id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 195- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 16-03-1968 - Artt.
21 en 30 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 30 Vrije woorden: Tijdelijk buitenlands rijbewijs - Straftoemeting - Criteria Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 195- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 16-03-1968 - Artt.
21 en 30 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Vrije woorden: Tijdelijk buitenlands rijbewijs - Straftoemeting - Criteria Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 195- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 16-03-1968 - Artt.
21 en 30 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Vrije woorden: Rijverbod - Tijdelijk buitenlands rijbewijs - Straftoemeting - Criteria Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 195- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 16-03-1968 - Artt.
21 en 30 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0877.N M. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Filip Liebaut, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 25 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 18, 21, 45, 49 en 56 VWEU, artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn 2006/126/EG van 20 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs (hierna Richtlijn Rijbewijs), artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvor-dering, alsook miskenning van het interpretatie-, motiverings- en evenredig-heidsbeginsel: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser tot een effectieve geld-boete van 100 euro en een rijverbod van 15 dagen voor de telastlegging rijden zonder houder te zijn van een rijbewijs; deze bestraffing is in strijd met de door de voormelde verdragsbepalingen gewaarborgde fundamentele vrijheden; de ei-ser, die in België verblijft en werkt, is immers houder van een tijdelijk certifi-caat waaruit blijkt dat hij in Frankrijk rijbevoegdheid heeft verkregen (het zoge-naamd CECP); eisers bestraffing is bovendien onevenredig aan de hem ten laste gelegde feiten; een persoon die in een andere lidstaat rijbevoegdheid heeft ver-kregen, maar nog geen rijbewijs heeft ontvangen dat voldoet aan het Europees rijbewijsmodel, handelt immers minder laakbaar dan iemand die zonder enige rijbevoegdheid een motorrijtuig op het grondgebied van een lidstaat bestuurt; uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat dit feit enkel de oplegging van een lichte sanctie, zoals een bestuurlijke geldboete, ver-antwoordt; de motivering van de straf is ook niet afdoend; ten onrechte verwij-zen de appelrechters naar eisers gebrek aan rijvaardigheid alsook naar mogelijke implicaties op eisers verzekeringsrechtelijke toestand en laten zij na, hoewel vereist door de voormelde Europese rechtspraak, te onderzoeken welk reëel ge-vaar eisers handelwijze opleverde voor de veiligheid van het wegverkeer op het Belgische grondgebied.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met het arrest C-195/16 van 26 oktober 2017 geoordeeld als volgt: - noch de artikelen 21, 45, 49 en 56 VWEU noch artikel 2, eerste lid, Richtlijn Rijbewijs verzetten zich ertegen dat een lidstaat een sanctie oplegt aan een persoon die voldoet aan de in die richtlijn gestelde eisen voor de afgifte van een rijbewijs, maar op zijn grondgebied een motorvoertuig bestuurt zonder te be¬schikken over een rijbewijs dat voldoet aan de eisen van het door deze richtlijn voorgeschreven rijbewijsmodel en, in afwachting van de afgifte van een dergelijk rijbewijs door een andere lidstaat, zijn rijbevoegdheid enkel kan bewijzen door een in die lidstaat afgeleverd tijdelijk certificaat; - de voormelde verdragsbepalingen vereisen wel dat deze sanctie niet oneven-redig mag zijn aan de ernst van het feit, waarbij rekening moet worden ge-houden met het gegeven dat, gelet op het doel van de richtlijn bestaande in het bijdragen aan de veiligheid van het wegverkeer, iemand die op het grondge-bied van een lidstaat een motorvoertuig bestuurt met een door een andere lid-staat verleende rijbevoegdheid, maar zonder te beschikken over een rijbewijs dat voldoet aan de Richtlijn Rijbewijs, minder laakbaar handelt dan iemand die zonder enige rijbevoegdheid een motorvoertuig bestuurt; - het opleggen van een strenge strafsanctie, zoals een gevangenisstraf of geld-boete, aan een dergelijke bestuurder is onevenredig aan de ernst van de be-trokken feiten en doet afbreuk aan de artikelen 21, 45, 49 en 56 VWEU; het opleggen van een lichte sanctie, zoals een bestuurlijke geldboete van een re-delijk bedrag, is daarentegen niet onevenredig. - het is aan de rechter om in het kader van zijn beoordeling van de ernst van de door de betrokken bestuurder gepleegde inbreuk en de zwaarte van de aan de-ze persoon op te leggen sanctie, rekening te houden met de verzachtende om-standigheid dat deze bestuurder in een andere lidstaat een certificaat van rij-bevoegdheid heeft verkregen, alsook te onderzoeken welk reëel gevaar voor de veiligheid van het wegverkeer deze bestuurder op zijn grondgebied ople-vert.
- Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser tot een geldboete van 200 euro, gebracht op 1.200 euro, waarvan de helft met uitstel voor drie jaar, alsook tot een rijverbod van vijftien dagen. De appelrechters oordelen dat deze straf passend is rekening houdend met het gegeven dat: - de eiser geen voertuig mocht besturen op Belgisch grondgebied; - het niet-beschikken over een geldig rijbewijs een ernstig gevaar uitmaakt voor de samenleving vermits bij feiten waarbij eisers aansprakelijkheid in het gedrang zou komen, derden in de kou dreigen te staan door de verzekerings-technische implicaties van het besturen van een voertuig zonder rijbewijs; - het besturen van een voertuig zonder houder te zijn van een voor dit voertuig geldig rijbewijs een reëel gevaar voor ongevallen vormt "nu het gebrek aan rijbewijs aantoont dat [de eiser] niet over de nodige praktische en/of ver-keerstheoretische rijvaardigheid beschikt om dit voertuig door een steeds drukker wordend verkeer te loodsen". Aldus laten zij na, bij de beoordeling van de ernst van de aan de eiser ten laste gelegde feiten en de zwaarte van de hem op te leggen sanctie, rekening te houden met eisers in Frankrijk verworven rijbevoegdheid, zoals bevestigd door het tijde-lijk certificaat en is de opgelegde bestraffing niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Omvang van de cassatie
- De vastgestelde onwettigheid brengt de cassatie met zich mee van de aan de eiser opgelegde bestraffing met inbegrip van de veroordeling tot de bijdragen, maar laat eisers schuldigverklaring onaangetast. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser veroordeelt tot straf en de bijdragen. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Antwerpen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 119,85 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 10 december 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div