk lidstaat. Daaruit vloeit voort dat zij geen verdere uitvoering behoeft door de lidstaten, tenzij de verordening anders beschikt. De lidstaten dienen ge-beurlijk wel in te staan voor het vaststellen van de sancties. 8. De artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet en het daarin vervatte legali-teitsbeginsel, zoals uitgelegd door het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 37/2010 van 22 april 2010, verzetten zich niet ertegen dat de wetgever met de artikelen 1 en 2 Wet van 18 februari 1969 de Koning machtigt de strafbaarstellingen van overtredingen van de verordeningen van de Europese Unie in het domein van de Wet van 18 februari 1969 te bepalen en dit met de in artikel 2 van deze wet be-paalde straffen. 9. Uit de artikelen 1 en 2 Wet van 18 februari 1969 en het doel dat de wetge-ver daarmee beoogt, volgt dat de Koning het overtreden van de Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EU) nr. 165/2014 kan strafbaar stellen. Er is dan ook geen grond om artikel 18, § 1, KB 14 juli 2005 en artikel 46 KB 17 oktober 2016 bui-ten toepassing te laten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 10. Uit de artikelen 163, eerste lid, 195, eerste lid en 211 Wetboek van Straf-vordering volgt voor de strafrechter de verplichting in een veroordelende beslis-sing melding te maken van de wetsbepalingen die het feit waarvoor hij veroor-deelt strafbaar stellen en die in de toegepaste straf voorzien. 11. Het bestreden vonnis maakt zelf of door bevestiging van het beroepen von-nis voor wat betreft de met het middel bedoelde veroordelingen melding van de artikelen 3, 15.2, eerste lid, 15.8, derde zin, Verordening (EEG) nr. 3821/85, de artikelen 3, 32.3, derde zin, en 34.1 Verordening (EU) nr. 165/2014, de artikelen 1 en 2, § 1, Wet van 18 februari 1969, artikel 18, § 1, KB 14 juli 2005 en artikel 46 KB 17 oktober 2016, naargelang de telastleggingen. Het hoefde daarbij geen melding te maken van andere bepalingen van deze koninklijke besluiten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser I.2 12. Het middel voert schending aan van de artikelen 14, 108 en 149 Grondwet, de artikelen 163 en 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1 en 2, § 1, Wet van 18 februari 1969: het bestreden vonnis verklaart de eiser I.2 ten onrechte schuldig aan de telastleggingen A, C, D, F, H, J, L en N en veroor-deelt hem hiervoor telkens op grond van de artikelen 1 en 2, § 1, Wet van 18 fe-bruari 1969 en artikel 18, § 1, KB 14 juli 2005 en sedert 24 oktober 2016, artikel 46 KB 17 oktober 2016 tot straf, de eiser I.2 kon op die grond evenwel niet wor-den gestraft; de Wet van 18 februari 1969 stelt de overtredingen op de internati-onale verdragen en akten immers niet zelf strafbaar, maar enkel de overtredingen van de besluiten die werden genomen bij toepassing van artikel 1 van deze wet; aldus kan artikel 18, § 1, KB 14 juli 2005 die overtredingen niet strafbaar stellen; bovendien maakt het bestreden vonnis geen melding van enige overtreding van het KB 14 juli 2005 en inzonderheid van artikel 2 van dit KB, zodat zelfs in zo-verre wordt aangenomen dat de schuldigverklaring ook steunt op die bepaling, de veroordelingen om die reden onwettig zijn; dit artikel 2 is niet hernomen in het KB 17 oktober 2016, zodat een overtreding op die bepaling nu niet meer straf-baar is overeenkomstig artikel 7 EVRM en artikel 2, tweede lid, Strafwetboek; het bestreden vonnis verklaart de eiser I.2 schuldig aan de telastlegging O en veroordeelt hem tot een straf op grond van de artikelen 1 en 2, § 1, Wet van 18 februari 1969 en artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 april 2007 houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van so-ciale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en houdende gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werk-zaamheden in het wegvervoer uitoefenen (hierna: KB 9 april 2007) en sedert 24 oktober 2016, artikel 46 KB 17 oktober 2016; de eiser I.2 kon op die grond evenwel niet worden bestraft; de Wet van 18 februari 1969 stelt de overtredingen op de internationale verdragen en akten immers niet zelf strafbaar, maar enkel de overtredingen van de besluiten die genomen werden bij toepassing van artikel 1 van deze wet; aldus kan ook artikel 2 KB 9 april 2007 die overtredingen niet strafbaar stellen; er wordt in de omschrijving van die telastlegging geen melding gemaakt van enige overtreding van het KB 9 april 2007. 13. In zoverre het middel betrekking heeft op de schuldigverklaring van de ei-ser I.2 aan de telastleggingen A, C, D, F, H, J, L en N, heeft het dezelfde strek-king als het eerste middel van de eisers I.1, I.3, I.4, I.5, I.6 en I.7 en dient het om dezelfde redenen te worden verworpen. 14. Artikel 1, eerste lid, Wet van 18 februari 1969 bepaalt: "De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of waterweg, alle vereiste maatregelen treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krach-tens deze genomen internationale akten, welke maatregelen de opheffing en de wijziging van wetsbepalingen kunnen inhouden." Artikel 2, § 1, eerste lid, Wet van 18 februari 1969 bepaalt: "De overtredingen van de besluiten die genomen werden bij toepassing van artikel 1 van deze wet worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van vijftig tot tienduizend euro, of slechts één van beide straffen, on-verminderd de eventuele schadevergoeding." 15. Artikel 19.1 Verordening (EG) nr. 561/2006 bepaalt dat de lidstaten regel-geving vaststellen inzake sancties voor inbreuken op deze Verordening en op Verordening (EEG) nr. 3821/85 en alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering ervan. Artikel 2 KB 9 april 2007 bepaalt: "De inbreuken op de verordening en op dit besluit, vastgesteld in België of aangegeven door de bevoegde overheid van een andere lidstaat of van een derde land, worden bestraft overeenkomstig de artike-len 2 en 2bis van de bovengemelde wet van 18 februari 1969, ook als de inbreuk is begaan op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land." Met "de verordening" in deze bepaling wordt volgens artikel 1 KB 9 april 2007 de Verordening (EG) nr. 561/2006 bedoeld. Artikel 46 KB 17 oktober 2016 bepaalt: "De inbreuken op Verordening 561/2006, Verordening 165/2014, de AETR en dit besluit, vastgesteld in België of aangegeven door de bevoegde overheid van een andere lidstaat of van een derde land, worden bestraft overeenkomstig de artikelen 2 en 2bis van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg of de artikelen 4 en 4bis van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, ook als de inbreuk is begaan op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land, al naargelang zij betrekking hebben op het gebruik van de tachograaf of op zijn technische kenmerken." 16. Een verordening heeft volgens artikel 288, tweede lid, VWEU een algeme-ne strekking, ze is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasse-lijk in elk lidstaat.. Daaruit vloeit voort dat zij geen verdere uitvoering behoeft door de lidstaten, tenzij de verordening anders beschikt. De lidstaten dienen ge-beurlijk wel in te staan voor het vaststellen van de sancties. 17. De artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet en het daarin vervatte legali-teitsbeginsel, zoals uitgelegd door het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 37/2010 van 22 april 2010, verzetten zich niet ertegen dat de wetgever met de artikelen 1 en 2 Wet van 18 februari 1969 de Koning machtigt de strafbaarstellingen van overtredingen van de Verordeningen van de Europese Unie in het domein van de Wet van 18 februari 1969 te bepalen en dit met de in artikel 2 van deze wet be-paalde straffen. 18. Uit de artikelen 1 en 2 Wet van 18 februari 1969 en het doel dat de wetge-ver daarmee beoogt, volgt dat de Koning het overtreden van de Verordeningen (EEG) nr. 561/2006 en (EU) nr. 165/2014 kan strafbaar stellen. Er is dan ook geen grond om artikel 2 KB 9 april 2007 en artikel 46 KB 17 oktober 2016 buiten toepassing te laten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 19. Uit artikel 163, eerste lid, 195, eerste lid en 211 Wetboek van Strafvorde-ring volgt voor de strafrechter de verplichting in een veroordelende beslissing melding te maken van de wetsbepalingen die het feit waarvoor hij veroordeelt strafbaar stellen en die in de toegepaste straf voorzien. 20. Het bestreden vonnis maakt zelf of door bevestiging van het beroepen von-nis voor wat betreft de met het middel bedoelde veroordeling voor de telastleg-ging O melding van de artikelen 2, 4 en 10.2 Verordening (EG) nr. 561/2006, de artikelen 1 en 2 § 1, Wet van 18 februari 1969, artikel 2 KB 9 april 2007 en arti-kel 46 KB 17 oktober 2016. Het hoefde daarbij geen melding te maken van ande-re bepalingen van deze koninklijke besluiten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eisers I.1 en I.3 21. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 15.2, eerste lid, Ver-ordening (EEG) nr. 3821/85, artikel 13 Verordening (EG) nr. 561/2006, de arti-kelen 3 en 34.1 Verordening (EU) nr. 165/2014, de artikelen 10, 11 en 159 Grondwet, de artikelen 1 en 2, § 1, Wet van 18 februari 1969, de artikelen 2, tweede lid, en 18, § 1, KB 14 juli 2005, de op heden deels vervangende artike-len 3, 40 en 46 KB 17 oktober 2016 en artikel 6 KB 9 april 2007: het bestreden vonnis verklaart de eiser I.1 ten onrechte schuldig aan de telastleggingen H en I en de eiser I.3 aan de telastleggingen J en K; het bestreden vonnis neemt ten on-rechte aan dat het vervoer dat voorwerp is van de telastleggingen, niet valt onder de door artikel 13.1.
  7. h)Verordening (EG) nr. 561/2006 en artikel 6, f), KB 9 april 2007 bepaalde vrijstellingsregeling; het bestreden vonnis neemt ten onrechte aan dat chauffeurs van private ondernemingen die voor de realisatie van de bedoelde diensten worden ingeschakeld niet van de vrijstelling kunnen genieten omdat de bedoelde uitzonderingen slaan op algemene diensten van openbaar belang; het bestreden vonnis stelt ook niet vast dat de feiten niet zouden zijn gepleegd met een voertuig dat wordt ingezet bij wegenwerken ten dienste van het openbaar be-lang, zodat dit onderdeel van de motivering geen wettige grond kan vormen voor de veroordeling van eisers I.1 en I.3; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de vrijstelling niet geldt wanneer de chauffeur van een voertuig dat uitslui-tend wordt ingezet voor wegenwerken in opdracht van een publieke overheid, hiermee enkel voor de uitvoering van wegenonderhoudswerkzaamheden noodza-kelijk materiaal of materieel vanop een andere plaats naar de werf vervoert en daar lost; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat zolang de chauffeur ook niet zelf deelneemt aan het verwerken van dit materiaal in het kader van de werf, het door hem uitgevoerde vervoer geen ondergeschikte activiteit vormt; dat aan-nemen zou bovendien tot gevolg hebben dat alleen bouwvakkers die ook rijdend materieel besturen van de vrijstelling zouden kunnen genieten, wat niet de be-doeling is; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de vrijstelling niet toe-passelijk is omdat het vervoer ook werd uitgevoerd door een particuliere dien-stenverstrekker voor wie dit vervoer een commerciële activiteit uitmaakt, die aan mededinging is onderworpen, zodat de vrijstelling een concurrentievoordeel zou kunnen verschaffen ten aanzien van andere dienstenverstrekkers uit de sec-tor; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de vrijstelling niet geldt voor ritten die te maken hebben met de aanleg van nieuwe wegen en dat het begrip "onderhoud van wegen" in de zin van artikel 13.1.
  8. h)Verordening (EG) nr. 561/2006 enkel slaat op reeds bestaande wegen en niet op de aanleg van nieuwe wegen; dit zou bovendien een niet te verantwoorden verschil in behandeling doen ontstaan tussen de dienstenverstrekkers die optreden naar aanleiding van het onderhoud van een reeds bestaande weg en de dienstenverstrekkers die op-treden naar aanleiding van de aanleg van een nieuwe weg en aldus een misken-ning impliceren van het gelijkheidsbeginsel dat vervat is in de artikelen 10 en 11 Grondwet; hieruit zou dan volgen dat artikel 18, § 1, KB 14 juli 2005 en artikel 46 KB 17 oktober 2016 krachtens artikel 159 Grondwet buiten toepassing moe-ten worden gelaten; het bestreden vonnis oordeelt ook ten onrechte dat de vrij-stelling niet geldt voor ritten die te maken hebben met het "verbreden van een voetpad met het oog op het plaatsen van fietsenstallingen op het privédomein van de NMBS"; dit aannemen impliceert evenzeer een miskenning van het gelijk-heidsbeginsel; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat voor de voertuigen die zowel ritten doen die vallen onder het toepassingsgebied van de vrijstelling, als ritten die daar niet onder vallen, er een reguliere tachograaf dient te worden geïnstalleerd die dan out of scope moet worden gesteld door de chauffeur op het ogenblik dat hij onder de vrijstelling valt; het bestreden vonnis stelt ook niet vast dat het voertuig zowel werd gebruikt voor ritten waarop de vrijstelling toepasse-lijk is als voor ritten waarop de vrijstelling niet toepasselijk is. Ondergeschikt wordt gevraagd de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: "1. Dient het artikel 13.1,
  9. h)van de Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Eu-ropees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van de Veror-deningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad, aldus te worden uitgelegd dat bij vervoer dat wordt verricht met voertuigen die worden gebruikt in verband met het onderhoud van en toezicht op wegen, het ondergeschikt karakter van dit vervoer - om van de uitzondering te genieten - beoordeeld moet worden op het niveau van de werf van de wegenonderhoudswerken (én dus vanuit de wegenon-derhoudswerken in hun geheel), dan wel enkel op zichzelf ten aanzien van de concrete vervoersopdracht van de chauffeur? 2. Dient het artikel 13.1,
  10. h)van de Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Euro-pees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van de Veror-deningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad, aldus te worden uitgelegd dat bij vervoer dat wordt verricht in verband met het onderhoud van en het toezicht op wegen, onder de term "onderhoud van wegen", ook het vervoer voor het aan-leggen van nieuwe wegenis moet worden verstaan? 3. Dient het artikel 13.1,
  11. h)van de Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Euro-pees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van de Veror-deningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad, aldus te worden uitgelegd dat onder vervoer dat wordt verricht in verband met het onderhoud van en het toe-zicht op wegen, ook vervoer voor het verbreden van een voetpad met het oog op het plaatsen van fietsenstallingen op het eigen domein van een publieke spoor-wegmaatschappij moet worden verstaan?" 22. Artikel 13.1.
  12. h)Verordening (EG) nr. 561/2006 bepaalt: "Mits geen afbreuk wordt gedaan aan doelstellingen van artikel 1, mag elke lidstaat voor zijn eigen grondgebied of, met instemming van de betrokken staat, voor het grondgebied van een andere lidstaat uitzonderingen toestaan op de artikelen 5 tot en met 9, en deze uitzonderingen laten afhangen van bijzondere voorwaarden, voor ver-voer dat wordt verricht met:
  13. h)voertuigen die worden gebruikt in verband met de rioleringsdienst, diensten ter bescherming tegen overstromingen, diensten met betrekking tot de water-, gas- of elektriciteitsvoorziening, onderhoud van en toezicht op wegen, de op-haaldienst voor huishoudelijke afval en de verwijdering ervan, diensten van te-legrafie en telefonie, radio- en televisie-uitzendingen, evenals voor de opsporing van zend- of ontvangstapparatuur voor radio en televisie". 23. Artikel 6, f), KB 9 april 2007, zoals hier toepasselijk, bepaalt: "Niet onderworpen aan de artikelen 5 tot 9 van de verordening is het vervoer door de volgende voertuigen: voertuigen die worden gebruikt in verband met de rioleringsdienst, diensten ter bescherming tegen overstromingen, diensten met betrekking tot de water-, gas- of elektriciteitsvoorziening, het onderhoud van en het toezicht op wegen, de huis-aan-huisophaling en verwijdering van huishoude-lijk afval, diensten van telegrafie en telefonie, radio- en televisie-uitzendingen, evenals voor de opsporing van zend- of ontvangstapparatuur voor radio en tele-visie". 24. Uit deze bepalingen volgt dat bestuurders van de door artikel 6, f), KB 9 april 2007 bedoelde voertuigen zijn vrijgesteld van de verplichting betreffende het gebruik van het controleapparaat. 25. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft het begrip "voertuigen die worden gebruikt in verband met [...] onderhoud van [...] wegen" in de zin van ar-tikel 13.1.
  14. h)Verordening (EG) nr. 561/2006, aldus uitgelegd dat een voertuig dat materiaal of materieel vervoert naar de plaats waar de wegenonderhoudswerken worden verricht, onder dit begrip valt, mits het vervoer volledig en uitsluitend verband houdt met de uitvoering van deze werken en een aan die werken onder-geschikte activiteit vormt. Het betrokken vervoer heeft alleen een ondergeschikt karakter ten opzichte van de wegenonderhoudswerken indien het voertuig waar-mee dit materiaal en materieel wordt vervoerd rechtstreeks wordt gebruikt bij de uitvoering van de wegenonderhoudswerken. Het vervoer alleen van materiaal of materieel dat voor de wegenonderhoudswerken van de weg bestemd is, valt daar-entegen niet onder de uitzondering van artikel 13.1.
  15. h)Verordening (EG) nr. 561/2006. 26. Uit de door het Hof van Justitie van de Europese Unie gegeven uitlegging volgt dat het ondergeschikt karakter van het vervoer moet worden beoordeeld ten aanzien van de concrete vervoersopdracht van de chauffeur. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 27. Het bestreden vonnis (p. 16) stelt met eigen redenen en door overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 22) vast dat wat betreft de door het mid-del geviseerde telastleggingen het voertuig enkel werd gebruikt voor het vervoer van asfalt, afval, cement en riettegels naar de plaats van de werken en dat dit voertuig niet werd gebruikt bij de uitvoering van de werken zelf, zodat er sprake is van louter aan- en afvoeren van materiaal en dit met zekerheid niet onder de vrijstelling valt. Met die redenen verantwoordt het bestreden vonnis naar recht de beslissing dat de voormelde vrijstellingsregel niet van toepassing is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 28. Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige redenen en is het niet ontvankelijk. 29. Gelet op de door het Hof van Justitie van de Europese Unie gegeven uit-legging zoals hierboven vermeld, moet de eerste prejudiciële vraag niet worden gesteld. 30. De tweede en derde prejudiciële vraag moeten evenmin worden gesteld aangezien ze betrekking hebben op door het middel bekritiseerde overtollige re-denen. Tweede middel van de eisers I.4, I.6 en I.7 31. Het middel dat dezelfde strekking heeft als het tweede middel van eisers I.1 en I.3, dient om dezelfde redenen te worden verworpen en de voorgestelde prejudiciële vragen moeten om dezelfde redenen niet worden gesteld. Tweede middel van de eiser I.5 32. Het middel voert schending aan van de artikelen 3, 15.2, eerste lid, en 15.8, derde zin, Verordening (EEG) nr. 3821/85, de artikelen 3, 32.3, derde zin, en 34.1 Verordening (EU) nr. 165/2014, artikel 13 Verordening (EG) nr. 561/2006, de artikelen 10, 11 en 159 Grondwet, de artikelen 1 en 2, § 1, Wet van 18 februa-ri 1969, de artikelen 2, tweede lid, en 18, § 1, KB 14 juli 2005, en de op heden deels vervangende artikelen 3, 40 en 46 KB 17 oktober 2016 en artikel 6 KB 9 april 2007: het bestreden vonnis verklaart de eiser I.5 ten onrechte schuldig aan de telastleggingen C, D en E; het bestreden vonnis neemt ten onrechte aan dat het vervoer dat voorwerp is van de telastleggingen, niet valt onder de in artikel 13.1.
  16. h)Verordening (EG) nr. 561/2006 en in artikel 6, f), KB 9 april 2007 be-paalde vrijstellingsregeling, het bestreden vonnis neemt ten onrechte aan dat chauffeurs van private ondernemingen die voor de realisatie van de bedoelde diensten worden ingeschakeld niet van de vrijstelling kunnen genieten omdat de bedoelde uitzonderingen zouden slaan op algemene diensten van openbaar be-lang; het bestreden vonnis stelt ook niet vast dat de feiten niet zouden zijn ge-pleegd met een voertuig dat wordt ingezet bij wegenwerken ten dienste van het openbaar belang, zodat dit onderdeel van de motivering geen wettige grond kan vormen voor de veroordeling van de eiser I.5; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de vrijstelling niet geldt wanneer de chauffeur van een voertuig dat uitsluitend wordt ingezet voor wegenwerken in opdracht van een publieke over-heid, hiermee enkel voor de uitvoering van wegenonderhoudswerkzaamheden noodzakelijk materiaal of materieel vanop een andere plaats naar de werf ver-voert en daar lost; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat zolang de chauffeur ook niet zelf deelneemt aan het verwerken van dit materiaal in het ka-der van de werf, het door hem uitgevoerde vervoer geen ondergeschikte activiteit zou vormen; dat aannemen zou bovendien tot gevolg hebben dat alleen bouw-vakkers die ook rijdend materieel besturen van de vrijstelling zouden kunnen ge-nieten, wat niet de bedoeling is; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de vrijstelling niet toepasselijk is omdat het vervoer ook werd uitgevoerd door een particuliere dienstenverstrekker voor wie dit vervoer een commerciële acti-viteit uitmaakt, die aan mededinging is onderworpen, zodat de vrijstelling een concurrentievoordeel zou kunnen verschaffen ten aanzien van andere diensten-verstrekkers uit de sector; het bestreden vonnis oor¬deelt ten onrechte dat de vrij-stelling niet geldt voor ritten die te maken hebben met de aanleg van nieuwe we-gen en dat het begrip "onderhoud van wegen" in de zin van artikel 13.1.
  17. h)Veror-dening (EG) nr. 561/2006 enkel slaat op reeds bestaande wegen en niet op de aanleg van nieuwe wegen; het bestreden vonnis stelt overigens niet vast dat dit motief ook toepassing vindt op het vervoer dat de eiser I.5 heeft verricht en dat het voorwerp uitmaakt van de telastleggingen C en E, zodat deze reden de beslis-sing niet naar recht kan verantwoorden; dit zou bovendien een niet te verant-woorden verschil in behandeling doen ontstaan tussen de dienstenverstrekkers die optreden naar aanleiding van het onderhoud van een reeds bestaande weg en de dienstenverstrekkers die optreden naar aanleiding van de aanleg van een nieuwe weg en aldus een miskenning impliceren van het gelijkheidsbeginsel, dat vervat is in de artikelen 10 en 11 Grondwet; hieruit zou dan volgen dat artikel 18, § 1, KB 14 juli 2005 en artikel 46 KB 17 oktober 2016 krachtens artikel 159 Grondwet buiten toepassing moeten worden gelaten; het bestreden vonnis oord-eelt ook ten onrechte dat de vrijstelling niet geldt voor ritten die te maken heb-ben met het "verbreden van een voetpad met het oog op het plaatsen van fietsen-stallingen op het privédomein van de NMBS"; dit aannemen impliceert evenzeer een miskenning van het gelijkheidsbeginsel; het bestreden vonnis oor-deelt on-wettig dat voor de voertuigen die zowel ritten doen die vallen onder het toepas-singsgebied van de vrijstelling, als ritten die daar niet onder vallen, er een regu-liere tachograaf dient te worden geïnstalleerd die dan out of scope moet worden gesteld door de chauffeur op het ogenblik dat hij onder de vrijstelling valt; zoals het bestreden vonnis zelf vaststelt is deze reden niet relevant voor het voertuig waarmee de eiser I.5 reed; aangezien uit voorstaande grieven volgt dat de in arti-kel 13.1.
  18. h)Verordening (EG) nr. 561/2006 en artikel 6, f), KB 9 april 2007 be-paalde vrijstellingsregeling toepasselijk is, geldt hier niet het verbod van artikel 15.8, derde zin, Verordening (EEG) nr. 3821/85 en van het thans toepasselijke artikel 32.3, derde zin, Verordening (EU) nr. 165/2014, zodat de eiser I.5 ten on-rechte werd veroordeeld voor de telastlegging D; eisers schuldigverklaring aan die telastlegging is bovendien niet wettig verantwoord; het feit dat een aanwezi-ge voorziening de controle bemoeilijkt of bijna onmogelijk maakt, volstaat niet om de bedoelde inbreuk op te leveren; deze inbreuk bestaat slechts wanneer de voorziening de werking van het controleapparaat, het registratieblad of de be-stuurderskaart op die wijze kan bewerken dat de gegevens of de afgedrukte do-cumenten kunnen worden vervalst, ontoegankelijk gemaakt of vernietigd; de re-den dat dummy's niet geijkt dienen te worden, is niet alleen juridisch fout, maar ook niet relevant; de omstandigheid dat een dummy niet conform zou zijn, bete-kent niet dat deze zou kunnen worden aangewend voor het misbruik dat hier noodzakelijk is om het bedoelde misdrijf op te leveren; de reden van het bestre-den vonnis dat, doordat er geen gegevens moeten worden geregistreerd, men wel degelijk de registratie van gegevens vervalst wanneer die moeten worden geregi-streerd, is dubbelzinnig; het is immers niet duidelijk wat de juiste betekenis is van de woorden "doordat er geen gegevens moeten worden geregistreerd"; die reden is ook onjuist. Ondergeschikt wordt gevraagd dezelfde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zoals vermeld onder het tweede middel van de eisers I.1 en I.3. 33. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het tweede middel van de eisers I.1 en I.3, dient het om dezelfde redenen te worden verworpen en dienen de voorgestelde prejudiciële vragen niet te worden gesteld. 34. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser I.5 wegens de telastleggingen C, D en E samen tot één straf. Deze straf is naar recht verantwoord door het met het eerste middel tevergeefs bekritiseerd bewezen verklaren van de telastleggingen C en E. In zoverre het middel slechts betrekking heeft op de telastlegging D, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser I.2 35. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 15.8, derde zin, Ver-ordening (EEG) nr. 3821/85, de artikelen 3 en 32.3, derde zin, Verordening (EU) nr. 165/2014, de artikelen 2, 4, 10.2 en 13 Verordening (EG) nr. 561/2006, de ar-tikelen 10, 11 en 159 Grondwet, de artikelen 1 en 2, § 1, Wet van 18 februari 1969, de artikelen 2, tweede lid, en 18, § 1, KB 14 juli 2005, en de op heden deels vervangende artikelen 3, 40 en 46 KB 17 oktober 2016, de artikelen 2 en 6 KB 9 april 2007: de eiser I.2 sluit zich aan bij de grieven van het tweede middel van de eiser I.4 wat de telastlegging A betreft, van de eiser I.5 wat de telastleg-gingen C en D betreft, van de eiser I.6 wat de telastlegging F betreft, van de eiser I.1 wat de telastlegging H betreft, van de eiser I.3 wat de telastlegging J betreft en van de eiser I.7 wat de telastlegging L betreft; wat betreft de telastlegging N, namelijk het transport uitgevoerd door de bestuurder T.D., heeft het bestreden vonnis de eiser I.2 ten onrechte schuldig verklaard aan deze telastlegging; het bestreden vonnis neemt ten onrechte aan dat het vervoer, voorwerp van de telast-legging N, niet valt onder in artikel 13.1.
  19. h)Verordening (EG) nr. 561/2006 en in artikel 6, f), KB 9 april 2007 bepaalde vrijstellingsregeling; het bestreden vonnis neemt ten onrechte aan dat chauffeurs van private ondernemingen die voor de realisatie van de bedoelde diensten worden ingeschakeld niet van de vrijstelling kunnen genieten omdat de uitzonderingen zouden slaan op algemene diensten van openbaar belang; het bestreden vonnis stelt ook niet vast dat de feiten van te-lastlegging N niet zouden zijn gepleegd met een voertuig dat wordt ingezet bij wegenwerken ten dienste van het openbaar belang, zodat dit onderdeel van de motivering geen wettige grond kan vormen voor de veroordeling van de eisers I.1 en I.3; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de vrijstelling niet geldt wanneer de chauffeur van een voertuig dat uitsluitend wordt ingezet voor we-genwerken in opdracht van een publieke overheid, hiermee enkel voor de uitvoe-ring van wegenonderhoudswerkzaamheden noodzakelijk materiaal of materieel vanop een andere plaats naar de werf vervoert en daar lost; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat zolang de chauffeur ook niet zelf deelneemt aan het verwerken van dit materiaal in het kader van de werf, het door hem uitgevoerde vervoer geen ondergeschikte activiteit zou vormen; dat aannemen zou bovendien tot gevolg hebben dat alleen bouwvakkers die ook rijdend materieel besturen van de vrijstelling zouden kunnen genieten, wat niet de bedoeling is; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de vrijstelling niet toepasselijk is omdat het vervoer ook werd uitgevoerd door een particuliere dienstenverstrekker voor wie dit vervoer een commerciële activiteit uitmaakt, die aan mededinging is onder-worpen, zodat de vrijstelling een concurrentievoordeel zou kunnen verschaffen ten aanzien van andere dienstenverstrekkers uit de sector; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de vrijstelling niet geldt voor ritten die te maken heb-ben met de aanleg van nieuwe wegen en dat het begrip "onderhoud van wegen" in de zin van artikel 13.1.
  20. h)Verordening (EG) nr. 561/2006 enkel slaat op reeds bestaande wegen en niet op de aanleg van nieuwe wegen; het bestreden vonnis stelt overigens niet vast dat deze reden ook toepassing vindt op het vervoer dat T.D. heeft verricht en dat het voorwerp uitmaakt van de telastlegging N, zodat deze reden de beslissing niet naar recht kan verantwoorden; dit zou bovendien een niet te verantwoorden verschil in behandeling doen ontstaan tussen de dien-stenverstrekkers die optreden naar aanleiding van het onderhoud van een reeds bestaande weg en de dienstenverstrekkers die optreden naar aanleiding van de aanleg van een nieuwe weg en aldus een miskenning impliceren van het gelijk-heidsbeginsel, dat vervat is in de artikelen 10 en 11 Grondwet; hieruit zou dan volgen dat artikel 18, § 1, KB 14 juli 2005 en artikel 46 KB 17 oktober 2016 krachtens artikel 159 Grondwet buiten toepassing moeten worden gelaten; het bestreden vonnis oordeelt ook ten onrechte dat de vrijstelling niet geldt voor rit-ten die te maken hebben met het "verbreden van een voetpad met het oog op het plaatsen van fietsenstallingen op het privédomein van de NMBS"; dit aannemen impliceert evenzeer een miskenning van het gelijkheidsbeginsel; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat voor de voertuigen die zowel ritten doen die vallen onder het toepassingsgebied van de vrijstelling, als ritten die daar niet aan voldoen, er een reguliere tachograaf dient te worden geïnstalleerd die dan out of scope moet worden gesteld door de chauffeur op het ogenblik dat hij onder de vrijstelling valt; het bestreden vonnis stelt ook niet vast dat het voertuig, be-stuurd door T.D. op 25 november 2015, zowel gebruikt werd voor ritten waarop de vrijstelling toepasselijk is als voor ritten waarop de vrijstelling niet toepasse-lijk is; aangezien de schuldigverklaring van de eiser I.2 voor de overige telast-leggingen onwettig is, volgt hieruit dat de eiser I.2 wel degelijk de juiste inlich-tingen heeft verstrekt aan de chauffeurs, zodat ook zijn schuldigverklaring aan de telastlegging O onwettig is. Ondergeschikt wordt gevraagd dezelfde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zoals vermeld onder het tweede middel van de eisers I.1 en I.3. 36. In zoverre het middel betrekking heeft op de telastleggingen A, C, F, H, J, L en N, heeft het dezelfde strekking als het tweede middel van de eisers I.1 en I.3 en dient het om dezelfde redenen te worden verworpen en moeten de voorgestel-de prejudiciële vragen om dezelfde redenen niet worden gesteld. 37. De eiser I.2 wordt met de telastlegging D vervolgd wegens een inbreuk op artikel 15.8, derde zin, Verordening (EEG) nr. 3821/85, artikel 32.3, derde zin, Verordening (EU) nr. 165/2014, de artikelen 1 en 2, § 1, Wet van 18 februari 1969, artikel 18, § 1, KB 14 juli 2005 en artikel 46 KB 17 oktober 2016. 38. Artikel 15.8 Verordening (EEG) nr. 3821/85 bepaalt: "Het vervalsen, uit-wissen of vernietigen van op het registratieblad, in het controleapparaat of op de bestuurderskaart geregistreerde gegevens en van de door het in Bijlage IB om-schreven controleapparaat afgedrukte documenten is verboden. Hetzelfde geldt voor misbruik van het controleapparaat, het registratieblad of de bestuurders-kaart waardoor de gegevens en/of de afgedrukte documenten vervalst, ontoegan-kelijk gemaakt of vernietigd kunnen worden. In het voertuig mag geen voorzie-ning aanwezig zijn die voor dergelijk misbruik kan worden aangewend." 39. Artikel 32.3 Verordening (EU) nr. 165/2014 bepaalt: "Het is verboden ge-gevens op het registratieblad, op de tachograaf of op de bestuurderskaart opge-slagen gegevens, of afdrukken van de tachograaf te vervalsen, te verbergen, uit te wissen of te vernietigen. Manipulatie van de tachograaf, het registratieblad of de bestuurderskaart die kan leiden tot het vervalsen, uitwissen of vernietigen van de gegevens en/of afgedrukte informatie is verboden. In het voertuig mag geen voorziening aanwezig zijn die met dit doel kan worden gebruikt". 40. Uit de wijze waarop de inbreuk in artikel 15.8, derde zin, Verordening (EEG) nr. 3821/85 en artikel 32.3, derde zin, Verordening (EU) nr. 165/2014 is omschreven volgt dat die slechts bestaat indien in het voertuig een voorziening aanwezig is die kan worden aangewend voor het in dat artikel omschreven doel. Het loutere feit dat in het voertuig een voorziening aanwezig is die niet aan die omschrijving voldoet, maar een controle kan bemoeilijken, volstaat niet voor een inbreuk op deze bepaling. 41. Het bestreden vonnis dat anders oordeelt, verantwoordt de veroordeling van de eiser I.2 aan de telastlegging D niet naar recht. In zoverre is het middel gegrond. Omvang van de cassatie 42. De vernietiging van de beslissing waarbij de eiser I.2 schuldig wordt ver-klaard en wordt veroordeeld wegens de telastlegging D, brengt de vernietiging mee van de verplichting tot het betalen van eenmaal de bijdrage aan het Slacht-offerfonds ingevolge die veroordeling. Ambtshalve onderzoek voor het overige 43. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser I.2 schuldig verklaart en veroordeelt tot straf voor de telastlegging D en in zoverre het hem daarvoor ver-plicht tot het betalen van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers I.1, I.3, I.4, I.5, I.6, I.7 en II elk tot een achtste van de kos-ten. Veroordeelt de eiser I.2 tot één zestiende van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten in het geheel op 1437,70 euro, waarvan de eisers I.1 en I.2 elk 175,27 euro verschuldigd zijn, de eisers I.3, I.4, I.5, I.6 en I.7 elk 175,30 euro verschuldigd zijn en de eiseres II 210,66 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 10 december 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.