← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191231.2N.11 Rolnummer: P.19.1279.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2020-01-10 Raadplegingen: 694 - laatst gezien 2026-06-29 01:24 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit artikel 5.1.f en 5.4. EVRM en de artikelen 3, tweede lid, en 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874 volgt dat de vreemdeling van wie de uitlevering wordt gevraagd en die ter beschikking staat van de uitvoerende macht, het recht heeft de rechter te vragen op korte termijn te beslissen over de wettigheid van zijn gevangenhouding en met name of de daarbij in acht te nemen redelijke termijn niet is overschreden; de rechter moet de redelijkheid van de termijn van de vrijheidsberoving met het oog op de uitlevering beoordelen in het licht van het nagestreefde doel en op grond van de concrete gegevens van de zaak en bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de snelheid waarmee de overheden de procedure afwerken, de complexiteit van de zaak, de mogelijke interferentie van internationale instanties, de in het geding zijnde belangen en de mate waarin de betrokkene zelf heeft bijgedragen tot een vertraging van de procedure, zonder dat vereist is dat de rechter steeds al deze criteria bij zijn beoordeling betrekt; de rechter kan bij die beoordeling het gegeven betrekken dat een vreemdeling een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en de impact daarvan op het verloop van de uitleveringsprocedure

(1).
(1)Cass. 29 februari 2012, AR P.12.0217.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120229.2, AC 2012, nr. 140, RW 2012-2013, 339 met noot S. DEWULF, 'De bijzondere regeling voor toezicht op de uitleveringsdetentie', T. Strafr. 2012, 172 met noot T. D. Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: Uitleveringswet 1874 - Artikelen 3, tweede lid en 5, vierde lid - Vreemdeling die ter beschikking staat van de uitvoerende macht - Beslissing over de wettigheid van de gevangenhouding - Beoordeling van de redelijke termijn - Criteria - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Artikel 5.1.f - Vreemdeling die ter beschikking staat van de uitvoerende macht - Beslissing over de wettigheid van de gevangenhouding - Beoordeling van de redelijke termijn - Criteria - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Vreemdeling die ter beschikking staat van de uitvoerende macht - Beslissing over de wettigheid van de gevangenhouding - Beoordeling van de redelijke termijn - Criteria - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr.P.19.1279.N I A, vreemdeling, persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, alsook mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 13 december 2019. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM, alsmede mis-kenning van het begrip redelijke termijn: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de redelijke termijn niet is overschreden; het arrest toetst niet aan de vier uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkende cumulatieve criteria; het steunt dit oordeel op de door de eiser ingediende aan-vraag tot internationale bescherming en dus enkel op basis van eisers gedrag; de lengte van de asielprocedure kan bovendien niet aan de eiser worden verweten, maar is enkel aan de bevoegde overheid verwijtbaar; een vertraging in de uitle-veringsprocedure als gevolg van de procedure internationale bescherming impli-ceert niet automatisch dat de redelijke termijn niet is overschreden. 2. Artikel 5.1.
  1. f)EVRM bepaalt dat niemand van zijn vrijheid mag worden be-roofd, behalve onder meer in het geval van rechtmatige arrestatie of gevangen-houding van personen tegen wie een uitleveringsprocedure hangende is. Artikel 5.3 EVRM, dat verwijst naar artikel 5.1.
  2. c)EVRM, is niet van toepassing op personen die van hun vrijheid zijn beroofd in de zin van artikel 5.1.
  3. f)EVRM. 3. Uit artikel 5.1.
  4. f)en 5.4. EVRM en de artikelen 3, tweede lid, en 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874 volgt dat de vreemdeling van wie de uitlevering wordt gevraagd en die ter beschikking staat van de uitvoerende macht, het recht heeft de rechter te vragen op korte termijn te beslissen over de wettigheid van zijn ge-vangenhouding en met name of de daarbij in acht te nemen redelijke termijn niet is overschreden. 4. De rechter moet de redelijkheid van de termijn van de vrijheidsberoving met het oog op de uitlevering beoordelen in het licht van het nagestreefde doel en op grond van de concrete gegevens van de zaak. Bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de snelheid waarmee de overheden de procedure afwerken, de complexiteit van de zaak, de mogelijke interferentie van internationale instanties, de in het geding zijnde belangen en de mate waarin de betrokkene zelf heeft bijgedragen tot een vertraging van de procedure, zonder dat vereist is dat de rechter steeds al deze criteria bij zijn beoordeling betrekt. 5. De rechter kan bij die beoordeling het gegeven betrekken dat een vreemde-ling een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en de impact daarvan op het verloop van de uitleveringsprocedure. 6. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 7. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters dat de redelijke termijn niet is overschreden. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM: de appelrechters betrekken het onttrekkingsgevaar bij de beoordeling van de redelijke termijn en voegen daardoor aan die bepaling een voorwaarde toe; de beoordeling van een eventueel vluchtgevaar kan slechts plaatsvinden bij overschrijding van de rede-lijke termijn. 9. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat artikel 5.3 EVRM niet van toepassing is op een vrijheidsberoving als bedoeld door artikel 5.1.
  5. f)EVRM. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. 10. Het arrest betrekt het onttrekkingsgevaar niet bij de beoordeling van de re-delijke termijn. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste en tweede onderdeel 11. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6, tweede lid, Richt-lijn 2012/13/EU van 22 mei 2012 van het Europees Parlement en de Raad betref-fende het recht op informatie in strafprocedures: de eiser werd niet in kennis ge-steld van het feit dat het instellen van de asielprocedure als een reden voor de-tentie wordt beschouwd; het dossier bevat geen enkel stuk waarin de minister van Justitie aangeeft dat de onredelijke duur van de detentie te verklaren is door de hangende asielprocedure. Het tweede onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: de appelrechters hebben met de verwijzing naar de hangende asielprocedure in het arrest nieuwe feiten en gegevens toegevoegd die daarvoor niet het voorwerp hebben uitgemaakt van enig debat; de eiser heeft zich daartegen niet naar beho-ren kunnen verdedigen; het arrest motiveert niet waarom een aanvraag tot inter-nationale bescherming een termijn van meer dan zeven maanden rechtvaardigt. 12. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van het recht op tegenspraak dat onderscheiden is van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. In zoverre falen de onderdelen naar recht. 13. Het arrest stelt vast dat uit het debat ter rechtszitting en onder meer uit het pleidooi van de eiser bleek dat hij een asielprocedure heeft opgestart waardoor de uitleveringsprocedure zou zijn geblokkeerd. Uit deze vermelding, die door de eiser niet van valsheid wordt beticht, volgt dat de eiser het gegeven van de han-gende asielprocedure zelf in het debat heeft gebracht en dus ter zake elk gewenst verweer kon voeren. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. 14. Het recht van verdediging vereist niet dat de rechter een partij, die een fei-telijk gegeven in het debat heeft gebracht, erop wijst dat hij dit gegeven bij zijn beoordeling zal betrekken. In zoverre falen de onderdelen naar recht. 15. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie diende de rechter zijn oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden gelet op de hangende asielprocedure niet nader te motiveren. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Derde onderdeel 16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 Burger-lijk Wetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: het arrest mis-kent de bewijskracht van het strafdossier; het dossier bevat geen enkel stuk waaruit blijkt dat de minister van Justitie heeft aangegeven dat de duur van de vrijheidsberoving of het uitblijven van een beslissing inzake de uitlevering te verklaren is door de hangende asielprocedure. 17. De appelrechters beroepen zich niet op de vaststelling dat volgens de mi-nister van Justitie de duur van de vrijheidsberoving te verklaren is door de han-gende asielprocedure. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg fei-telijke grondslag. Derde middel 18. Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM, artikel 12 Grondwet en artikel 51/5 Vreemdelingenwet: met een verwijzing door het arrest naar de hangende asielprocedure kan het niet wettig oordelen dat eisers vrijheidsbero-ving redelijk is; die procedure kan immers nooit leiden tot een hechtenis van langer dan zes weken. 19. Er blijkt niet dat de eiser werd of wordt vastgehouden met toepassing van artikel 51/5, § 1, tweede lid, Vreemdelingenwet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 20. De overige wetsschendingen zijn afgeleid uit de voormelde vergeefs aan-gevoerde wetsschending en zijn bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 31 december 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191231.2N.11 Gerelateerde publicatie(
  6. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120229.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.