← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 6

, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Weigering tenuitvoerlegging door onderzoeksgerecht - Buitenlandse straf - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-2012 - Art. 38, § 1 - 03 ELI link Pub

Art. 6

, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Weigering tenuitvoerlegging door onderzoeksgerecht - Buitenlandse straf - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-2012 - Art. 38, § 1 - 03 ELI link Pub

Art. 6

, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 4 - 6 Artikel 5.4 EVRM is niet van toepassing op een gevangenhouding na een rechterlijke veroordeling, zodat het onderzoeksgerecht aan deze verdragsbepaling geen rechtsmacht kan ontlenen om kennis te nemen van een verzoek tot invrijheidstelling van hij tegen wie een buitenlands Europees aanhoudingsbevel ter fine van strafuitvoering werd uitgevaardigd dat werd geweigerd op grond van artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel en die zich daardoor bij toepassing van artikel 38, §1, Wet Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen in strafuitvoering bevindt. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Toepassingsgebied - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet - 15-05-2012 - Art. 38, § 1 - 03 ELI link Pub

Art. 6

, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Buitenlands Europees aanhoudingsbevel ter fine van strafuitvoering - Verzoek tot invrijheidstelling - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet - 15-05-2012 - Art. 38, § 1 - 03 ELI link Pub

Art. 6

, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Buitenlands Europees aanhoudingsbevel ter fine van strafuitvoering - Onderzoeksgerechten - Verzoek tot invrijheidstelling - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet - 15-05-2012 - Art. 38, § 1 - 03 ELI link Pub

Art. 6

, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1232.N S K, persoon tegen wie een Europees aanhoudingsmandaat is uitgevaardigd, gedeti-neerd, eiser, met als raadslieden mr. Violette Kerkhofs en mr. Luk Delbrouck, advocaten bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 december 2019. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel in zijn geheel 1. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM: het arrest verklaart artikel 5.4 EVRM ten onrechte niet toepasselijk; deze bepaling maakt immers geen onderscheid tussen detentie in de fase van de voorlopige hechtenis en in de uitvoeringfase. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 5.4 EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat de kamer van inbeschul-digingstelling geen rechtsmacht heeft en dat de door de eiser aangehaalde recht-spraak niet dienend zou zijn omdat deze betrekking heeft op personen wiens uit-levering nog niet werd beoordeeld; zoals in de situatie bedoeld in artikel 20, § 2, § 3 en § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel, verkeert de eiser in de situatie be-doeld met artikel 6.4° van deze wet in onzekerheid over zijn detentiesituatie; het opvragen van het buitenlandse vonnis en het certificaat is niet aan termijnen ge-bonden, zodat de eiser geen garantie heeft op een tijdige beslissing; zoals bij de Uitleveringswet is ook hier niet enkel de uitvoerende macht bevoegd om te oor-delen over de verdere vrijheidsberoving; het staat bijgevolg vast dat een persoon op het ogenblik dat hij ter beschikking staat van de uitvoerende macht in de mo-gelijkheid moet zijn om zijn vrijlating te vragen. Het derde onderdeel voert schending aan van de artikelen 5.4 en 6.1 EVRM: de weigering van eisers uitlevering aan Griekenland heeft niet tot gevolg dat hij met zekerheid de vrijheidsbenemende straf van 8 jaar, zoals bepaald bij definitief Grieks vonnis, moet ondergaan; er moet nog worden onderzocht of eisers gevan-genisduur niet dient te worden aangepast conform artikel 18, § 1, van de wet van 15 mei 2012 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (hierna Wet Wederzijdse Erkenning Straffen 2012); de eiser verblijft reeds meer dan vier maanden in hechtenis zonder dat er een definitieve beslissing over de duur van zijn gevangenisstraf gekend is; de vertaling van het buitenlandse vonnis en het certificaat is nog niet ontvangen en er is geen tijdsbe-paling voor het nemen van de beslissing over de eventuele herleiding van de straf, terwijl de Wet Wederzijdse Erkenning Straffen 2012 in een betwistings-mogelijkheid voorziet van deze beslissing. 2. Het middel verduidelijkt niet hoe en waardoor het arrest artikel 6.1 EVRM schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 3. Artikel 38, § 1, Wet Wederzijdse Erkenning Straffen 2012 bepaalt: "Indien de raadkamer artikel 6, 4°, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Eu-ropees aanhoudingsbevel toepast, omvat haar beslissing de erkenning en de ten-uitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf of maatregel vermeld in de rech-terlijke beslissing waarvoor een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. De sanctie wordt vervolgens ten uitvoer gelegd overeenkomstig de bepalingen van deze wet. De territoriaal bevoegde procureur des Konings eist van de autori-teit die het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd het vonnis vergezeld van het certificaat en gaat indien nodig over tot de aanpassing van de straf overeenkomstig artikel 18". 4. Uit deze bepaling volgt dat bij weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel door het onderzoeksgerecht op grond van artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel, de buitenlandse straf onmiddellijk en rechtstreeks uitvoerbaar is in België en door de autoriteiten van de uitvoerende macht ook moet worden uitgevoerd. 5. Volgens artikel 5.1.

  1. a)EVRM is vrijheidsberoving toegelaten indien de be-trokkene op rechtmatige wijze wordt gevangenhouden na een veroordeling door een daartoe bevoegd rechter. Artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die door ar-restatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft voorzie-ning te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettig-heid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt indien de ge-vangenhouding onrechtmatig is. 6. Artikel 5.4 EVRM is niet van toepassing op een gevangenhouding na een rechterlijke veroordeling. 7. Het onderzoeksgerecht kan derhalve aan deze verdragsbepaling geen rechtsmacht ontlenen om kennis te nemen van een verzoek tot invrijheidstelling van hij tegen wie een Europees aanhoudingsbevel ter fine van strafuitvoering werd uitgevaardigd dat werd geweigerd op grond van artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel en die zich daardoor en bij toepassing van artikel 38, § 1, Wet Wederzijdse Erkenning Straffen 2012 in strafuitvoering bevindt. 8. De omstandigheid dat bij toepassing van artikel 38, § 1, laatste zin, Wet Wederzijdse Erkenning Straffen 2012 de territoriaal bevoegde procureur des Ko-nings aan de uitvaardigende autoriteit het vonnis vergezeld van het certificaat moet opvragen en indien nodig dient over te gaan tot de aanpassing van de straf overeenkomstig artikel 18 Wet Wederzijdse Erkenning Straffen 2012 en er dus enige onzekerheid kan bestaan over de duur van de straf belet niet dat de betrok-kene zich in strafuitvoering bevindt en zich bijgevolg niet kan beroepen op arti-kel 5.4 EVRM. 9. De rechtstoestand van een persoon die zich na toepassing van de weige-ringsgrond van artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel en overeenkomstig artikel 38, § 1, Wet Wederzijdse Erkenning Straffen 2012 definitief in strafuit-voering bevindt, ook al bestaat er nog geen absolute zekerheid over de duur van de straf, valt niet te vergelijken met die van een persoon die het voorwerp uit-maakt van een door België uitvoerbaar verklaard Europees aanhoudingsbevel en waarvan de uitvoering op grond van de artikelen 23 en 24 Wet Europees Aan-houdingsbevel door het openbaar ministerie is opgeschort of uitgesteld. In het eerste geval is het verzoek van de uitvaardigende autoriteit definitief afgehan-deld en zal er geen overlevering volgen. In het tweede geval blijft de betrokkene het voorwerp uitmaken van een Europees aanhoudingsbevel en zal er overleve-ring volgen van zodra de redenen voor de opschorting of het uitstel niet meer be-staan. 10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek 11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 17 december 2019 uitgesproken door waarne-mend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191217.2N.14 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231122.2F.14 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250402.2F.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180612.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.13 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230502.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.