id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.10 Rolnummer: P.19.1002.N Zaak: J. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-12-12 Raadplegingen: 681 - laatst gezien 2026-06-29 07:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De termijn van vijftien dagen bedoeld in artikel 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, is een volle termijn, wat inhoudt dat vijftien volledig vrije dagen moeten worden gelaten tussen de dag van neerlegging van de memorie en de dag van de rechtszitting; indien de zestiende of de zeventiende dag vóór de rechtszitting een zaterdag, zondag of feestdag zijn, moet de memorie ervoor zijn neergelegd. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Termijn voor de indiening van de memorie - Termijn van vijftien dagen vóór de zitting - Berekening Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 De naleving van de in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn van twee maanden om de memorie in te dienen, ontslaat de eiser in cassatie niet van de verplichting om de in het eerste lid van dit artikel bepaalde volle termijn van vijftien dagen te respecteren. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Termijn voor de indiening van de memorie - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 429, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1002.N
- T. J., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg,
- G. P. P. J. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Philip Daeninck, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 11 september
- De eiser 1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser 2 voert in een memorie grieven aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser 2
- Volgens artikel 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan de eiser in cassatie zijn middelen slechts aanvoeren in een memorie die hij uiterlijk vijftien dagen vóór de rechtszitting ter griffie van het Hof doet toekomen. Deze termijn is een volle termijn wat inhoudt dat vijftien volledig vrije dagen moeten worden gelaten tussen de dag van neerlegging van de memorie en de dag van de rechts-zitting. Dit betekent dat indien de zestiende of de zeventiende dag vóór de rechtszitting een zaterdag, zondag of feestdag zijn, de memorie ervoor moet zijn neergelegd.
- De naleving van de in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn van twee maanden om de memorie in te dienen, ontslaat de ei-ser in cassatie niet van de verplichting om de in het eerste lid van dit artikel be-paalde volle termijn van vijftien dagen te respecteren.
- De eiser 2 heeft zijn memorie ter griffie van het Hof ingediend op maandag 25 november 2019, dit is minder dan vijftien volle dagen voor de rechtszitting van dinsdag 10 december
- De memorie is wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. Middelen van de eiser 1 Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het ar-rest oordeelt ten onrechte dat in deze zaak waarin de eiser 1 meer dan vier jaar werd verontrust, de redelijke termijn niet is overschreden; die overschrijding is enkel te wijten aan de houding van de gerechtelijke instanties; er zijn twee peri-odes van inactiviteit van in totaal 38 maanden waarin geen enkele daad van op-sporing dan wel vervolging gebeurde en waarvoor geen verantwoording kan worden gegeven; er is vooreerst de periode tussen de afsluiting van het Antwerp-se luik van het onderzoek met de beschikking tot mededeling op 2 september 2015 en de voeging van het Gentse luik, die tot gevolg had dat het dossier uitein-delijk slechts op 27 maart 2017 opnieuw werd meegedeeld aan de procureur des Konings; het arrest stelt vast dat dit dossier na ontlasting van de Gentse onder-zoeksrechter op 12 september 2016 tot beschikking werd overgemaakt aan de procureur des Konings, maar gaat er echter aan voorbij dat de Gentse onder-zoeksrechter reeds op 28 oktober 2015 in een kantschrift had geschreven dat de voeging met het Antwerpse dossier aangewezen zou zijn en de procureur des Konings te Antwerpen pas op 28 juni 2016 heeft bevestigd zich met het dossier te willen gelasten; er is dus 17 maanden verstreken vooraleer er in het tweede luik tot een inverdenkingstelling is overgaan terwijl er in die periode inhoudelijk niets is gebeurd; er ligt ook een periode van absolute stilstand tussen het aante-kenen van het hoger beroep en het arrest; het arrest verwijst weliswaar naar het toestaan van conclusietermijnen op 17 mei 2018, maar de appelrechters gaan er-aan voorbij dat het openbaar ministerie bij brief van 26 maart 2018 had meege-deeld dat de zaak op die rechtszitting niet kon worden behandeld en het de appel-rechters zelf zijn die hebben bepaald dat de zaak na conclusietermijnen pas één jaar later, namelijk op 16 mei 2019, zou worden behandeld; de zaak werd ver-volgens uitgesteld om het openbaar ministerie een recent strafregister te laten voegen, wat pas op 13 juni 2019 gebeurde terwijl dit veel vroeger had gekund, waarna pas op 11 september 2019 arrest werd verleend.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
- Of de redelijke termijn is overschreden moet in elke zaak afzonderlijk worden beoordeeld volgens de feitelijke gegevens eigen aan de zaak zelf en en volgens de criteria van de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechte-lijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak heeft voor die betrokkene. Er bestaat geen absolute drempel om te bepalen of er van een redelijke termijn-overschrijding sprake is. Bij de beoordeling van de aanvoering dat de redelijke termijn is overschreden, moet de rechter rekening houden met de procedure in haar geheel. Een vertra-ging in een bepaalde fase of meerdere fases van de procedure verplicht hem dan ook niet noodzakelijk tot de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt in het licht van de voormelde criteria onaantastbaar of de redelijke termijn is overschreden. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Op grond van het geheel van redenen die het arrest (p. 10-12) bevat, kun-nen de appelrechters wettig oordelen dat de zaak een normaal verloop heeft ge-kend zonder onverantwoorde vertragingen of onverantwoord lange periodes van inactiviteit of onderbrekingen in het onderzoek en de vervolging, zodat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is te-genstrijdig gemotiveerd; het bepaalt enerzijds de vermogensvoordelen forfaitair op 200.000 euro wat dicht aanleunt bij de eerdere door de eiser bekritiseerde be-rekeningswijze die uitgaat van een niet-representatief theoretisch model; het oor¬deelt anderzijds dat die berekeningswijze onrealistisch is; minstens vermeldt het arrest niet de dossierelementen waarop het steunt om tot dit bedrag te komen.
- Het arrest (p. 16-18) oordeelt betreffende de vordering tot verbeurdverkla-ring van de vermogensvoordelen als volgt: - de politiediensten hebben op basis van wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat de gemiddelde opbrengst per plant 27,7 gram bedraagt, hetzij in to-taal 53,184 kilo gebruiksklare marihuana voor twee gerealiseerde oogsten bij 960 aangetroffen planten, vermeerderd met een minimale groothandelsver-koopprijs van 4.000 euro per kilo, het wederrechtelijk vermogen bepaald op 212.736 euro; - de eiser 1 voert aan dat zijn rol bij de cannabisplantage beperkt is gebleven en hijzelf slechts kleine bedragen zou hebben ontvangen en de berekening van de politie uitgaat van de meest optimale omstandigheden en dus geen realistisch en exact beeld oplevert; - de eiser 2 betwist eveneens de berekeningswijze en stelt dat er geen oorzake-lijk verband zou bestaan tussen de exploitatie van de cannabisplantage en het vermogensvoordeel dat voortkomt uit de verkoop van cannabis; - de beide eisers waren betrokken bij de teelt van cannabis, in vereniging, in het kader van een met kennis van zaken zeer professioneel ingerichte cannabis-plantage; - daartoe werden twee woningen gehuurd waarvoor een maandelijkse huurprijs diende te worden betaald; - het staat vast dat de uitbating van deze cannabisplantage met respectievelijk 1.042 en 960 planten alleen was gericht op snel en gemakkelijk geldgewin te realiseren door de verkoop van de oogst; - uit het navolgend proces-verbaal van 9 januari 2017 met betrekking tot de uit-lezing van het bij de eiser 1 in beslag genomen gsm-toestel blijkt duidelijk dat deze eiser druggerelateerd communiceert; - rekening houdend met de twee oogsten die reeds werden gerealiseerd in de cannabisplantage te Destelbergen, het aantal aangetroffen planten bij de huis-zoeking, de minimale groothandelsverkoopprijs van 4 euro per gram, het ge-geven dat evenwel niet met zekerheid kan worden gesteld dat de cannabis-plantage te Destelbergen steeds onder optimale omstandigheden heeft gefunc-tioneerd, raamt het arrest de door de eisers verkregen vermogensvoordelen in redelijkheid op 200.000 euro, waarbij gelet op hun aandeel dit bedrag tussen hen wordt verdeeld bij helften; - er zijn geen redenen om de door het arrest in redelijkheid bepaalde vermo-gensvoordelen te herleiden. Die redenen zijn geenszins tegenstrijdig en met die redenen doen de appelrech-ters wel degelijk opgave van de dossierelementen waarop zij steunen ter bepa-ling van het bedrag aan vermogensvoordelen. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grond-slag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 10 december 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251217.2F.30 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div