← België

A. contra WEST-LEASE N.V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191217.2N.7 Rolnummer: P.19.0865.N Zaak: A. contra WEST-LEASE N.V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2019-12-23 Raadplegingen: 574 - laatst gezien 2026-06-28 21:51 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 In geval van samenloop of samenhang van een overtreding van de wetten en de verordeningen over één van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten met één of meer overtredingen van andere wetsbepalingen die niet tot de bevoegdheid behoren van de arbeidsgerechten, wijst de procureur-generaal het parket van de procureur des Konings of het arbeidsauditoraat aan, en, in voorkomend geval, het parket-generaal of het arbeidsauditoraat-generaal dat bevoegd is om de strafvordering uit te oefenen; de aanwijzing door de procureur-generaal blijkt uit het optreden zelf van de magistraat van het openbaar ministerie

(1).
(1)Cass. 26 mei 1999, AR P.99.0597.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990526.18, AC 1999, nr. 313; Cass. 8 oktober 1996, AR P.96.0087.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961008.6, AC 1996, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Uitoefening - Gemeenrechtelijke misdrijven en misdrijven die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten - Samenloop - Samenhang - Openbaar ministerie - Aanwijzing door de procureur-generaal - Optreden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 155 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafvordering - Uitoefening - Gemeenrechtelijke misdrijven en misdrijven die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten - Samenloop - Samenhang - Openbaar ministerie - Aanwijzing door de procureur-generaal - Optreden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 155 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: SAMENHANG Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Uitoefening - Gemeenrechtelijke misdrijven en misdrijven die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten - Samenloop - Samenhang - Openbaar ministerie - Aanwijzing door de procureur-generaal - Optreden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 155 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Uitoefening - Gemeenrechtelijke misdrijven en misdrijven die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten - Samenloop - Samenhang - Openbaar ministerie - Aanwijzing door de procureur-generaal - Optreden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 155 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0865.N M F A, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Bart Vosters, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  2. WEST-LEASE nv, met zetel te 8520 Kuurne, Brugsesteenweg 73, burgerlijke partij,
  3. Philippe en Cécile NOELMANS, met kantoor te 3700 Tongeren, Moeren-straat 33, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van M.A., burgerlijke partijen,
  4. Philippe en Cécile NOELMANS, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van A M bvba, burgerlijke partijen,
  5. Geert RENIERS en Tom ARTS, met kantoor te 3600 Genk, Jaarbeurslaan 19 bus 31, in hun hoedanigheid van gerechtelijke vereffenaars van T M A vzw, burgerlijke partijen,
  6. Geert RENIERS en Tom ARTS, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van gerechtelijke vereffenaars van G- EN B A M vzw, burgerlijke partijen,
  7. A T, burgerlijke partij,
  8. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, burgerlijke partij,
  9. NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met zetel te 1000 Brussel, Sint-Jansstraat 32-38, burgerlijke partij,
  10. LANDSBOND VAN DE NEUTRALE ZIEKENFONDSEN, met zetel te 1060 Brussel, Charleroisesteenweg 145, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 11 juli
  11. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  12. Het arrest is wat betreft de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 6 tegenover de eiseres bij verstek gewezen. Het tegen die beslissing gerichte cassatieberoep dat is ingesteld tijdens de gewo-ne termijn van verzet, is niet ontvankelijk.
  13. Het arrest veroordeelt de eiseres tot betaling aan de verweerders 2 en 3 van een provisioneel bedrag van 1 euro en houdt de verdere beoordeling van de bur-gerlijke rechtsvorderingen van deze verweerders aan. Dit zijn geen eindbeslis-singen noch uitspraken in een der gevallen bedoeld in artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep voorbarig en dus niet ontvankelijk. Eerste middel
  14. Het middel voert schending aan van de artikelen 76, § 2, tweede lid, 101 en 155 Gerechtelijk Wetboek: aangezien enkel de arbeidsauditeur en het arbeidsau-ditoraat-generaal daartoe bevoegd zijn, werd de strafvordering aanvankelijk uit-geoefend door een onbevoegd openbaar ministerie; een deel van de telastleggin-gen heeft immers betrekking op documenten die de terugbetaling toelaten van geneeskundige verstrekkingen zoals bedoeld in de ZIV-wet; die initiële fout kan niet worden rechtgezet in hoger beroep.
  15. Artikel 155 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 138, derde tot vijfde lid, de strafvordering wegens een overtreding van de wetten en de verordeningen over een van de aangelegen-heden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, voor de politie-rechtbanken en voor de rechtbanken van eerste aanleg wordt uitgeoefend door de leden van het arbeidsauditoraat en voor de hoven van beroep door de leden van het arbeidsauditoraat-generaal. In geval van samenloop of samenhang van genoemde overtredingen met een of meer overtredingen van andere wetsbepalingen die niet tot de bevoegdheid beho-ren van de arbeidsgerechten, wijst de procureur-generaal het parket van de pro-cureur des Konings of het arbeidsauditoraat aan, en, in voorkomend geval, het parket-generaal of het arbeidsauditoraat-generaal dat bevoegd is om de strafvor-dering uit te oefenen.
  16. De aanwijzing door de procureur-generaal blijkt uit het optreden zelf van de magistraat van het openbaar ministerie.
  17. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres wordt vervolgd zowel voor overtredingen van de wetten en de verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de ar-beidsgerechten, als voor overtredingen van andere wetsbepalingen die niet tot die bevoegdheid behoren. Het arrest stelt de samenhang tussen al die misdrijven vast. Daaruit volgt dat de strafvordering werd uitgeoefend door het door de pro-cureur-generaal aangewezen openbaar ministerie en de strafvordering wel dege-lijk werd uitgeoefend door een bevoegd openbaar ministerie. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  18. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM: met de re-den dat het aangedragen bewijsmateriaal omvangrijk is en afdoende om met kennis van zaken en mits zorgvuldig onderzoek tot een verantwoorde besluit-vorming met betrekking tot de feiten van telastleggingen A.1 en A.3 te komen, wijst het arrest ten onrechte het verzoek van de eiseres tot het horen van getuigen à décharge af; het arrest geeft daarmee niet de concrete redenen op waarom eise-res' recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd het horen van de be-doelde personen als getuigen à décharge onder eed op de rechtszitting niet nood-zakelijk maakt.
  19. Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM kent aan een beklaagde evenwel geen absoluut of on-beperkt recht toe om getuigen à décharge door de politie te doen ondervragen of op de rechtszitting als getuige te horen. Het komt aan de beklaagde toe aan te to-nen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding. Het staat dan aan de rechter om daarover te oordelen, waarbij hij er dient over te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel be-schouwd niet in het gedrang wordt gebracht. De rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à dé-charge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. Die concrete om-standigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoon-lijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten of het beschikbaar zijn van een ge-schreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige wenst te horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert.
  20. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt, maar ook als volgt: - het aangedragen bewijsmateriaal is omvangrijk en afdoende om met kennis van zaken en mits zorgvuldig onderzoek tot een verantwoorde besluitvorming met betrekking tot de feiten van de telastleggingen A.1 en A.3 te komen; - het komt aan de eiseres toe om aan te tonen en te motiveren dat het horen van een bepaalde getuige à décharge noodzakelijk is in functie van de waarheids-vinding. Dat ligt hier niet voor; - de concrete omstandigheden, met name de aard en de samenstelling van de reeds voorliggend onderzoeksinformatie betreffende de feiten van telastleg-gingen A.1 en A.3 en het betwijfelbaar nut van getuigenverhoren vele jaren na de verweten feiten, kunnen het hof van beroep niet overtuigen van de nood-zaak van additionele getuigenissen voor de waarheidsvinding; - uit de schuldbeoordeling betreffende de telastleggingen A.1 en A.3 volgt dat hoe dan ook de fragmentaire verklaringen van de door de eiseres aangewezen patiënten en zorgkundigen aan die beoordeling geen afbreuk zullen doen. Met die redenen geeft het arrest de concrete redenen op waarom eiseres' recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd het horen van deze personen als ge-tuigen à décharge onder eed op de rechtszitting niet noodzakelijk maakt en is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 232,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 17 december 2019 uitgesproken door waarne-mend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191217.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961008.6 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990526.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.