← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191224.2N.4 Rolnummer: P.19.1281.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-01-02 Raadplegingen: 653 - laatst gezien 2026-06-29 01:56 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De door de rechter te bepalen voorwaarden verbonden aan de voorlopige invrijheidstelling kunnen een beperking inhouden op grondrechten, zoals het in artikel 23 Grondwet nader omschreven recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid, mits de rechter de absolute noodzaak daartoe vaststelt en de voorwaarden betrekking hebben op en aangepast zijn aan de in artikel 16, §1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet genoemde redenen van recidivegevaar, vluchtgevaar, collusiegevaar of het gevaar op het doen verdwijnen van bewijzen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Verbod enige ondernemingsactiviteit uit te oefenen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 23, derde lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16 en 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiche 2 De rechter die als voorwaarde in het kader van vrijheid onder voorwaarden oplegt dat de inverdenkinggestelde noch rechtstreeks noch onrechtstreeks ondernemingsactiviteiten mag uitoefenen, legt geen straf op, maar een maatregel die noodzakelijk in de tijd is beperkt (maximum drie maanden, verlengbaar) en enkel als doel heeft het gevaar voor recidive, vlucht, collusie of het doen verdwijnen van bewijzen te vermijden of in te perken en waarvan de naleving niet strafrechtelijk wordt gesanctioneerd; de omstandigheid dat die voorwaarde voor de inverdenkinggestelde dezelfde gevolgen kan hebben als een beroepsverbod als straf, laat niet toe anders te oordelen. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 23 Vrije woorden: Recht op vrije keuze van beroepsarbeid - Voorlopige hechtenis - Vrijheid onder voorwaarden - Uitwerking Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 23, derde lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16 en 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Koninklijk Besluit met nummer - 22 - 24-10-1934 - Art. 1bis - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Wet - 02-06-1998 - gewijzigd door art. 4 - 48 ELI link Pub nr 1998009646 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1281.N D. V. V., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Eline Tritsmans, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 12 december

  1. De eiser voert een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip VanVolsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, de artikelen 14 en 23 Grondwet en de artikelen 16, § 1, en 35 § 1, § 2, en § 3, Voorlopige Hechte-niswet: het arrest dat de voorwaarde "geen ondernemingsactiviteiten uitoefenen noch rechtstreeks noch onrechtstreeks (door middel van tussenpersonen)" beves-tigt waaronder de eiser voorlopig in vrijheid werd gesteld, legt geen voorwaarde op maar een straf zonder dat zijn schuld aan enig misdrijf vaststaat; de Voorlo-pige Hechteniswet die toelaat bepaalde voorwaarden op te leggen, voorziet niet in de mogelijkheid om een beroepsverbod op te leggen; op het door artikel 23 Grondwet gewaarborgde recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid zijn enkel de door de wet bepaalde uitzonderingen mogelijk.
  3. Volgens artikel 35, § 1 en § 5, Voorlopige Hechteniswet kunnen de onder-zoeksgerechten de inverdenkinggestelde in vrijheid laten onder oplegging van één of meer voorwaarden voor de tijd die zij bepalen en maximum voor drie maanden. Artikel 35, § 3, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat deze voorwaar-den betrekking moeten hebben op een van de redenen genoemd in artikel 16, § 1, vierde lid, en daaraan aangepast zijn, in acht genomen de omstandigheden van de zaak. Het betreft met name het bestaan van ernstige redenen om te vrezen dat de in vrijheid gelaten inverdenkinggestelde nieuwe misdaden en wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou po-gen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden.
  4. Uit deze bepaling en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de wetgever geen limitatieve categorie van voorwaarden heeft omschreven, maar het aan de rech-ter heeft overgelaten de voorwaarden te bepalen die betrekking hebben op en aangepast zijn aan de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet ge-noemde redenen van recidivegevaar, vluchtgevaar, collusiegevaar of het gevaar op het doen verdwijnen van bewijzen. De door de rechter te bepalen voorwaarden kunnen wel degelijk een beperking inhouden op grondrechten, zoals het in artikel 23, derde lid, 1°, Grondwet nader omschreven recht op arbeid en op de vrije keu-ze van beroepsarbeid, mits de rechter de absolute noodzaak daartoe vaststelt. De rechter kan dan ook wel degelijk op grond van artikel 35, § 3, Voorlopige Hech-teniswet en zonder dat een aanvullende wettelijke grondslag noodzakelijk is, de invrijheidstelling van een inverdenkinggestelde afhankelijk maken van de voor-waarde noch rechtstreeks noch onrechtstreeks ondernemingsactiviteiten uit te oefenen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. De rechter die op grond van artikel 35, § 3, Voorlopige Hechteniswet als voorwaarde oplegt dat de inverdenkinggestelde noch rechtstreeks noch onrecht-streeks ondernemingsactiviteiten mag uitoefenen, legt geen straf op. Het betreft een maatregel die noodzakelijk in de tijd is beperkt (maximum drie maanden, maar verlengbaar), die enkel als doel heeft het gevaar voor recidive, vlucht, col-lusie of het doen verdwijnen van bewijzen te vermijden of in te perken en waar-van de niet-naleving niet strafrechtelijk wordt gesanctioneerd. De omstandigheid dat die voorwaarde voor de inverdenkinggestelde dezelfde gevolgen kan hebben als de door artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bepaalde straf van het beroepsverbod, die de rechter na een veroordeling voor bepaalde misdrijven kan opleggen voor een termijn van drie tot tien jaar en waarvan de niet-naleving strafrechtelijk wordt gesanctioneerd, laat niet toe anders te oordelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Het arrest oordeelt met betrekking tot de door het middel bekritiseerde voorwaarde dat die gelet op de feitelijke gegevens die het vermeldt strikt nood-zakelijk is ter voorkoming van het recidivegevaar. Aldus verantwoordt het de be-slissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit voorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en François Stévenart Meeûs, en op de openbare rechtszitting van 24 december 2019 uitgesproken door voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191224.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.11 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.