← België

DELVOYE ART nv contra PROVINCIE OOST-VLAANDEREN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191212.1N.6 Rolnummer: F.18.0091.N Zaak: DELVOYE ART nv contra PROVINCIE OOST-VLAANDEREN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-01-03 Raadplegingen: 349 - laatst gezien 2026-06-28 06:48 Versie(s): Vertaling FR Fiche De algemene provinciebelasting bedrijven van de provincie Oost-Vlaanderen is niet gestoeld op het kadastraal inkomen of op enige andere wezenlijke component die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepaalt en is derhalve geen gelijkaardige belasting op de grondslag of het bedrag van de in artikel 464, 1° WIB genoemde belastingen; de omstandigheid dat een provinciebelasting alleen kan betaald worden met inkomsten die reeds door de Staat werden belast, heeft niet tot gevolg dat de betrokken provinciebelasting gelijkaardig is aan de in artikel 464,1° WIB92 vermelde inkomstenbelastingen. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - PROVINCIEBELASTINGEN Vrije woorden: Bevoegdheid tot belastingheffing - Verboden gelijkaardige belasting - Begrip - Algemene provinciebelasting bedrijven Oost-Vlaanderen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 464, 1° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. F.18.0091.N DELVOYE ART nv, met zetel te 9050 Gentbrugge, Verbroederingstraat 16, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Werner Derijcke, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen PROVINCIE OOST-VLAANDEREN, vertegenwoordigd door de Deputatie, in de persoon van haar voorzitter, de Gouverneur, met zetel te 9000 Gent, Gouver-nementstraat 1, verweerster, met als raadsman mr. Antoine Doolaege, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 28 november

  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 8 november 2019 een schrif-telijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee midde-len aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert aan dat de accountant van de eiseres bij het verstrekken van inlichtingen met betrekking tot het al dan niet bestaan van een huurovereen-komst, handelde als derde en komt aldus in wezen op tegen de beslissing van de appelrechters dat de accountant op 18 november 2011 bij het verstrekken van in-lichtingen optrad als bijzonder gevolmachtigde van de eiseres. In zoverre het middel geen schending aanvoert van de artikelen 1984, 1985 of 1987 Burgerlijk Wetboek, die betrekking hebben op het bestaan van een over-eenkomst van lastgeving, is het niet ontvankelijk.
  3. De appelrechter steunt zijn oordeel dat er op 1 januari 2011 geen huurover-eenkomst bestond tussen de eiseres en D. onder meer op de vaststelling dat de te ontvangen huurgelden al vanaf 2010 hadden moeten geboekt zijn. In zoverre het middel aanvoert dat de laattijdige boeking van de huurgelden door de accountant in 2012 berust op een vergissing, noopt het het Hof tot een onder-zoek van feiten waartoe het niet bevoegd is, en is het mitsdien niet ontvankelijk.
  4. De appelrechter oordeelt dat uit het geheel van de argumenten van de ver-weerster voor de eerste rechter blijkt dat zij steeds van oordeel was dat de huur-overeenkomst nog niet bestond op 1 januari
  5. In zoverre het middel aanvoert dat de verweerster zelf ervan uitging dat er geen sprake van was dat de eiseres onjuiste informatie mededeelde, komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechter en is het mits-dien niet ontvankelijk. Tweede middel
  6. Krachtens artikel 464, 1°, WIB92 zijn de provincies, de agglomeraties en gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de personenbelas-ting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de be-lasting van niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voor-heffing betreft.
  7. Een provinciale belasting die is gesteund op een van de wezenlijke compo-nenten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen, is een door artikel 464, 1°, WIB92 verboden gelijkaardige belasting. De omstandigheid dat een provinciebelasting alleen kan betaald worden met in-komsten die reeds door de Staat werden belast, heeft niet tot gevolg dat de be-trokken provinciebelasting gelijkaardig is aan de in artikel 464, 1°, WIB92 ver-melde inkomstenbelastingen. Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt in zoverre naar recht.
  8. Krachtens artikel 11, § 1, van de algemene provinciebelasting van de ver-weerster is elke belastingplichtige de belasting verschuldigd per vestiging hoe ook genoemd, die door hem/haar wordt gebruikt of tot gebruik voorbehouden wordt en op het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen is gelegen. Krachtens artikel 11, § 2, van de algemene provinciebelasting wordt de belasting voorgesteld rekening houdend met de totale gebouwde en/of onbebouwde opper-vlakte van het goed waarop de vestiging zich bevindt. Krachtens artikel 11, § 3, eerste lid, van de algemene provinciebelasting zijn alle oppervlakten van het goed waarop de vestiging zich bevindt, die door de belas-tingplichtige worden gebruikt of tot gebruik zijn voorbehouden, belastbaar.
  9. Uit deze bepalingen blijkt dat de litigieuze algemene provinciebelasting het gebruik van een vestiging of het zich voorbehouden van het gebruik van een vestiging belast rekening houdend met de oppervlakte ervan. Uit die bepalingen volgt dat de litigieuze algemene provinciebelasting niet ge-stoeld is op het kadastraal inkomen of op enige andere wezenlijke component die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepaalt en derhalve geen gelijkaardige belasting op de grondslag of het bedrag van de in artikel 464, 1°, WIB92 genoemde belastingen uitmaakt. Het middel dat van het tegendeel uitgaat, faalt in zoverre eveneens naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 670,03 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 12 december 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191212.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.