← België

R. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191212.1N.4 Rolnummer: F.18.0073.N Zaak: R. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2020-01-03 Raadplegingen: 1084 - laatst gezien 2026-06-29 03:08 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De fiscale wet raakt de openbare orde; behoudens wanneer de administratieve akte noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld, dient de rechter bijgevolg, ongeacht de nietigheid van de administratieve akte, zelf in feite en in rechte te beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld. Thesaurus CAS: OPENBARE ORDE Vrije woorden: Fiscale wetgeving Fiche 2 Wanneer de belastingplichtige in een geschil betreffende de belasting over de toegevoegde waarde niet alleen de nietigverklaring van het dwangbevel zoals bedoeld in artikel 85 Btw-wetboek vordert, maar ook de terugbetaling van de door hem reeds betaalde sommen, moet de rechter die het dwangbevel nietig verklaart oordelen over het bestaan van de btw-schuld, zodat hij de terugbetaling van de btw-schuld niet kan bevelen zonder na te gaan of de belasting al dan niet verschuldigd is; het is daarbij niet vereist dat de fiscale administratie een tegenvordering instelt tot betaling van de betrokken belasting

(1). 1) Zie ook het arrest inzake F.18.0101.N van dezelfde datum Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Dwangbevel - Nietigverklaring - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 85 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. F.18.0073.N F. R., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Ontvanger van de BTW te Leuven, met kantoor te 3001 Leuven (Heverlee), Philipssite 3A, bus 2, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen van 12 april
  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 8 november 2019 een schrif-telijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. De fiscale wet raakt de openbare orde. Bijgevolg dient de rechter, ongeacht de eventuele nietigheid van de administratieve akte behoudens wanneer deze noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld, zelf in feite en in rechte te beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld. Hieruit volgt dat wanneer de belastingplichtige in een geschil betreffende de be-lasting over de toegevoegde waarde niet enkel de nietigverklaring van het dwangbevel zoals bedoeld in artikel 85 Btw-wetboek vordert, maar ook de terug-betaling van de door hem reeds betaalde sommen, de rechter die het dwangbevel nietig verklaart, moet oordelen over het bestaan van de btw-schuld. De rechter kan de terugbetaling van de btw-schuld niet bevelen zonder te hebben nagegaan of de belasting al dan niet verschuldigd is. De nietigverklaring van het dwangbe-vel impliceert immers niet dat de belasting onverschuldigd werd betaald.
  3. Het middel dat ervan uitgaat dat de rechter enkel tot de beoordeling van de belastingschuld dient over te gaan wanneer het bestuur een tegenvordering heeft ingesteld tot betaling van de betrokken belasting, zodat de rechter bij afwezig-heid van een dergelijke tegenvordering de terugbetaling kan bevelen zonder na te gaan of de belasting al dan niet verschuldigd was, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting. Het middel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 503,50 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 12 december 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191212.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200925.1N.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.10 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.146 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.